Carianne Ros: ‘God is niet saai, never nooit niet!’

Wat kreeg Carianne van huis uit mee over God en het geloof en waar staat zij nu?

Of God bestaat, is nooit een vraag geweest voor christencoach en trainer Carianne Ros. Als jong kind was ze al heel gelovig en dat is ze altijd gebleven. Opmerkelijk, want haar moeder was paranormaal begaafd en hield zich jarenlang bezig met occulte zaken. “God heeft mij eruit gepikt, zo voelt het. En dat zie ik als pure genade.”

Een grote rol speelde het geloof niet in het gezin waarin Carianne (1978) opgroeide. Haar vader was hervormd, haar moeder had geen gelovige achtergrond. Zij was eerder actief geweest in newagekringen en had paranormale gaven. Haar moeder had nog voor haar huwelijk belijdenis in de Nederlands Gereformeerde Kerk gedaan, maar omwille van de eenheid in het gezin ging ze mee naar de Hervormde Kerk. Er werd aan tafel gebeden en bij vlagen ging de Bijbel open.

Zelf ging Carianne graag naar de Hervormde Kerk in het Noord-Hollandse Aerdenhout. Ze voelde zich er thuis, en vooral in de kindernevendienst wist ze zich gezien en gehoord. “Ik was echt een vraagstelkind en er was één juf aan wie ik al mijn vragen mocht stellen.”

Ik kan je niet één preek navertellen

Nul praktisch

Dat positieve gevoel veranderde toen Carianne als 12-jarige niet meer naar de kindernevendienst ging en de hele dienst in de kerk moest blijven. “Toen was ik het vrij snel zat. Over het orgel en de liederen was ik sowieso niet heel enthousiast, hoewel ik achteraf blij ben dat ik die liederen ken en herken. De preek ging compleet over mijn hoofd heen, ik kon er niets mee. Ik vond het nul praktisch. De preken waren ongetwijfeld exegetisch goed, maar ik kan je er niet één navertellen.

En echt een persoonlijke relatie met Jezus? Daar hadden we het thuis niet over; het geloof deed je er gewoon bij.”

Huilend voor de spiegel

Desondanks was Carianne een heel gelovig kind, zegt ze. “Ik was me erg bewust van het bestaan van God en sprak altijd met Hem. Daar had ik het niet met anderen over, maar voor mij was het heel normaal. Zeker toen ik op de basisschool gepest werd, praatte ik veel met Hem. Ik stond dan voor de spiegel huilend van het verdriet dat het pesten me deed, en tegelijk altijd afgestemd op God. En ergens stoorde dat pesten mij ook niet. Ja, het maakte me eenzaam. Maar niet klein. Omdat ik ervoer dat God bij me was.”

Hoe keek je als kind naar God?
“Ik zag Hem vooral als Vader en Vriend. Dichtbij. Al besefte ik wel degelijk dat God heilig is. Ik herinner me dat ik als tiener aan een dominee vroeg: ‘Die vreze des Heren, wat is dat? Moet ik bang zijn voor God?’ ‘Nee,’ antwoordde hij, ‘het is een heilige vrees dat je weet dat Hij rechtvaardig is en heilig, groot en almachtig. Maar je hoeft niet bang te zijn voor God. Hij is dichtbij.’”

Overgeslagen

Samen met haar moeder ging Carianne rond haar 12e op zoek naar een andere kerk. Ze belandden in een pinkstergemeente. “Daar hadden ze goede activiteiten voor tieners, waar ik echt wat van heb opgestoken. Wat me trouwens ook is bijgebleven, is dat ik niet mee mocht doen met het avondmaal. Op een zondag ging de schaal met brood door de rijen, en net op het moment dat ik een stukje brood wilde nemen, werd hij doorgegeven aan de volgende. Dat vond ik zó erg. Ik wist toch wie Jezus was? Hij was voor mij gestorven! Op het podium hadden ze gezegd: als je gelooft dat Jezus jouw Heer is, mag je meedoen. Nou, Jezus was mijn álles! Dat ik zo overgeslagen werd, heeft me een enorme knauw gegeven.”

Hongerig en leergierig

In deze pinkstergemeente maakte Carianne diverse bevrijdingssessies mee, waar haar moeder ‘vrijgebeden’ werd van haar paranormale verleden en demonische verbindingen. “Ik vond dat heel indrukwekkend. Al voelde ik me in deze kerk toch ook niet helemaal thuis, en daarom kwamen we uiteindelijk terecht in de Kerk van de Nazarener. Daar heb ik een ontzettend goede jeugd gehad. Er was veel liefde en ruimte voor ons als persoon.”

Carianne was ook daar een leergierig kind. “Ik was heel hongerig en kon me soms mateloos ergeren aan tieners van mijn leeftijd die niet zaten op te letten.”

Biddend loslaten

Om die honger bidt ze voor haar zes kinderen. “Want ík kan het niet in hun hart leggen. ‘Zoals een hert verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar U,’ staat er in Psalm 42. Dat heb ik in mijn studententijd ook veel voor mezelf gebeden: ‘Heer, geef me dorst zoals dat hert.’ Ik had namelijk het lezen van de Bijbel niet echt van huis uit meegekregen, dus ik wist niet goed wat ik met dat Boek moest. Het interesseerde me ook niet zo, maar toch bad ik om dorst. Het heeft anderhalf jaar geduurd voor ik inderdaad die dorst naar de Bijbel kreeg.”

Heer, geef me dorst zoals dat hert

Carianne gelooft dat ze als moeder is bedoeld als wegwijzer. “De kinderen zullen zelf op zoek moeten gaan, maar ik kan het wel voorleven. En het vervolgens biddend loslaten, in het vertrouwen dat God niet loslaat wat Zijn hand is begonnen.

Ik ben verrukt als ze tegen me zeggen: ‘Ik heb zo’n buikpijn, wil je even voor me bidden?’ Of als ze zelf bedenken om geld weg te geven.”

Dankzij de spirituele zoektocht van haar moeder – en dan vooral in een poging los te komen van haar paranormale achtergrond – maakte Carianne al op jonge leeftijd kennis met studiecentrum l’Abri en het theologisch seminarie Tyndale. “Om de zoveel weken mochten we als gezin bij de pastor van het seminarie en zijn vrouw Bijbelstudie volgen. Zij waren een soort opa en oma voor mij en ik vond het fantastisch om van hen te leren. Die mensen waren heel open en ik kon al mijn vragen bij hen kwijt.

Overigens was het vooral mijn moeder die dit allemaal initieerde. Voor mijn vader hoorde het geloof er gewoon bij, en pas later zijn zij beiden tot levend geloof gekomen.”

De duivel op mijn nek

In haar tienertijd ontdekte Carianne dat ook zij een spirituele gevoeligheid heeft. Maar, zegt ze, God beschermde haar, zodat ze niet de verkeerde kant op gezogen werd. “Het paranormale heeft me dus nooit gepakt. En dat ervaar ik echt als genade. Ik ben niet specialer dan een ander, maar God heeft mij apart gezet. Al was ik natuurlijk geen heilige, hè? Ik had ook mijn zonden, mijn jaloezie. Ik heb zelfs eens onder druk van een vriendinnetje gestolen. Gelukkig werd dat snel ontdekt. Maar op geestelijk vlak werd ik echt beschermd. Al zit de duivel daar natuurlijk bovenop, dat heb ik net zo goed ervaren. Dat pesten bijvoorbeeld, was niet voor niets. Ik heb als jong kind hersenvliesontsteking gehad, ik ben uit een raam gevallen, nét niet in een vijver. Dus voor mijn 3e levensjaar was er al van alles gebeurd wat er – achteraf – voor mij op duidde dat ik eigenlijk niet mocht leven. En nog steeds gebeurt er van alles in mijn leven – in de kerstvakantie hadden we nog een bizar ongeluk waar we allemaal wonder boven wonder ongedeerd uitkwamen.

Het klinkt misschien gek, maar ik voel soms de duivel op mijn nek. Alsof er een soort klauwen op mijn rug drukken. Heel ondermijnend en naar beneden drukkend. Ik voel me er depressief onder, terwijl ik weet dat ik dat niet ben. Het enige wat dan helpt, is dat ik anderen, zoals mijn man David, vraag om voor mij te bidden.”

Regie uit handen

“Het brengt me trouwens niet snel van mijn stuk, hoor,” zegt ze even later. “Als ik maar dicht bij God blijf. Hij houdt mij vast. Ik hang echt biddend aan elkaar. Gebed vind ik zo belangrijk. Ik zou niet weten hoe ik het zonder moet doen. Daarbij doe ik mijn best om in overgave te leven.”

God saai? Never nooit niet!

Wat betekent die overgave concreet voor jou?
“Dat ik besef dat niets van mij is. Mijn leven niet, mijn gezondheid niet, mijn geld niet, mijn man en kinderen niet, dit huis niet, de auto niet… het is allemaal niet van mij. Ik kan morgen alles kwijt zijn. Maar ik heb een rótsvast vertrouwen dat God ook dan voor mij zorgt. Zelfs in de diepste ellende. Dat is ook het belangrijkste wat ik onze kinderen wil doorgeven: leven in overgave.” Met een glimlach: “En overigens niet alleen mijn kinderen, iedereen die het wil horen.

De kinderen zijn 15, 14, 12, 7, 3 en 1, en de oudsten wil ik dat graag duidelijk maken. Dan laat ik mijn tien vingers zien en vraag ik: ‘Als dit allemaal touwtjes zijn, hoeveel touwtjes denk je dat God dan wil hebben?’ We willen misschien wel een páár touwtjes uit handen geven, maar zijn geneigd toch zelf de regie te houden. Dan leg ik uit dat God echt graag honderd procent wil. Als je tien procent niet uit handen geeft, ben je juist dáár kwetsbaar.”

Je hebt veel kerken vanbinnen gezien in je leven. Van welke kerk zijn jullie nu lid?
“In Utrecht waren we lid van een fijne Baptistengemeente. Nu gaan we naar de Nederlands Gereformeerde Kerk; een prachtig liefdevolle gemeente. Voor mij is Handelingen 2 heel belangrijk: kerkmuren naar beneden, Jezus in het midden. Ik zit niet vast aan een bepaalde denominatie, het gaat mij om het Woord, en Jezus als de Weg, de Waarheid en het Leven.”

Saai en stom

Vooral de oudste kinderen vinden kerkdiensten zo nu en dan saai en stom. “Daar kan ik best inkomen. Maar toen ze eens zeiden ‘God is stom en saai’ riep ik: ‘Ho ho ho! Nu gaat er iets mis. God is niet saai! Never nooit niet! Dan maak ik ze wel duidelijk: een leven met Hem? Avontuurlijker kun je het niet hebben!”

Geschreven door:

Mirjam Hollebrandse

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons