Hoe werkt (on)veilige hechting in relatie tot de ander en God?

De wereld door de ogen van jouw tweejarige ik

Als jong kind hechten we ons aan onze ouders. Het verloop van dat hechtingsproces bepaalt voor een groot deel onze kijk op onszelf en op de mensen om ons heen. Maar wat als die hechting niet goed ging? Is er dan nog ruimte voor herstel? En kun je je op zo’n zelfde manier ook hechten aan God? Drie experts geven uitleg.

“Uitleggen wat hechting is en hoe het werkt? Heb je even?” lacht godsdienstpsychologe Hanneke Schaap-Jonker, rector van het Kennisinstituut christelijke ggz. “Bij hechting gaat het om het opbouwen van een nauwe emotionele band. Dat je iemand hebt die een veilige haven en een zekere basis voor je is. Dat je een plek hebt waar je naartoe kunt gaan als het moeilijk is, maar ook een veilige plek vanwaar je erop uit kunt trekken.”

Wanneer kinderen zo’n band met hun ouders ervaren, gaat het om veilige hechting, legt Hanneke uit. Je ervaart dan weinig angst en voldoende vertrouwen in relaties. Ervaar je veel angst en weinig vertrouwen in relaties, of een van beide, dan ben je onveilig gehecht (zie kader). Omdat het niet helemaal zwart-wit is, wordt er ook wel van hechtingspatronen gesproken. Linda Riemsdijk, lichaamsgericht psychotherapeut en eigenaar van het Centrum voor Hechting en Trauma, vertelt: “Iedereen heeft elementen van de verschillende hechtingsstijlen in zich, de ene stijl is daarbij sterker aanwezig dan de andere.”   

Vier manieren van hechten

Veilige hechtingsstijl

Als je veilig gehecht bent, heb je voldoende nabijheid en vertrouwen ervaren van je hechtingsfiguren. Je weet: die ander vindt mij oké, ik ben oké, en die ander is ook oké. 

Angstig ambivalente hechtingsstijl

Wanneer ouders overbezorgd, inconsequent en/of onvoorspelbaar waren, kan deze hechtingsstijl ontstaan. Je hebt het gevoel dat anderen je moeten helpen. Dit kan tot uiting komen in claimend of vastklampend gedrag.

Vermijdende hechtingsstijl

Deze hechtingsstijl kan ontstaan wanneer ouders vaak negatief, afwijzend en niet sensitief waren. Bij deze hechtingsstijl ervaar je dat jij wel oké bent, maar die ander niet. Anderen zijn niet te vertrouwen: ik kan het beter zelf doen.

Gedesorganiseerde hechtingsstijl

Hierbij is er sprake van veel angst en weinig vertrouwen in relaties. Je denkt: die ander is niet oké en ik ook niet. Je hebt dan behoefte aan iemand die je troost en voor je zorgt, maar je ervaart dat anderen niet te vertrouwen zijn. Deze hechtingsstijl komt veelal voor bij mensen met traumatische ervaringen – zoals huiselijk geweld, seksueel misbruik en emotionele verwaarlozing – waarbij de belangrijkste hechtingsfiguren ook de bron van het gevaar zijn.

'Ik ben oké'

“Als de omgevingsfactoren voor het kind optimaal zijn, dus wanneer ouders emotioneel beschikbaar zijn en zich voldoende afstemmen op wat het kind nodig heeft, dan ontwikkelt zich de meest kwalitatieve hechtingsrelatie”, vertelt Linda. “Je leert dan: ik ben oké en de ander is oké, en op het moment dat ik die ander nodig heb, is die voor mij beschikbaar. Moet het kind zich wél aanpassen om liefde van zijn ouders te blijven ontvangen, dan heeft dat een negatieve invloed op zijn hechting.” 

Ter illustratie: een baby hoeft niet te leren zijn behoefte te uiten en te protesteren wanneer er niet aan die behoefte voldaan wordt; hij gaat dan huilen. Als een baby hier keer op keer geen afgestemde reactie op krijgt, geeft hij op en stopt hij uiteindelijk met huilen. Niet omdat er aan zijn behoefte voldaan is, maar omdat hij heeft geleerd dat hij maar beter niet kan opkomen voor zijn behoefte, zodat de liefde en de hechtingsrelatie niet op het spel komen te staan. De baby past zijn gedrag dus aan om ervoor te zorgen dat hij liefde van zijn ouders blijft ontvangen.

Blauwdruk

“Wanneer je je moet aanpassen aan je ouders, omdat je het gevoel krijgt dat delen van jou niet gewenst zijn, verlies je een stukje van je authenticiteit”, legt Linda uit. “In onze eerste twee levensjaren – de periode van hechting – vormen we onze blauwdruk: de manier waarop we naar onszelf en anderen kijken. Wat we in die periode leren, projecteren we in principe constant op onze relaties in ons latere leven.”

Mensen kunnen leren om oude patronen te doorbreken.

Wanneer die hechting niet goed verloopt en onveilig is, grijpt dat echt diep in, benadrukt Hanneke. “Dat is niet iets wat zomaar overgaat. Tegelijkertijd is het niet hopeloos; we zien wel degelijk dat mensen leren om oude patronen van denken, voelen en doen in relatie tot zichzelf en anderen te doorbreken.”

Ons brein

Ons brein vindt het fijn om onze opgedane ervaringen te projecteren op de relaties van nu. Herhalen wat je al kent, kost immers de minste energie. Toch hebben we de mogelijkheid de kijk op onszelf en anderen te veranderen. Dat komt door neuroplasticiteit: het vermogen van ons brein om nieuwe verbindingen aan te maken. Linda: “Door nu in je volwassen leven nieuwe ervaringen in contact met mensen op te doen, krijg je andere opties beschikbaar. Met zo’n nieuwe ervaring spreek je eigenlijk opnieuw de veilige hechting aan.”

God als hechtingsfiguur

Naast je ouders kunnen ook andere mensen uit je nabije omgeving functioneren als hechtingsfiguren. Maar kun je God ook tot een van hen rekenen?

“Ik denk dat het aan ons is of we Hem benaderen als een hechtingsfiguur”, antwoordt GZ-psycholoog – en schrijver van het boek Een warme band met God – Mieke de Boer. “In de Bijbel zie ik daarvoor een duidelijke uitnodiging, wanneer Jezus ons vertelt dat we weer zo mogen worden als een kind. Een onbeschadigd kind rent naar zijn ouders toe wanneer het wil vragen om hulp, troost of liefde. Ik geloof dat Jezus ons aanmoedigt om weer op diezelfde spontane en onbevangen manier naar Hem toe te gaan.”

Symbolisch

Hechting met God werkt anders dan hechting met onze biologische ouders, simpelweg omdat God niet fysiek aanwezig is, legt Hanneke – die over hechtingsproblemen en geloofsvertrouwen het boek Breekbaar verbonden schreef – uit. Toch kan Hij zeker die functie vervullen. “Wij maken ons een voorstelling van wie God is en daarmee wordt God een symbolische persoon voor ons. Je ontwikkelt een voorstelling, een gevoel bij God. Dit ontstaat enerzijds door de relatie en hechting met je ouders, en anderzijds door wat je hoort en leest over Hem.” 

Relationele make-up

“De hechtingservaringen die je hebt, werken als een filter als het gaat om God”, vervolgt Hanneke. “Er is een bepaalde interactie tussen jouw relationele make-up, jouw hechtingspatronen, en wat in jouw geloof en godsbeeld een plek krijgt.” Wanneer je als jong kind bijvoorbeeld geleerd hebt dat je beter niet om hulp kunt vragen, kun je God ook op deze manier ervaren. “Je ziet God en ervaart de relatie die je met Hem hebt op dezelfde manier als dat je dat doet met de mensen in je omgeving. Als je heel ontwijkend bent naar anderen of heel angstig, dan is de kans groot dat dat op dezelfde manier werkt in relatie tot God.”

God kan herstel bieden

Het tegenovergestelde kan overigens ook gebeuren. De relatie met God is dan precies tegengesteld aan de relaties met mensen. Hanneke: “Als je het gevoel hebt dat geen mens te vertrouwen is, dan kun je de overtuiging hebben dat God daar de uitzondering op is. Dit zie je bijvoorbeeld in Psalm 27, waarin David zegt: ‘Al verlaten mij vader en moeder, de HEER neemt mij liefdevol aan.’ Daarin is God dus precies tegenovergesteld aan vader en moeder.”

Onveilig bij God

Ook wanneer je geen veilige hechting hebt gehad, is het volgens Mieke absoluut mogelijk om je aan God te hechten, al is dat wel lastig. “Je zult dan sneller switchen tussen een positief en een negatief beeld van God. Het is lastig om dan toch bij God te blijven en naar Hem je gevoelens te uiten, omdat je je veel sneller onveilig voelt bij God. Aan de ene kant kun je bij God iets fantastisch vinden en denken: ik kan echt bij Hem terecht. En tegelijkertijd word je dan toch ook snel geplaagd door die oude verwachtingen. Probeer daarin vooral ook begrip op te brengen voor jezelf: dat je relatie met God wat stormachtiger is, heeft te maken met trauma’s. Realiseer je dat je God negatiever neerzet dan Hij daadwerkelijk is, omdat je slechte voorbeelden hebt gehad in het verleden.”

Weg naar herstel

“Toch kan God herstel bieden”, vervolgt Mieke. “Als het lukt om bij God in de buurt te blijven en om je elke keer weer open te stellen, dan ontstaat er een veilige hechting. Dit soort processen gaan erg langzaam en ze lopen ook via positieve relationele ervaringen met mensen. Het is een lange weg.”

Tekst loopt door onder afbeelding

Dit herstel mocht Linda zelf ervaren. Ze groeide op in een niet-gelovig gezin en kreeg een ingewikkelde relatie met een man waar ze later van scheidde. “Dat was een periode waarin ik nieuwe vriendschappen ontwikkelde met mensen die in God geloofden. Door hen leerde ik Hem kennen. Ik heb lang gedacht: waarom zou ik bij Hem welkom zijn, terwijl ik Hem nooit gekend heb?

Het voelde voor mij als een risico om me naar God toe kwetsbaar op te stellen, omdat ik bang was door Hem in de steek gelaten te worden. Maar mensen in mijn gemeente moedigden mij aan toch dat contact te blijven zoeken. Toen het me lukte om me kwetsbaarder op te stellen en met Hem te delen wat er in mijn binnenwereld speelde, gaf dat herstel. Het is zo’n krachtige ervaring dat God onvoorwaardelijk van je houdt en er voor je is, zonder je te veroordelen.”

Doorbreken

“Het is goed om te beseffen dat God niet beperkt wordt door onze menselijke barrières, zijn Geest kan daardoorheen breken”, aldus Hanneke. “God weet dat wij beperkte mensen zijn en dat wij leven in een wereld van – ook psychologische – gebrokenheid. Ook als wij er niet doorheen komen, mogen we weten dat God zijn weg met ons zal gaan.”

Beeld: Gerdien van Delft-Rebel

Geschreven door:

Elsina Neutel

Redacteur

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons