Met Prediker de veertigdagentijd in

‘Verwar God en jouw geloof niet met elkaar’

De veertig dagen voor Pasen staan vanouds in het teken van soberheid en bezinnen. Bijbelschrijver Prediker lijkt de uitgelezen figuur om die bezinningstijd mee in te gaan. Al stelt hij wel érg lastige vragen.

Zwijgend staar ik naar de letters op de grafsteen. ‘P.J. Rodenburg’. Mijn initialen. De letters die ik deel met mijn voorgeslacht; met mijn vader en mijn grootvader, die hier ligt begraven. Het is niet de eerste keer dat ik het zie, maar iedere keer werkt het bevreemdend. Alsof ik naar mijn eigen graf kijk. En, weet ik, ooit zullen deze letters op mijn graf staan. Naast me staat Prediker. Onwillekeurig kijk ik naar zijn voorhoofd. Het is getooid met een klein kruisje van as. Ik glimlach bij het zien van het symbool en terwijl ik mijn wenkbrauwen optrek, voel ik de as ook op mijn eigen voorhoofd zitten.

Askruisje

“Bedenk dat u van stof bent, en tot stof zult wederkeren,” zei de priester, toen hij onze voorhoofden tekende met as. Woorden die Prediker op het lijf geschreven zijn; sterker nog, woorden die hij bijna letterlijk in zijn boek gebruikt. Misschien dat ik hem daarom uitnodigde voor dit moment: het halen van een askruisje. Het voelde passend om dat samen met Prediker te doen. Als iemand mij in de afgelopen jaren heeft geconfronteerd met mijn sterfelijkheid, is hij het. Dus liepen we samen naar de katholieke kerk bij mij in de buurt en lieten we ons voorhoofd tekenen. In een opwelling nam ik hem daarna mee naar de begraafplaats waar mijn voorgeslacht ligt. Daar staan we nu te zwijgen, in de rust van deze plek.

Er kan veel kapotgaan als je stilstaat

De dag past bij het ritueel. Het is een grijze, kille dag, en na een tijdje stilstaan begin ik het koud te krijgen. Prediker ook, zie ik, dus stel ik voor een stukje te wandelen over de begraafplaats. Samen lopen we over de prachtig onderhouden paden, onder oude bomen. Groepen sneeuwklokjes vormen witte vlekken op het gras. Ik scan de teksten op de stenen. ‘Ik ben de opstanding en het leven’, zie ik, en: ‘Je leeft voort in onze gedachten’.

Melancholische aard

Prediker doorbreekt het zwijgen. “Waarom zijn we hier?” vraagt hij me. Ik heb er niet direct een antwoord op. Stamelend en zoekend naar woorden vertel ik Prediker waarom ik al een aantal jaren een askruisje haal. Dat het me laat stilstaan bij de eindigheid van het leven; dat het een start is van een tijd van bezinning en verstilling: de veertigdagentijd. “Misschien ligt het wel aan mijn melancholische aard,” grap ik, “maar zo’n jaarlijks moment plaatst mijn leven weer even in perspectief.” Terwijl ik hem aankijk, zeg ik: “U hebt me dat als geen ander geleerd. Zoals een dier sterft, zo sterft ook een mens. Uw woorden.” Ik haal even diep adem. Het valt me op dat de begraafplaats naar leven ruikt; naar bomen, aarde, gras. Ik zie om me heen de eerste voorjaarsbloemen voorzichtig opengaan, het bijna felle groen van de jonge blaadjes aan de bomen. Vogels fluiten vrolijk. Als ik Prediker erop wijs, knikt hij glimlachend: “Alleen dat al is genoeg om veertig dagen op te kauwen.” Nu glimlach ik. “Dat zou wellicht helemaal niet verkeerd zijn.”

Kauwen en worstelen

Misschien was dat voor mij ook een reden om Prediker uit te nodigen, peins ik. Het begin van de veertigdagentijd. Een tijd om stil te worden, te reflecteren. Een periode om te kauwen op het leven en te worstelen met God. Prediker helpt me daarbij, keer op keer. Want, bedenk ik terwijl we samen over het grind lopen, van kauwen en van worstelen komt het in het dagelijks leven maar weinig. Ik mijd de taaie stukjes leven waar ik op moet kauwen, leef mijn leven veel te snel om erbij stil te staan. En van worstelen met God komt het helemaal weinig, mijmer ik. Daarvoor ga ik Hem veel te vaak uit de weg. God is verbannen naar de veilige plekjes: het gebed voor het eten, de zondagse dienst.

Er zijn heel wat godenbeelden gesneuveld

Prediker lijkt mijn gedachten te raden als hij vraagt: “Hoe ga je deze veertig dagen vormgeven?” Ik antwoord: “Dat weet ik niet, Prediker,” en deel vervolgens mijn gedachten. Prediker luistert aandachtig. Het is een van de prachtige eigenschappen van Prediker: als hij luistert, heeft hij voor niets en niemand anders aandacht. Ik vertel hem over mijn moeite met kauwen en worstelen. Mijn haast om te leven, mijn gebrek aan stilstand. Aan stilte. Dan vraagt hij: “Waar ben je bang voor?” De vraag verwart me. Bang? Ik heb het gewoon te druk. Maar dat zeg ik niet; ik zwijg en besluit over zijn vraag na te denken.

Sneeuwklokjes

Het duurt een paar minuten voordat ik antwoord geef. We hebben de begraafplaats ondertussen rondgelopen en wandelen richting de uitgang. Op het geknerp van het grind, het tjilpen van een koolmees en het fluiten van een merel na is het stil, tot ik zachtjes zeg: “Ik ben bang dat er niets overblijft als ik stilsta. Dat er onder de laag van drukte, werk en gezin niets blijft zitten.” Ik stop even. Naast me stopt Prediker ook en kijkt me aan. Dan vervolg ik: “Ik ben bang dat ik het leven kapot kauw. En dat mijn geloof eraan gaat als ik eerlijk met God worstel. Wat blijft er van Hem over als ik de confrontatie aanga? Gewoon doorleven is veel makkelijker.”

Verwar God en jouw geloof niet met elkaar

“Dank je wel voor je eerlijkheid,” antwoordt Prediker. “Oprechtheid is een kostbaar cadeau.” Hij hurkt neer bij een veld sneeuwklokjes en kijkt aandachtig naar de tere bloemknopjes. Als hij naar me opkijkt, staan zijn ogen ernstig. “Je hebt gelijk. Er kan veel kapotgaan als je stilstaat. Veel van wat je doet – misschien wel van wie je denkt dat je bent – zal hol blijken te zijn. Zinloos. Lucht en leegte.” Ik knik. Prediker vervolgt: “Bij mij zette het alles op zijn kop. Toen ik eerlijk in de spiegel keek, bleek vrijwel mijn hele leven te bestaan uit holle drukte. Ik had het druk met van alles en nog wat, en de tijd vloog, maar vrijwel niets van wat ik deed had echte inhoud.”

Godenbeelden

Ik durf het bijna niet te vragen, maar zeg toch zachtjes: “En God? Bleef er iets van uw geloof over?”

Prediker staat op en kijkt me recht aan. “Verwar die twee niet met elkaar. God blijft, ook als jouw geloof verdwijnt. Maar inderdaad: ook mijn geloof schudde op zijn grondvesten. God bleek niet degene te zijn die ik dacht dat Hij was. Er bleek onrecht te zijn. En pijn. Goede mensen bleken te lijden en slechte mensen te profiteren. En Hij greep niet in.” Hij wijst om zich heen naar de graven: “Mijn zoektocht leerde me dat ik veel kleiner, kwetsbaarder, tijdelijker en onbetekenender was dan ik mezelf voorhield.” Hij zwijgt even. “En dat God veel groter, robuuster, eeuwiger en onbegrijpelijker was dan ik dacht. Er zijn heel wat godenbeelden gesneuveld. Maar Hij is gebleven.”

Dan zwijgt hij. Ik zwijg mee. Daar zijn we goed in: samen stil zijn. Predikers woorden echoën in me na. Wil ik dat? Wil ik stil worden en ontdekken dat mijn drukte misschien wel leeg is? En, enger nog: wil ik in alle eerlijkheid kijken naar mijn godsbeelden? Ik kijk om me heen naar de graven. Wat mag er dood? En wat blijft er over?

Die vraag stel ik aan Prediker. Wat blijft er over? Wat is er nog als je zelf kleiner en sterfelijker blijkt te zijn dan je dacht, en als je beeld van God aan diggelen ligt? Prediker ademt diep in, opent zijn armen en antwoordt in één woord.

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons