Michaëls ontmoeting met God was 'béng!'

'Voor mij was dit kennelijk nodig'

Christenen? Rare mensen, oordeelde Michaël Boon (33) jaren geleden. Maar de sportfanaat werd smoorverliefd op een meisje dat naar de kerk ging én hem vroeg mee te gaan. “Als jij God oprecht zoekt en Hem níét vindt,” daagde haar vader hem uit, “gooi ik mijn bijbel in het vuur.”

Michaël bukt zich en legt een stapel houtblokken op het vuur in de inbouwhaard. Het is een koude winterdag in Alblasserdam, maar in huize Boon is het weldadig warm.

“Op zo’n dag als vandaag,” zegt Michaël met de blik naar buiten, “denk ik direct: was ik nu maar aan het skiën of snowboarden in de bergen. Eerst stevig ontbijten en dan non-stop doorgaan tot de allerlaatste lift.”

Op de judomat

Als 5-jarig jochie stond Michaël al enthousiast op de judomat, en vanaf zijn 13e bekwaamde hij zich fanatiek in allerlei vechtsporten: van kickboksen en wing-chun tot krav maga (waar hij later zelf ook les in gaf).

Als je een dag niet bent gevallen, heb je het een dag niet echt geprobeerd

Wat trok je zo aan in die vechtsporten?
“Ik vind het heerlijk om me uit te leven, m’n energie kwijt te raken. Na de middelbare school volgde ik een sportopleiding in Rotterdam, met skiën en snowboarden als keuzevakken. Daar geef ik nu les. Vaak hoor ik mensen zeggen: ‘Ik ben er heel goed in, dus het zal mij niet gebeuren dat ik val.’ Alsof je dan ‘afgaat’. Mijn motto? Als je een dag niet bent gevallen, heb je het een dag niet echt geprobeerd.

Bij sporten ga ik altijd graag tot het randje. Neem wintersport: hoe scherp kun je een bocht nemen? Pas als je een keer té scherp gaat en valt, weet je waar de grens ligt.”

Zocht je in vechtsporten ook graag je grenzen op?
“Nou, mijn leraar wing-chun kwam een keer langs toen ik zelf lesgaf in krav maga. Hij was net terug van een trainingskamp, ergens in het Verre Oosten. ‘Hé Michaël,’ zei hij, ‘zullen we sparren?’ (oefenen met een tegenstander, red.) Die uitdaging ging ik graag aan. Sparren met je docent, met een hele groep leerlingen eromheen: geweldig! Dat eindigde overigens wel met een gebroken neus…”

Jouw neus of de zijne?
Lachend: “De mijne, dus dat was wat minder. Al had ik hem trouwens ook wel goed geraakt, op zijn benen.”

Iets laten vallen

“Toen ik later voor de tweede keer mijn neus brak,” vertelt Michaël, “kreeg ik te horen: ‘Als je er nóg een keer een tik op krijgt, moet je echt worden geopereerd.’ Dat was het mij niet waard, dus ben ik ermee gestopt.”

Vechtsporten hadden je hart; viel dat besluit je zwaar?
“Absoluut. Maar ik leidde ook wel een érg druk bestaan. Ik deed een sportopleiding, volgde vechtsportlessen, gaf ’s avonds en in het weekend les in krav maga, skiën en snowboarden én ik werkte op zaterdagochtend in de supermarkt. Mijn hele week zat dus ramvol. Omdat ik geen zin had in een neusoperatie en veel te druk was, leek het me ook wel verstandig iets te laten vallen.”

Superleuke meid

“Eind 2007,” vervolgt hij, “was ik op weg naar school en zag ik Esther in de bus. We woonden allebei in Alblasserdam, maar kenden elkaar niet. Ik vond het een superleuke meid. Later die dag heb ik, via Hyves geloof ik, contact met haar gezocht om een afspraakje te maken. Inmiddels zijn we al tien jaar onwijs gelukkig getrouwd.”

Kwam je er al snel achter dat Esther naar de kerk ging?
“Dat heeft ze me vrij snel verteld. In Alblasserdam hoort misschien vijftig procent van de mensen bij een kerk, de andere helft niet. Ik groeide op in een gezin waar het geloof totaal geen issue was, al zat ik wel op een christelijke basisschool. Wij gingen nooit naar de kerk.”

Had je wel christelijke vriendjes?
“Nee. Mijn beste vriend was een Turkse jongen. Sterker nog… Tijdens mijn sportopleiding ging ik een keer met een groepje medestudenten op wintersport naar Frankrijk, om een certificaat te halen. Eén meisje gaf aan dat ze op zondag niet ging skiën, omdat ze christen was. Ze kwam uit voor haar geloof, ondanks het feit dat een of andere flapdrol iets zei als: ‘Wat een áchterlijk gedoe, zeg!’”

Die flapdrol was jij?
“Inderdaad.”

‘Rare mensen’

In een interview uit 2015 met het IZB-blad Tijding gaf Michaël aan dat hij, terugblikkend op de ervaringen in zijn jeugd, het christelijk geloof vooral met ‘rare mensen’ associeerde.

Dit citaat is wat dat betreft veelzeggend: “In ieder geval associeerde ik het niet met mensen op wie je jaloers kon zijn; mensen die lachend naar de kerk gaan, laat staan er lachend uitkomen. Later heb ik me er weleens over verbaasd: waren dat nu de mensen die een kostbare schat hebben gevonden?”

Uit mezelf zou ik die stap nóóit hebben gezet

Toch zei je ja toen Esther je vroeg mee te gaan naar haar hervormde gemeente, de Grote Kerk in Alblasserdam?
“Ik dacht: ach, waarom niet? Leuke meid, prima om een keertje mee te gaan. Maar uit mezelf zou ik die stap nóóit hebben gezet.”

‘Wil je een biertje?’

Destijds liep Michaël stage bij de Nederlandse Skivereniging in Den Haag. “Op de zaterdagavond voordat ik met Esther meeging naar de kerk, kwam ik terug van het NK snowboarden in Zwitserland. Als stagiair had ik dat mede helpen organiseren: superleuk.”

Die zondagochtend parkeerde de 19-jarige Michaël zijn auto – met zwaar dreunende geluidsboxen – voor Esthers huis.

Het contrast tussen het NK snowboarden in Zwitserland en de eerste kerkdienst die hij bijwoonde (in een traditionele Gereformeerde Bondsgemeente), was levensgroot. Michaël zat zijn tijd uit in de harde kerkbanken. “Het gebouw zelf vond ik wel mooi,” herinnert hij zich. “Tijdens de preek nam ik zelfs foto’s van het interieur met mijn mobieltje-met-flitser...” De dienst zelf was totaal niet aan hem besteed.

Toch ging je daarna vaker mee?

“Ja, omdat ik Esther zo leuk vond. Plus: haar ouders bleken heel gewone mensen. Ik was bijvoorbeeld oprecht verrast toen haar vader – op een zondagavond, na de dienst – vroeg: ‘Wil je een biertje?’ Met Esther en haar ouders sprak ik best vaak over het geloof, dat voor mij iets volkomen vreemds bleef. Want de grote vraag waar ik mee zat, was allereerst: is er überhaupt wel een God? Mede door al die gesprekken begon ik op den duur met meer interesse naar de preken te luisteren.”

Tijdens de preek nam ik zelfs foto’s van het interieur met mijn mobieltje-met-flitser

Een uitdaging

Al vroeg in hun verkeringstijd ging Michaël een weekje mee naar Ouddorp met Esther en haar ouders. Op een avond, toen het geloof weer eens ter sprake kwam, zei haar vader tegen hem: “Als jij God oprecht zoekt en Hem níét vindt, gooi ik mijn bijbel in het vuur.”

Michaël: “Er was daar een houtkachel, en dit klonk als een uitdaging. Als dat Boek kennelijk zó belangrijk voor hem was, en hij dit durfde te zeggen… Zijn woorden lieten me niet meer los. Ik weet nog goed dat ik de volgende ochtend voor het eerst zélf heb gebeden, daar in Ouddorp.”

Weet je nog wat je vroeg?
“Ik vroeg om een teken, een bewijs dat Hij echt bestaat.”

Tot die ene dag

De maanden verstreken, maar Michaël – die zelfs ijverig de Bijbel was gaan bestuderen – had niet de indruk dat God hem een teken gaf. Tot die ene dag in 2009.

“Mijn ouders hadden net een nieuw huis gekocht, waar ik had geklust. Ik reed weg en toen is God… over me heen gekomen, in mij gekomen. Opeens was het voor mij – béng! – helemaal duidelijk: Hij is er.” Michaël valt even stil. “Die ervaring valt niet onder woorden te brengen. Dat het op die manier met mij heeft moeten gebeuren, zegt waarschijnlijk alles over hoe hardnekkig ik was. Ik ben echt jaloers op mensen die er van jongs af aan mee zijn opgegroeid, zoals Esther en nu onze kinderen. Voor mij was dit blijkbaar nodig.”

Voor mij was dit blijkbaar nodig

Kun je het gevoel omschrijven dat je toen had, in die auto?
“Diepe vreugde. En tegelijk wist ik: ik kan écht niet voor zo’n God bestaan, want Hij is heilig en ik bepaald niet. Ik besefte haarscherp dat er dingen moesten veranderen in mijn leven. Dat was wennen, voor mezelf, maar ook voor mijn familie.”

Zie je dit moment achteraf als jouw bekering?
“Ja, al wil ik daar geen nadruk op leggen. Voor mij was dit kennelijk nodig. Maar ik geloof dat God meestal geleidelijk Zijn weg met mensen gaat, en door de geslachten heen werkt, van kind op kind. Dus ik ben heel dankbaar dat onze jongens – Jirre, Ezra en Lev – opgroeien met het besef dat er een God is: de God van de Bijbel.”

Snel gedoopt

Michaël zat destijds – net als Esther – al wel op belijdeniscatechisatie. Maar als enige van hun groep niet omdat hij geloofsbelijdenis wilde doen. “Ik zat nog steeds vol vragen, over God, de Bijbel, het geloof,” legt hij uit. “Met onze toenmalige pastoraal werker, ds. Ten Brinke, kon ik daar goed over praten; dat vond ik geweldig. Na die ervaring in de auto vertelde ik hem dat ik het liefst zo snel mogelijk gedoopt wilde worden. In goed overleg heb ik besloten toch tegelijk met de anderen belijdenis te doen, en dat ik direct daarna gedoopt zou worden. Dat gebeurde op Palmpasen. Voor Esther zelf was het geloof tijdens mijn zoektocht trouwens ook veel meer gaan leven; voor ons allebei was dit dus een heel bijzondere dag. Toen ik gedoopt werd, hield ik bewust een bijbel in mijn handen: ik was er nu van overtuigd dat mijn schoonvader gelijk had: wie God oprecht zoekt, vindt Hem inderdaad.”

Was jouw eigen gezin daarbij aanwezig?
“Ja, mijn ouders, mijn broer en mijn zus. En heel wat anderen. Maar er kwamen ook veel vrienden niet. In mijn eigen gezin merkten ze wel dat het geloof belangrijk voor me was, al moesten ze natuurlijk wel wennen aan ‘de nieuwe Michaël’. Zeker in het begin heb ik er misschien ook wat ál te enthousiast over gesproken en ze ‘gebombardeerd met het geloof’. Maar we kunnen er thuis gelukkig nog steeds op een heel natuurlijke manier over praten.”

Mooie leaseauto

Michaël en Esther trouwden in 2011 en kregen drie zoons (nu 9, bijna 7 en 2 jaar oud). Ze leven nog steeds mee met de Grote Kerk, waarin Michaël vier jaar lang als evangelisatieouderling actief was.

Gezien jouw grote liefde voor de sport, zou je denken dat je daarin ook wel zou gaan werken na je opleiding.
Michaël knikt. “Dat het anders liep, heeft ermee te maken dat ik heel veel dingen leuk en interessant vind. Tijdens mijn sportopleiding kwam ik in aanraking met marketing. Dat vond ik zo boeiend, dat ik aansluitend een hbo-studie sales en marketing heb gedaan. Ik kreeg een mooie baan bij het familiebedrijf Pon, en zou na een aantal jaren marketingdirecteur Nederland worden van het bedrijfsonderdeel Pon Power. Alle seinen stonden op groen. Maar toen zag ik, in de nieuwsbrief van de missionaire organisatie IZB, een vacature langskomen die me niet losliet. Ze zochten een coördinator relatiebeheer en fondsenwerving. Ik kreeg steeds meer het idee dat God wilde dat ik zou solliciteren.”

Zolang God er is, is er hoop voor de kerk

Als marketingdirecteur had je bij Pon ongetwijfeld véél meer kunnen gaan verdienen.
“Klopt. Maar op zo’n moment merk je ook wel weer dat God je de vrouw geeft die je nodig hebt. Na mijn tweede sollicitatiegesprek bij de IZB reed ik naar huis, in de mooie leaseauto die ik toen had. Ik was de straat nog niet uit, of de IZB belde me: wat hen betreft, was het beslist een match. Thuis sprak ik er met Esther over. Allebei hadden we het idee dat ik inderdaad echt wel iets moest opgeven als ik mijn huidige baan zou opzeggen. Maar opeens zei ze: ‘Moet je nou horen hoe wij hier zitten te praten! Als we ook maar énigszins het idee hebben dat dit goed is, moet je dit toch doen, ongeacht de consequenties?’ Ik dacht: je hebt gelijk… Zo is het gegaan. Spijt? Geen dag.”

Podcast Eerst Dit

In zijn vrije tijd sport Michaël nog steeds graag. Naast skiën en snowboarden vindt hij onder meer zaalvoetbal, tennis, en hardlopen leuk. “Tijdens het hardlopen luister ik vaak naar de podcast Eerst Dit. Het leuke is dat we die als IZB samen met de EO hebben ontwikkeld, en dat ik daar vanaf het begin nauw bij betrokken ben.”

Je bent onlangs adjunct-directeur van de IZB geworden. Wat drijft je in je werk?
“Samen met prachtige collega’s, van wie ik nog steeds veel leer, willen we kerken en individuele christenen helpen om anderen bij Jezus te brengen. Dat ervaar ik nog steeds als een groot voorrecht. We kennen allemaal de cijfers over de kerk in ons land. Maar ik hoor elke dag ook verhalen van hoop, van mannen en vrouwen die – net als ikzelf – door God worden aangeraakt. Ook mensen van wie je het nooit had verwacht.”

We moeten ons dus niet blindstaren op cijfers en statistieken?
“Precies. Zolang God er is, is er hoop voor de kerk. En als wij ons afhankelijk weten van en enthousiast zijn over God, over Jezus en over het evangelie, dan kán het niet anders dan dat we daar iets van uitstralen in onze omgeving.”

Andere ogen

“Enthousiasme werkt aanstekelijk,” benadrukt Michaël. “Altijd. Ik sprak een tijdje terug een christelijke ondernemer, die – in een grote kas – zo enthousiast over plantjes sprak, dat ik er zelf ook met heel andere ogen naar ging kijken. Ik denk dat wij als kerkmensen zo ook met veel meer bevlogenheid over het geloof zouden mogen praten. Daar schiet ikzelf ook vaak in tekort, hoor, al is het wel mijn verlangen.”

Na een korte stilte, waarin alleen het knapperende haardvuur achter hem te horen is: “Soms denk ik: zitten we, als we heel eerlijk zijn, met z’n allen niet maar al te vaak puur voor onszélf in de kerk, voor ‘ons eigen heil’…? Wat zou het mooi zijn als het in onze kerkgang eens wat minder om onszelf zou draaien, en meer om de anderen en vooral: hoe we hen bij Jezus kunnen brengen.”

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons