‘Urkers zijn in verdriet met elkaar verweven’

Als je zoon op zee blijft

in Geloven

De vis wordt duur betaald. Menig visserman zal deze uitdrukking volmondig beamen. Al eeuwenlang zorgt de visserij voor brood op de plank in verscheidene plaatsen die aan het water liggen. Ook in de gemeenschap met Nederlands grootste vissersvloot: Urk. Maar daarnaast eiste de zee honderden levens. Die pijn zit diep in de gemeenschap en komt boven als opnieuw een vissersfamilie de gevreesde boodschap krijgt.

Vanuit de keuken van haar woning geniet Rina Kramer dagelijks van een prachtig uitzicht op het IJsselmeer. Rechts in het levende schilderij kabbelen de golven tegen de dijk die naar Lemmer leidt. Maar de grootste blikvanger vanuit het raam blijft het vissersmonument dat vlak bij haar huis staat. Op de muren rond het bewuste pleintje hangen 36 marmeren platen waarin de namen staan gegraveerd van 379 vissermannen die op zee bleven. Ook die van haar oudste zoon: Jan Kramer. Achter zijn naam staat ‘29 J.’ vermeld.

Sprankje hoop

“Voor mij geeft dit prachtige beeld goed weer hoe ik die veertien dagen heb beleefd.” Rina wijst naar de sculptuur van de vrouw in Urker klederdracht die op het pleintje staat. Ze kijkt nog een laatste keer over haar schouder naar de voormalige Zuiderzee, waar haar dierbare niet van terug zal keren. “Het leven gaat verder. Tegelijkertijd ligt een laatste sprankje hoop daar in de golven.”

Visserman in hart en nieren

Jan bleek van kinds af aan een visserman in hart en nieren. Hij zette als 14-jarige al de stap naar de visserijschool en ging, net als zijn vader Jelle, naar zee. Na een carrière op verschillende vissersschepen, werd hij in 2013 schipper van de Z-85 Morgenster. Intussen kocht hij een huis naast de Urker vuurtoren met een vergelijkbaar uitzicht als zijn moeder nu heeft. Met een bemanning bestaande uit de Urker Bert Woort, de Belgische Maurice Coussaert en Americo dos Santos Martins uit Portugal voer hij onder Belgische vlag de Noordzee tegemoet. Zo ook op 26 januari 2015.

'Ze stond elke vrijdag voor het raam te wachten op haar zoon'

Gevaarljk beroep

“Ik maakte me nooit echt zorgen,” vertelt Rina. “Visser blijft een gevaarlijk beroep, maar ik kende Jan ook als een vakman die bovendien altijd goed uitkeek. Daar vertrouwde ik op.” Maar toen zijn kotter op 28 januari – een onstuimige woensdag – van de radar verdween, voelde Rina al snel angst en onrust. “Mijn man belde de kustwacht en alles werd in werking gesteld om de kotter te signaleren.” In de loop van de avond kwam er echter nog steeds geen teken van leven vanaf de Morgenster. “Toen we naar bed gingen, had ik nog hoop. Maar een deel van Psalm 3 kwam ook sterk op me af: ‘want God was aan mijn zij, Hij ondersteunde mij, in ’t leed dat mij genaakte’.”

Geen woorden

Op 30 januari spoelden de lichamen van Bert Woort en Maurice Coussaert aan op de Franse kust. Van Americo dos Santos Martins en Jan ontbrak ieder spoor. Rina: “De hoop dat Jan levend thuis zou komen, maakte langzaam plaats voor de angst dat zijn lichaam nooit gevonden zou worden. Ik wilde op een waardige manier afscheid kunnen nemen. Sommige mensen in de omgeving vonden de situatie ook moeilijk: ze wisten niet of ze ons moesten condoleren of wat ze moesten zeggen.”

Onzekerheid

Ook Pieter de Boer, op het moment van de ramp werkzaam als predikant op Urk, kon moeilijk woorden vinden. Als wijkpredikant van de familie bezocht hij hen op de dag van de vermissing. “Door de onzekerheid over Jans lot, kon ik er alleen maar voor hen zijn. Ik wilde met mijn woorden niet de laatste hoop van de nabestaanden ontnemen, zeker niet die van Jans moeder. Maar andere mensen uit de visserij concludeerden, ook vanwege de gure weersomstandigheden, dat de kans op overleving minimaal was.”

“De wijk waar ik destijds werkte, telt veel families waarvan dierbaren op zee achterbleven,” vervolgt De Boer. “Ik voerde in deze periode veel gesprekken met mensen die het verdriet dat weer naar boven kwam met me wilden delen. Voor die tijd kende ik al verscheidene verhalen uit vissersfamilies. In de zomer voor deze ramp moest ik een oudere zuster uit de gemeente begraven. Totdat zij op haar tachtigste naar het verzorgingstehuis ging, stond ze elke vrijdag voor het raam te wachten. Hopend dat haar zoon die op zee verdronk en nooit werd gevonden tóch op een dag thuis zou komen. Dat gebeurde niet.”

De nodige ellende

Ook uit de familie van oud-visserman Jurie van den Berg bleven verscheidene mannen op zee. Als 11-jarige jongen zag hij van dichtbij het verdriet toen de kotter UK 63 Zuiderzee vermist raakte. Ook zijn oom Jurie en twee neven Jan Jurie en Roelof van den Berg waren aan boord. Alleen het lichaam van de 17-jarige Jan Jurie werd vier maanden na de ramp gevonden. Van zijn 43-jarige oom en 15-jarige neef Roelof werd nooit meer iets vernomen. Juries tante Grietje bleef achter met drie dochters van 12, 8 en 1 jaar.

'Ze besefte het meteen: ze hadden Jan gevonden'

Lummetje

“Die wil om visserman te worden, kan ik niet uitleggen; het moet gewoon door je aderen stromen,” vertelt Jurie, die de gevaren als het “risico van het vak” zag. “Als je goed oplet, komt het uiteindelijk wel goed, was de gedachte. Toch heb ik in de loop der jaren de nodige rampen en ellende gezien, niet alleen binnen mijn familie. In 1995 kreeg de kotter waarop ik voer motorproblemen en we legden aan in de Eemshaven. Wachtend op de technici kwam de UK 154 binnengevaren. Er lagen twee lichamen aan boord, van de vissermannen Lucas van Slooten en Johan van Urk. Zij voeren op de UK 114 Lummetje, waar eerder die dag een explosie had plaatsgevonden. Ik en mijn collega’s hielpen om hun lichamen naar de lijkwagen te brengen die op de kade stond. Zo surrealistisch...” Er valt een korte stilte. “Die momenten blijven je je leven lang bij.”

Bijna alle achternamen

Jurie werkte aan verschillende boeken over de Urker visserij, waaronder Een zee van tranen. Hij grist een versie van de tweede druk uit zijn boekenkast, waarin hij alle vissers die tussen 1717 en 2010 hun leven op zee verloren en een link met Urk hadden een plaatsje gaf. Hij zet zijn vingers gespreid op het boekwerk, waar het beeld van de vissersvrouw bij het vissersmonument op prijkt. “Vrijwel iedere Urker kan een familielid in dit boek terugvinden. Alleen de Urker achternaam Keuter staat er niet in.” Als hij het boek openslaat bij de laatste bladzijden, vallen krantenknipsels van de scheepsrampen die na 2010 plaatsvonden uit het boekwerk. Een artikel over de ramp met de Z-85 Morgenster ligt bovenop.

In het stuk valt te lezen dat er binnen een etmaal een taskforce werd opgezet in de zoektocht naar de vermiste kotter, gefinancierd door het ministerie van Defensie, de gemeente Urk en het Urker bedrijfsleven. Ook verscheidene vissersschepen droegen hun steentje bij aan de zoektocht. Op 3 februari leidde de actie tot het vinden van het wrak van de Z-85 Morgenster. Zoekacties in de kotter leverden weinig op, tot 11 februari, in 2015 de plaatselijke Biddag voor de Visserij op Urk. Rina: “We kregen dagelijks rond vijf uur telefonisch een update over de zoektocht, maar die avond, rond zevenen, stond onder andere de burgemeester op de stoep. Ik besefte het meteen: ze hadden Jan gevonden. Een enorme opluchting.” En niet alleen voor de familie, merkte predikant De Boer: “De hele gemeenschap slaakte een zucht van verlichting. In het bijzonder de families die weten hoe het voelt als een geliefde niet wordt teruggevonden.”

Medeleven

Het medeleven met en de belangstelling voor de familie Kramer bleken enorm te zijn. “We kregen stapels lieve kaarten en mooie brieven, ook van mensen die we niet of nauwelijks kenden. Vaak waren ook zij iemand op zee verloren. Ons verdriet raakte aan dat van hen: dan besef je hoe erg het is wat je meemaakt. De wetenschap dat mensen aan ons dachten en voor ons baden, bood ons ontzettend veel steun en troost.”

Hechte gemeenschap

Dat medeleven staat ook beschreven in de geschiedenisboeken. Tot 1939 werd Urk omringd door de Zuiderzee, wat resulteerde in een geïsoleerde, hechte gemeenschap, waar de mensen op elkaar waren aangewezen. Jurie: “Doordat de visserij de belangrijkste inkomstenbron vormde, gebeurde het regelmatig dat echtgenoten en zonen op zee bleven. De dominee ging, in het zwart gehuld, door het dorp om de slechte tijding te brengen. De opluchting was groot wanneer hij je deur voorbijliep, maar tegelijkertijd voelde je verdriet voor degene waar hij wél naar binnen stapte; een grote kans dat je diegene kende. In maart 1883 vergingen zelfs acht schuiten tijdens een noordwester sneeuwstorm en kwamen 28 Urker jongens en mannen tussen de 10 en 60 jaar om. Dat aantal kwam neer op één procent van de Urker bevolking: het verdriet ging geen enkele familie voorbij. Tegelijk moesten de mensen snel door met het leven. Veel weduwen trouwden opnieuw of startten een winkeltje om rond te komen."

Bed en breakfast in Jans huis

Ook Rina pakte als moeder die een van haar kinderen verloor de draad weer op. Het huis naast de vuurtoren dat Jan vlak voor zijn overlijden kocht, werd verbouwd tot een bed en breakfast. “Iedereen in ons gezin heeft daar wel een steentje aan bijgedragen, vooral mijn man Jelle stopte er al snel veel tijd in. We wilden er geen afstand van doen en ik vind het mooi om nog steeds tijd te besteden aan iets waar Jan zo blij mee was. Achteraf gezien denk ik dat dat heeft geholpen in het rouwproces.”

“Toch gaat dat verdriet nooit helemaal weg. Ik vond een tijdje na Jans overlijden een boek dat hij had besteld als verjaardagcadeau voor een vriend. Er ging toen een golf van emotie door me heen, want ik kon hem niet meer vragen voor wie hij dat cadeau had gekocht. Op momenten waarop de herinnering heel sterk voelt, komt dat verdriet weer terug. Maar niet iedereen ziet die tranen.”

'De Urker gemeenschap is in zijn totaliteit getraumatiseerd'

Een weg in het verdriet

“Zoals vanzelfsprekend werd de steun en aandacht vanuit de gemeenschap minder, ook omdat andere gebeurtenissen de gemoederen bezighielden,” vervolgt Rina. “Mensen beginnen er niet meer zo snel over en dat hoeft ook niet telkens. Het belangrijkste blijft dat je als gezin een weg in dit verdriet vindt. Voorheen vond ik het lastig om nabestaanden vlak na het overlijden van een dierbare te benaderen. Maar uit eigen ervaring weet ik dat je naar iemands verdriet mag vragen en een luisterend oor kunt bieden. Je wilt namelijk niet dat je dierbare vergeten wordt.” Rina kijkt uit het raam naar het vissersmonument. “Daarom vind ik deze herdenkingsplek zo waardevol.”

Nóg dieper

De zee van tranen die door de eeuwen door Urk stroomde, is en blijft voorlopig een onderdeel van de Urker gemeenschap, volgens Jurie. “En die zee wordt waarschijnlijk nóg dieper. Toen ik net begon als visser, dachten we met de steeds verder geavanceerde technologie zo goed als helemaal van die scheepsrampen af te zijn. Maar toen er in de jaren 90 een aantal ingrijpende sterfgevallen op zee plaatsvonden, voelden we ons teruggezet in het verleden. Ongeacht wat een mens doet, de kotters blijven nietige scheepjes op een immense zee.”

Talloze nabestaanden

De oud-visserman ging voor zijn boek in gesprek met talloze nabestaanden en dat liet hem niet onbewogen. “Ik zeg weleens gekscherend dat dit boek tien jaar van mijn leven heeft gekost. Oude wonden gingen open en ik lag soms nachtenlang wakker. Maar ik voelde verbondenheid met deze mensen, ook met de weduwen van Lucas van Slooten en Johan van Urk. Juist omdat ik bij het verhaal van deze vissers hoor, die in 1995 voor mijn ogen levenloos de Eemshaven binnen werden gebracht. Dat verdriet is voor veel Urkers een onlosmakelijk onderdeel van hun leven, wat resulteert in meer oog en begrip voor zulke pijn dan menig ander zich kan  voorstellen. Dát zorgt voor die collectieve rouw en het medeleven als er iets ernstigs op Urk gebeurt. In verdriet ben je met elkaar verweven. Al ervaart de ene Urker dat vanzelfsprekend meer dan de ander.”

De Boer beaamt dit. “De Urker gemeenschap is in zijn totaliteit getraumatiseerd. Alleen in vissersgemeenschappen als bijvoorbeeld Katwijk, Breskens en Harlingen weten de mensen hoe dit voelt. Vanuit die achtergrond is een gemeenschap als Urk ook in staat alles naast zich neer te leggen in zulke verdrietige periodes. Er is geen conflict, kerkmuren vallen weg en iedereen staat als één man om de getroffen familie heen. Wat dat betreft staan Urkers dichter bij elkaar dan ze vaak beseffen.”

Portretje van Jan

“Dankbaarheid,” antwoordt Rina op de vraag welk gevoel overheerst als ze terugblikt op deze periode. “Natuurlijk maakte ik als moeder het ergste mee wat me kon overkomen. Maar in de weken dat we als gezin thuiszaten, hadden we het goed met elkaar ondanks het verdriet en de spanning. We haalden herinneringen op aan Jan en moesten dan soms ook hardop lachen. Ook is voor mijn gevoel alles in werking gesteld om Jan te vinden. De hulp en steun die we kregen, voelde als een warme deken. En we zijn dankbaar dat we Jan op een dag weer zullen zien. Het staat ook op zijn grafsteen: ‘Die in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven’.”

Dat vreugde en verdriet naast elkaar kunnen bestaan, merkte Rina ook toen ze met haar man Jelle naar Portugal ging, twee jaar geleden. “We maakten een wandelreis van Porto naar Santiago de Compostella en kwamen veel prachtige vissersmonumenten tegen. Onderweg bezochten we de familie van Americo, Jans collega. Bij zijn ouders thuis stond ook een portretje van onze zoon. Dat ontroerde mij. Deze ontmoeting deed ons, ondanks de verdrietige aanleiding, goed. En ze bleek achteraf louterend te zijn voor Americo’s moeder. Helaas moet deze familie verder zonder afscheid te kunnen nemen van hun man, vader én zoon. Net als het vissersvrouwtje kijken zij nog regelmatig over hun schouder."

Tekst: Lukas ten Napel
Beeld: Heina Dokter

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons