Ds. Tomas Sjödin verloor twee van zijn kinderen

'We missen hen nog iedere dag, maar het gemis doet niet langer pijn'

Zijn oudste zoontje werd 15, zijn jongste 14. Karl-Petter en Ludvig - gehandicapt vanaf hun geboorte - stierven aan een aangeboren hersenziekte. Pijn en benauwdheid stempelde hun laatste levensjaren. “Pasen betekent meer en meer voor me,” vertelt de Zweedse predikant en bestsellerauteur Tomas Sjödin.

Met enkele kinderen van vrienden stonden we bij het graf van onze zoons. Het was de verjaardag van onze jongste zoon, Ludvig. We rangschikten onze boeketten in de sneeuw en stelden vast dat een paar van onze vrienden hier al bloemen hadden gebracht, precies zoals ze dat sinds zijn dood elk jaar doen.

Toen streken we met onze handen over de koude steen en zeiden:

‘Gefeliciteerd met je verjaardag.’

Op dat moment zei een van de aanwezige kinderen: ‘Maar we moeten nu ook zingen.’ ‘Eh, ja...,’ antwoordde ik wat aarzelend. ‘Wat zullen we dan zingen?’

Zonder enige aarzeling stelde hij voor: ‘Lang zal hij leven!’

Op dat ogenblik wisten we niet of we zouden lachen of huilen. We kozen ervoor te lachen en zongen vervolgens ‘Lang zal hij leven...’ Je kon ons tot in de kerk horen zingen.

(Fragment uit: Leven uit rust)

Al dik dertig jaar wonen Tomas en echtgenote Lotta Sjödin in een vrijstaand, geelkleurig huis aan de rand van de Zweedse havenstad Göteborg.

Hun ruime woning staat op een heuveltje, dicht bij de uitgestrekte bossen waarin hij graag wandelt. Als je door de zijramen naar buiten kijkt, zie je het zacht glooiende dennenwoud een paar honderd meter verderop liggen.

Lachende gezichten

Ooit leefden Tomas en Lotta hier met hun drie zoons: Karl-Petter, John en Ludvig. Hun oudste, Karl-Petter, overleed in 2002. Ludvig, de jongste, stierf vijf jaar later. Hun middelste zoon John woont inmiddels elders in Göteborg op zichzelf – een kerngezonde dertiger.

In de keuken, gelegen op de eerste verdieping, getuigen foto’s vol lachende gezichten van een voorgoed voorbije gezinstijd. Ertussen hangt een ingelijste Zweedse spreuk: ‘Als je wilt huilen, is dat helemaal prima hier.’

Tomas (62) heeft me vanmorgen persoonlijk afgehaald van het vliegveld in Göteborg. Onderweg naar zijn huis passeerden we de kleine begraafplaats waar Karl-Petter en Ludvig nu al jaren samen liggen, onder dezelfde grafsteen.

Zoet gebakje

Terwijl hij koffiezet en een zoet gebakje aanbiedt – “Lotta is vandaag 63 geworden”) – vertelt Tomas dat hij morgenochtend naar Spanje hoopt af te reizen, om daar drie weken lang ongestoord te werken aan zijn nieuwe boek.

“Het wordt een dagboek,” vertelt hij, “met 365 korte meditaties aan de hand van allerlei teksten uit het Oude en het Nieuwe Testament. Ik gebruik steeds verzen uit de Bijbelparafrase The Message van de Amerikaanse theoloog en auteur Eugene Peterson. Ik ben er verliefd op geworden, en was een van degenen die zich hard hebben gemaakt voor een Zweedse vertaling. Zijn prachtige parafrase laat je echt de kracht van Gods Woord voelen.”

Columns in ‘Eva’

Van Tomas’ dertien boeken zijn er tot nu toe drie in het Nederlands vertaald: Er is zoveel dat niet hoeft (2020), Leven uit rust (2021) en Het geluid van de stilte (2021). Columns van zijn hand verschijnen geregeld in Eva, het vrouwenblad van de EO.

De vogels zingen al terwijl het nog aardedonker is

In Zweden is hij al jaren een bekende mediapersoonlijkheid. Veel van z’n boeken zijn bestsellers, hij schuift geregeld aan in populaire tv- en radioprogramma’s, en al bijna dertig jaar schrijft hij columns in de Göteborgs-Posten. “Hét dagblad in deze regio, met zo’n 600.000 lezers,” zegt hij. “Met zo’n korte tekst – vijfhonderd woorden – ben ik bijna een halve dag bezig. Dus ik ben geen ‘snelle’ schrijver.”

Constant aan het ‘finetunen’?
“Altijd.” Lachend: “Soms vraag ik me af: gebruik ik mijn tijd wel goed? Tegelijk denk ik, zeker als het om die columns in zo’n seculiere krant gaat: als ik mijn woorden niet zorgvuldig op papier zet, zou de boodschap waarschijnlijk niet beklijven. Ik hoop dat het kleine wegwijzers zijn naar Jezus. Ik wil dat mijn taal sprankelt. Dat vereist veel denkwerk.”

Om 05.30 uur uit bed

Wat hem daarbij naar eigen zeggen helpt, is vroeg uit de veren gaan. “Elke dag, ook in de weekends en vakantieperioden, ga ik om 05.30 uur uit bed. Ik zet koffie en ga naar mijn studeerkamer. Vervolgens lees ik in de Bijbel. Dan bid ik. En ik luister. Vaak zit ik een heel lange tijd gewoon in stilte in mijn stoel en kauw ik op iets wat ik heb gelezen. Dan ‘produceer’ ik niks. Pas later, als ik ga schrijven, komen de woorden.”

Staar je dan ’s ochtends vroeg uit het raam op je studeerkamer?
“Ja, ook al is het nog lang helemaal donker buiten. Soms hoor je dan alleen de vogels zingen. Schitterend: ze zingen al terwijl het nog aardedonker is.”

Na een korte stilte: “Ik zie mezelf vooral als een evangelist. Daarmee bedoel ik dat het mijn roeping is het evangelie door te geven aan mensen die Jezus nog niet kennen, of mensen die zijn opgegroeid in de kerk, maar daar om de een of andere reden uit zijn gegaan. Wat mij stimuleert, is dat heel veel mensen me schrijven dat ze nooit in de Bijbel lezen, en ook geen christelijke lectuur, maar mijn boeken wel.”

Hoe komt dat?
“Ik denk dat het vooral met taal te maken heeft. Zo veel christelijke taal is sleets geworden; niemand kijkt ervan op. Daarom zoek ik woorden die fris en aantrekkelijk zijn.”

Zijn het predikantschap en het schrijven de twee longen van jouw leven?
“Absoluut. Maar mijn eerste roeping is pastor zijn. Als je een geweerloop tegen mijn slaap duwt en zegt: ‘Je móét nu kiezen tussen schrijver en predikant,’ dan zal ik te allen tijde predikant zeggen. Dat is waar ik mijn leven aan heb toegewijd, sinds mijn 18e. Ik wil betrokken zijn bij een kerk, en bij het leven van gemeenteleden.”

‘Een enkel woordje’

Dat hij voorganger én schrijver is geworden, heeft alles te maken met de progressieve hersenziekte die Karl-Petter en Ludvig bleken te hebben.

“In een ver verleden heb ik acht jaar als jongerenpastor in onze Smyrna-gemeente in Göteborg gewerkt, waar ik nu parttime predikant ben,” vertelt Tomas. “Maar omdat Karl-Petter en Ludvig een progressieve, agressieve hersenziekte bleken te hebben, moest ik met pijn in mijn hart concluderen dat onze gezinssituatie niet te combineren was met mijn werk voor de kerk. Beide jongens, die in een rolstoel zaten en niet konden lopen, hadden heel veel zorg nodig. Dus achter het kerkenwerk heb ik een punt gezet. Een pijnlijk besluit, maar het kon niet anders. Het mooie was dat ik tegelijk meer ruimte kreeg om te schrijven en lezingen te houden.”

Wisten Karl-Petter en Ludvig dat ze waarschijnlijk niet oud zouden worden?
Tomas schudt nee. “Ze ‘wisten’ weinig. Ze herkenden mensen, maar… wat zij wel of niet wisten, weten we niet, want ze konden niet praten. Slechts een enkel woordje, soms. Ludvig zei bijvoorbeeld hallå: hallo. En ny: nee. Karl-Petter had iets meer woorden tot zijn beschikking. Maar geen taal.”

Terwijl jij juist een man van woorden bent.
“Dat heeft me veel geleerd over ándere manieren van communiceren. Lotta, John en ik ‘spraken’ met hen via onze ogen, ons lichaam, met gezichtsuitdrukkingen. We konden hen in die zin wel goed ‘lezen’.”

Waren Karl-Petter en Ludvig erg op elkaar betrokken?
“O, die jongens waren dol op elkaar! Ze werden samen met een busje opgehaald en gingen naar een speciale school... Ze waren altijd samen. Het merkwaardige was ook dat bij beiden vanaf hun 10e hun gezondheid ineens” – zijn opgeheven hand maakt een duikvlucht – “keihard achteruitging. In de laatste jaren van hun leven hadden ze heel veel pijn. En veel angst, omdat ze steeds meer moeite kregen met ademhalen.”

In ‘Er is zoveel dat niet hoeft’ schrijf je dat zij, als ze in ademnood waren en angstaanvallen hadden, rustiger werden als je een hand op hun borst legde.
Tomas kijkt opzij, naar de bladerloze bomen naast hun huis. “Wat doe je als je ziet dat je kind moeite heeft om te ademen? Soms tilden we hen op en namen we ze mee naar buiten. Maar veel vaker legden we, intuïtief, onze hand op hun hart. Een arts in het Östra-ziekenhuis zag dat een keer toen we dit bij Ludvig deden, in zijn laatste, loodzware levensfase. ‘Merkten jullie wat er zojuist gebeurde, hoe rustig hij werd?’ vroeg hij verrast. ‘Hij begon veel beter te ademen toen hij die hand voelde!’ Dat is me altijd bijgebleven.”

'Vanaf hun 10e ging hun gezondheid keihard achteruit'

Glimlachend: “Ik weet niet wanneer en waarom we ermee zijn begonnen, maar als aan het einde van de dienst de zegen wordt uitgesproken, leggen we in onze gemeente allemaal de hand op ons hart. Dan denk ik altijd aan onze jongens, die door dit gebaar kalmeerden.”

Zonovergoten kusten

In Leven uit rust beschrijft Tomas hoe hun oudste zoon – uiteindelijk toch nog onverwachts – overleed, in de zomer van 2002. Karl-Petter verbleef op dat moment in een zorginstelling waar hij vaker kwam.  Omdat ze zelf hoognodig de batterijen moesten opladen, waren Tomas en Lotta samen met John en Ludvig voor een korte vakantie naar Italië afgereisd. Aan de zonovergoten kusten van Ligurië kreeg Tomas een telefoontje dat zijn wereld in één klap stilzette.

Alles lag voor ons, de vakantie, de warmte, de zee. Juist op dat moment ging mijn mobiel. Ik viste hem automatisch uit mijn broekzak en zag direct dat het de zorginstelling van Karl-Petter was. Hij was er zeer slecht aan toe en tijdens het telefoongesprek kreeg hij een hartstilstand. Het werd een lang en onwerkelijk gesprek, waarin we de zinloze pogingen om te reanimeren op afstand volgden. Toen ik mijn mobiel weer uitdeed, was hij overleden.

'Waarom had God haar gebed niet verhoord?'

Toen het besef dat haar oudste zoon was overleden met kracht binnendrong, schreeuwde Lotta het ter plekke uit van verdriet en wanhoop.

“Een schreeuw naar God, omdat Hij haar gebed niet had verhoord,” blikt Tomas met zachte stem terug. “Als moeder had ze altijd gebeden dat we bij hem zouden zijn als hij stierf. Maar wij waren er niet bij toen hij zijn laatste adem uitblies. Hij was in Zweden, wij in Noord-Italië. Waarom had God haar gebed niet verhoord? Dat is een vraag waarop we geen antwoord hebben.”

Hoe was het voor Ludvig? Opeens was zijn grote broer er niet meer…
Tomas’ ogen krijgen iets kwetsbaars. “Dat was heel moeilijk. Ludvig keek vaak zoekend om zich heen: waar is Karl-Petter? Op een gegeven moment lieten we een foto van zijn broer zien, zo van: hier is hij… Ludvig had – voor zover wij weten – geen besef van leven en dood.”

Waren jullie er wél bij toen hij in augustus 2007 stierf?
“Ja. Dat was op een zondagmorgen, hier thuis. Hij zat op de plek naast jou, in z’n rolstoel. Het was, opnieuw, intens verdrietig, en tegelijk zó anders dan bij Karl-Petter. Wij waren bij hem toen God Ludvig uit zijn lange lijden verloste.”

Je hebt twee zoons op jonge leeftijd moeten begraven, en Lotta’s gebeden bleven onverhoord. Ben je ooit boos geweest op God?
Na een korte stilte: “Ja. Hoewel, misschien is dat niet het goede woord. Teleurgesteld in God, dat wel. In mijn gebeden heb ik dat ook wel tegen Hem gezegd: ‘God, ik had meer van U verwacht…’ Een aantal jaren vond ik het daarom ook heel moeilijk om te preken. Ruim een jaar kon ik dat niet opbrengen, maar toen werd het verlangen om Gods Woord door te geven toch te sterk, en begon ik weer. Maar het waren moeilijke, stille jaren.”

Leek God daarin ver weg?
“Nou en of. Toch hebben we Hem nooit vaarwel gezegd.”

Waarom niet?
Tomas’ blik glijdt naar de twee witte kaarsen die stil op tafel branden. “Een van de dingen die ons echt hebben geholpen, is dat we mensen ontmoetten die ook door heel moeilijke tijden heen zijn gegaan. Je denkt misschien dat je de enige bent die zoiets heeft meegemaakt. Niets is minder waar. We hebben over de hele wereld vrienden die veel ergere dingen hebben moeten ervaren. En… zij léven nog, en ze geloven nog steeds. Dat is voor ons een enorme bemoediging. Door de jaren heen hebben we op onze beurt zo veel mensen aan deze keukentafel ontvangen, die ons verhaal ergens hadden gehoord of gelezen, en hun eigen ervaringen met ons wilden delen. Meestal hoeven we letterlijk niets meer te doen dan oprecht te luisteren om hen te helpen. Als mens kun je vrijwel álles doorstaan, míts je iemand hebt aan wie je jouw verhaal kunt vertellen.”

Een diepere betekenis

Lijden, dood en verlies: het zijn begrippen waar gelovigen wereldwijd nadrukkelijk bij stilstaan in deze veertigdagentijd, voordat ze straks Pasen vieren.

Heeft het paasfeest een nieuwe betekenis voor je gekregen, sinds het overlijden van Karl-Petter en Ludvig?
Peinzend: “Misschien geen nieuwe, wel een diepere betekenis. Pasen betekent meer en meer voor mij. De opstanding uit de doden is wat het christelijk geloof voor mij tot een wonder maakt. Dit is het verhaal dat vér boven elk ander verhaal uitstijgt. Vroeg of laat krijgen we allemaal te maken met het verlies van iemand van wie je intens houdt, en met de aftakeling van ons eigen lichaam. Daardoor kun je weleens het gevoel hebben dat je afdaalt in een diepe duisternis, een beklemmende eenzaamheid. Je kunt je zelfs in de steek gelaten voelen door God. Verlies, dood en rouw zijn realiteiten in ons leven – en juist daarom moeten we Pasen vieren.”

Paulus houdt de Korintiërs voor: wij zijn de meest beklagenswaardige mensen ter wereld als Christus niet werkelijk is opgestaan uit de dood.
“Amen. En als Hij is opgestaan, vervolgt Paulus, zullen ook wij opstaan. Samen met Hem. Daarom is Pasen een verhaal van hoop, dwars tegen alle wanhoop, duisternis en onbeantwoorde vragen in waarmee je als mens kunt worstelen.”

'Die jongens waren dol op elkaar'

Ooit zongen jullie samen met vrienden en hun kinderen ‘Lang zal hij leven’ in de sneeuw op de begraafplaats, op Ludvigs geboortedag. Was dat een paaservaring voor je?
“Absoluut.”

Ik moest daarbij denken aan de titel van een ander, nog niet in het Nederlands vertaald boek: ‘Gebroken halleluja’.
“Die titel heb ik van de Canadese zanger Leonard Cohen. Dit was inderdaad zo’n gebroken halleluja. Tranen én blijdschap.”

Wat overheerste?
“Blijdschap. Omdat Karl-Petter en Ludvig bij God zijn. Geen pijn, benauwdheid en handicaps meer. We missen hen nog iedere dag, maar het gemis doet niet langer pijn.”

Kledingstukken

Evenals de foto’s boven de keukentafel, roept ook het vier meter lange vloerkleed herinneringen op: er zijn jeans en andere kledingstukken van beide overleden zoons in verwerkt.

Tomas staat op, bukt zich en strijkt er even met zijn hand over. “Het vertoont inmiddels wel wat slijtageplekken en moet nodig worden gerepareerd.”

Wiens idee was het om dit vloerkleed te laten maken?
Hij gaat weer zitten en knikt naar de jarige Lotta, die een lekkere lunch bereidt aan het aanrecht. “Wij wilden hun kleren niet weggooien, maar konden ze ook niet levenslang blijven bewaren. Dit vloerkleed benadrukt dat zij nog steeds deel uitmaken van ons gezin.”

Op het pad

Als Tomas me na het middageten terugbrengt naar het centrum van Göteborg, stelt hij voor eventjes langs het graf van Karl-Petter en Ludvig te rijden. Het ligt op slechts een paar minuten van hun huis. Hij parkeert de auto op het pad naast de lichtgrijze grafsteen. Omdat hij niet uitstapt, blijf ik ook zitten. Het is een eenvoudig graf. De beide namen, hun geboorte- en sterfdata, en – links bovenin – een kruis.

Een stralende lach

Op het gras ervoor staat een zwarte lantaarn, waarin een elektrisch lichtje brandt. Rechts daarnaast leunen twee losse portretfoto’s tegen de steen, gestoken in ovalen passe-partouts van wit karton. Karl-Petter en Ludvig, naast elkaar. Beiden vereeuwigd met een stralende lach op hun gezicht.

De nieuwslezer meldt op de autoradio dat er vannacht weer sneeuw zal vallen. Vlak voordat hij in de laagste versnelling wegrijdt, maakt Tomas Sjödin opeens een klein zwaaigebaar. Bijna vrolijk, met liefdevolle ogen, roept hij in hun richting: “Dág, jongens!”

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons