Jaap Kooij: ‘Niet gestold in dogma’s en regels’

Wat kreeg Jaap Kooij van huis uit mee over God en het geloof en waar staat hij nu?

Spannend vindt hij het: praten over zijn geloofsopvoeding en -ontwikkeling. Jaap Kooij, adjunct-directeur van de EO, houdt alles wat hij erover deelt daarom dicht bij zichzelf. “Ik wil het gezin en de kerk waarin ik ben opgegroeid eren. Tegelijk heb ik op het gebied van geloof en kerk andere keuzes gemaakt.”

En er zit pijn. “Mijn moeder heeft in mijn tienerjaren veel met psychiatrie en opnames in psychiatrische ziekenhuizen te maken gehad. Vijf jaar geleden zijn mijn ouders – beiden nog in leven – gescheiden van tafel en bed.”

Levendig geloof

Jaap werd in 1965 geboren in Den Haag, maar hij verhuisde op zijn zevende naar Moerkapelle. Daar leefde het gezin Kooij kerkelijk mee met de gereformeerde gemeente. “Een mooie gemeenschap. Ds. D. Rietdijk, heel uitnodigend en warm, heeft veel voor mij betekend. Hij bracht het evangelie van Jezus echt onverbloemd. Ook enkele vrienden uit de kerk waren bepalend voor mijn geestelijke ontwikkeling.”

Jaap Kooij als kleine jongen

Hier kwam Jaap tot geloof en ging hij voor het eerst aan het avondmaal. Voor zijn ouders een schok. “Zij waren wat conservatiever dan de kerkelijke gemeente en gingen zelf niet aan.” De familie om het gezin heen sprak op een bevindelijke manier over God en geloof. “Ik bewaar bijvoorbeeld bijzondere herinneringen aan mijn oom en tante in Apeldoorn. Daar ging ik in een bepaalde periode elke schoolvakantie naartoe. Superlieve mensen! En ook van andere ooms en tantes hoorde ik ervaringsverhalen die het geloof voor mij levendig maakten – niet gestold in dogma’s en regels.”

‘Het lag allemaal vast’

Want die waren er ook. “Ik heb me in mijn leven geleidelijk ontdaan van het moralistische kader waarin ik ben opgegroeid. Kerkgang, kleding, de zondagsbesteding, hoe je omgaat met geld – het lag allemaal vast. De Bijbel was er duidelijk over.”

Ik kan me voorstellen dat je jeugd een achtbaan aan emoties is geweest.
“Een achtbaan, ja. Waarbij het voor mij meer ging om het hoofd dan het hart. Bidden, Bijbellezen, het hoorde erbij.”

Ik deed m’n plicht

‘Voor mij’, zeg je. Je houdt het dicht bij jezelf.
“Omdat ik loyaal ben naar waar ik vandaan kom. Tegelijk is mijn ervaring niet altijd positief geweest. Als je zelf van ervaringsverhalen van gelovigen houdt en dat in het thuisgezin niet meekrijgt…”

Welke vragen riep dat bij je op als jongen van 15, 16 jaar?
“Het geloof van mijn ooms en tantes was aantrekkelijk, maar onbereikbaar. Zij hadden het, ik niet. Ik volg nu veel cursussen op het gebied van systemisch werken en daar zie je goed dat je kinderjaren en je jeugd invloed hebben op je huidige relaties en werk. Ik overleefde door mijn gevoel weg te houden, door mijn verantwoordelijkheid te nemen, door goed te scannen: wat kan ik in deze situatie zeggen en wat niet? Zo ‘grijze muis mogelijk’ door het leven gaan was mijn overlevingsmechanisme, zowel thuis als op school. En daar redde ik het goed mee. Ik koos accountancy als vak, net als mijn vader. Daar kon ik goed mijn hoofd in kwijt.”

Benaderde je God ook als grijze muis?
Nadenkend: “Ja... Dat geeft geen positief beeld, maar is wel de werkelijkheid. Ik deed m’n plicht op de manier waarop ik het had geleerd. Ik kende God niet als de Genadige, maar als de God die een moralistisch kader in stand hield.

Heel geleidelijk groeide – onder ds. Rietdijk – het besef dat ik bij God hoorde en dat ik dat mocht benoemen. Een relatie met Hem werd ineens een haalbare kaart.

Kerkgang, kleding, de zondagsbesteding – het lag allemaal vast

Hoe sijpelde dat besef bij je binnen?
“Het verlangen om bij God te horen zat er als kind al in. En dat groeide geleidelijk door.” Na een stilte: “En ik heb veel gelezen. De orde des heils van ds. C.G. Vreugdenhil bijvoorbeeld.”

Dus weer kaders?
“Ja, kaderloos had het niet gekund. Wel via kaders die opener waren dan die van thuis.” Lachend: “Toen de hervormde kerk in Moerkapelle werd verbouwd, mocht de gemeente diensten beleggen in onze kerk. In die tijd ging ik ook naar hun diensten. Ik stond mezelf dat toe, zal ik maar zeggen.”

‘Deels aan onszelf te wijten’

Niet veel later liet Jaap de accountancy achter zich om na een sabbatical – een jaar waarin hij voor de stichting In de Rechte Straat aan de slag ging – als zelfstandige verder te gaan om bedrijven rond bijzondere vraagstukken te coachen. Zo kwam hij na een paar jaar, we schrijven 2006, bij de EO terecht. Inmiddels hadden Jaap en zijn vrouw Lia met hun vijf kinderen de overstap gemaakt naar de hervormde Gereformeerde Bondsgemeente in hun woonplaats. “Ons vertrek uit de gereformeerde gemeente vind ik deels aan onszelf te wijten en deels aan de ontwikkelingen in het landelijke kerkverband. Steeds vaker stond wat ik hoorde in de kerk haaks op wat wij onze kinderen wilden meegeven over God.”

Jaap wilde zijn kinderen een God laten zien die er altijd bij is. Welke keuzes je ook maakt. “Zijn naam is Ik ben, het is Zijn diepste verlangen om in en bij je te zijn. Hij gaat met je op weg door het leven, door alle pijn, moeite, verdriet én in vreugde en blijdschap. Of je wilt of niet.”

Ervaar je die aanwezigheid?
“Niet altijd, maar het is wel een diep geloof, een diep weten in mij. Ik twijfel over allerlei dingen, maar nooit daarover. God ís erbij. Ook bij dit gesprek. Soms voelbaar, zichtbaar – en anders in die vaste overtuiging. En dat brengt hoofd en hart in mij samen.”

Emotioneert dat je?
“Dat kan, ja. Bijvoorbeeld als dat besef door een lied of ontmoeting sterk naar boven komt. Of het raakt me in de stilte. Ik houd erg van de stilte. Ik loop graag en vind het heerlijk om in de stilte God te ervaren. Elk woord om te beschrijven wat er dan gebeurt, doet eigenlijk afbreuk aan die heiligheid. Het is een diepe rust. Vrede. Liefde. Een heilige plaats voor mij om te zijn, met al mijn kunnen en falen. Ik mag er Jaap zijn. Aanvaard in wie ik ben. Daar ging een hele weg aan vooraf.

Veel mensen om mij heen doorlopen een vergelijkbaar pad. Uiteindelijk gaat iedereen toch op zoek naar zijn identiteit. Mag ik er zijn? En wat als ze me écht zouden kennen? God zegt: ‘Ja, dat mag. Ik heb je onvoorwaardelijk lief.’” Jaaps ogen stralen: “Daar kan ik niet over uit! En het krijgt steeds weer nieuwe woorden, nieuwe taal.”

Grote vragen

“Afgelopen week las ik een boek van dominee Ad van Nieuwpoort: Leven zonder oplossing. Daarin schildert hij het leven van Job naast ons leven van alledag. Fantastisch hoe hij beschrijft dat het lijden door God gezien en meegedragen wordt. Dat raakt aan heel grote vragen, zonder bij een oplossing te komen.”

Ben je moe van alle oplossingen?
“Moe van alle goedkope oplossingen. Van de verklaringen en daarin het oordeel over anderen die niet in jouw verklaring geloven. God spreekt en werkt op zo veel manieren, door alle tijden en plaatsen heen. Het past meer bij mij om te geloven zónder de oplossingen, omdat God daarmee voor mij veel groter wordt, en meer alomtegenwoordig.

Ik mag er Jaap zijn, aanvaard in wie ik ben

Ik vind de figuur van Mozes daarom ook zo aansprekend. Hij mag iets zien van God bij de brandende braambos en later op de Sinaï. Hij komt niet met een strak omschreven godsbeeld terug, maar zijn gelaat glinstert ervan. Hij is zo vol van God, dat anderen het aan hem zien – prachtig!”

Waar kijk je naar uit?
“Ik verlang naar heelheid. De wereldpolitiek lijkt vol van dreiging en machtsvertoon; ik verlang naar een nieuw rijk van vrede, waar alles volmaakt is. Dat verlangen heeft ook weer alles met de stilte van doen.”

Als je zo van stilte houdt, kun je het dan nog wel vinden in een kerk?
“Dat vind ik moeilijk. Nu de kinderen uit huis zijn, is het voor mij aantrekkelijker geworden om samen thuis God te zoeken. En ik heb een groot netwerk waar ik het geloofsgesprek mee kan voeren. Richting mensen die dat niet hebben, voel ik me weleens schuldig. Toch kan ik het moeilijk opbrengen om me – na een verhuizing naar een andere woonplaats een paar jaar geleden – opnieuw te geven aan een geloofsgemeenschap.”

Je aarzelt regelmatig bij wat je zegt.
“Dat doe ik als het gaat over situaties die anderen raken. Dan kies ik mijn woorden zorgvuldig. En helemaal als het over God gaat, omdat het voor mij veel meer zit in het ‘God met ons’ en in het mysterie, dan in taal.”

Schrijver Stephan Sanders zei onlangs in ‘Visie’: ‘Laten we stotterend over het geloof praten.’
“Práchtig! Dat zou zo een uitspraak van mij kunnen zijn. Ik ben graag bescheiden in mijn woorden over God, en tegelijk vol van Hem als het gaat over de liefde, de vrede en de heelheid die in Hem is.”

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons