'Wie heeft al die engelen besteld?'

Over gastvrijheid en vreemdelingen in het kerstverhaal: de engelen

Gastvrijheid. Een woord dat besmet is geraakt in onze samenleving. Als we een vreemdeling ontmoeten, kan onze fantasie met ons aan de haal gaan. We krijgen allerlei nachtmerries. Maar de verhalen van engelen openen een ander scenario.

Wanneer belde er voor het laatst iemand in nood bij u aan en hebt u diegene binnengelaten en een slaapplek aangeboden? Het kan prima zijn dat u zoiets nog nooit hebt meegemaakt. Logisch, want gastvrijheid is in onze cultuur een stuk lastiger geworden. Het is nauwelijks nog dringend ook, want er zijn overal opvangplekken, hostels, bed & breakfasts, supermarkten, pinautomaten, enzovoorts. Als iemand bij u aanbelt, kunt u de terechte wedervraag stellen: “Oké, ik voel met je mee, maar… heb je Airbnb al gecheckt?”

‘Die komt er niet in’

En dan is er nog de politieke lading. Als ik met mensen over gastvrijheid spreek, merk ik dat ze er meteen in horen dat we een ruimere immigratiepolitiek moeten voeren. Gastvrijheid is besmet geraakt en dat maakt het lastiger om erover te spreken. Al was het maar omdat regelmatig mensen die het publiekelijk promoten, er zelf niet zo in uitblinken. Hoeveel van die BN’ers met hooggestemde meningen over de immigratiepolitiek, hebben zelf eigenlijk een vluchteling in hun villa? En hoe open staan zij voor andere meningen? Ik heb al regelmatig van linkse actievoerders gehoord: “Nee hoor, fascisten, die komen er bij mij niet in, zelfs al is het familie.” En ook: “Ze moeten maar verhuizen naar een ander land!”

Gastvrijheid is besmet geraakt

Heel ironisch. Het duidt erop dat gastvrijheid zo makkelijk niet is. Ook u kunt vast wel iemand opnoemen van wie u denkt: alles goed en wel, maar díé komt er dus bij mij niet in… Ik vraag mensen hier soms naar en het antwoord gaat dan telkens over het risico dat de komst van iemand oplevert. We vermoeden een gevaar in die ander. En dat kan reëel zijn. Een vluchteling die een paar maanden in ons huis was, raakte bijvoorbeeld onze huissleutel kwijt. Iemand vertelde me dat ze een immigrant hadden opgenomen die ’s nachts stiekem met hun auto ging joyriden. En zo zijn er in het ‘opvangwereldje’ wel meer anekdotes.

Ik bedoel dit niet als bangmakerij. Mijn punt is dat we allemaal grenzen hebben. Allemaal. Een superlinks iemand weigert ‘fascisten’ de deur. Een antivaxer gooit minister De Jonge eruit. Een Marokkaan laat geen stripper logeren. We hebben allemaal wel mensen die we niet genoeg kennen en die daarmee iets ‘explosiefs’ voor ons hebben. Het zou zomaar kunnen dat… En onze fantasie gaat met ons aan de haal. Ik kan het weten. De keren dat er onbekenden bij ons sliepen, sliep ik niet.

Goden in vermomming

Ik vertel dit als begin van een nieuwe serie essays in Visie. Deze advent zoom ik vier keer in op personages in het kerstverhaal: de herders, de wijzen, baby Jezus, en deze keer de engelen. Die spelen nogal een rol: eentje kondigt Johannes’ geboorte en vervolgens Jezus’ geboorte aan, ze verschijnen in dromen aan Jozef, ze zingen vrolijk bij de herders in het veld. Nergens in de Bijbel is het plotseling zo bommetje vol met engelen als in het kerstverhaal. Wie heeft die allemaal besteld, vraag je je af.

Als we een vreemdeling ontmoeten, kan onze fantasie met ons aan de haal gaan. We krijgen allerlei nachtmerries. Maar de verhalen van engelen openen een ander scenario.

Over de hele wereld vind je mythes over de hemel die in vermomming de aarde bezoekt. In Jezus’ tijd was er bijvoorbeeld een populair verhaal over de goden Zeus en Hermes, die als zwervers overal aanklopten, maar nergens welkom waren. Alleen het bejaarde stel Filemon en Baucis openen hun deur, ze vangen koddig een gans voor hun gasten en ze eten die samen vrolijk op. In de Bijbel vind je nog wel sporen van dit soort mythes, als bijvoorbeeld Paulus en Barnabas voor juist dit vermomde godenpaar worden aangezien (Handelingen 14).

Geen gastheer, maar gast

Blijkbaar heeft men over de hele wereld al wel het gevoel dat de hemel zich juist kan openbaren op plekken waar je hem het minst verwacht. In de Bijbel is dat zelfs een kernboodschap. Het bekendst is misschien wel het verhaal van Abraham en Sara, ook een bejaard echtpaar, die drie mensen ontvangen die boodschappers van de hemel blijken. Veel later, als Jezus is opgestaan, loopt Hij incognito mee met twee gedesillusioneerde leerlingen. Ze nodigen Hem bij hen thuis in Emmaüs uit en pas bij het eten herkennen ze Hem.

Wie heeft die allemaal besteld, vraag je je af

Jezus was in de meeste verhalen namelijk niet zozeer gastheer, maar gast. Jezus had geen pastorie waar je Hem altijd kon bellen en waar iedereen welkom was. Maar Jezus was zelf de vreemdeling, die rondtrok en bij anderen meeat en logeerde. In die beroemde gelijkenis over de bokken en de schapen (Matteüs 25) zei Hij níét: “Jullie hadden honger en Ik gaf jullie te eten, jullie waren vreemdelingen en Ik nam jullie op,” maar andersom: “Ik had honger en jullie gaven Mij te eten, Ik was een vreemdeling en jullie namen Mij op.”

Jezus geeft hier dus niet zozeer een moreel voorbeeld, zo van: zo moeten jullie gastvrij zijn, doe zoals Ik en laat iedereen mee-eten en bij je logeren. Maar Hij draait het weer eens om: als je zó doet, kan Ik je gast worden en kun je meer over Mij ontdekken. Niet: Wees zoals Ik, maar: Ontvang Mij. Niet: Kijk, zo geef je meer, maar: Kijk, zo krijg je meer. Hij geeft geen morele opdracht, maar triggert onze verbeeldingskracht. Waar zouden we Jezus allemaal nog meer kunnen ontdekken?

‘Je moet, je moet’

“Houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen.” Dit is zo’n vriendelijke, speelse tekst uit Hebreeën 13. Het argument is niet: word nou eens gastvrij, want er zijn zo veel ongelukkige mensen, en zij hebben er recht op, en je moet meer op Jezus lijken, en je moet, en je moet, en je moet… Nee, het punt is dat je er zelf voordeel van hebt. Een vreemdeling zou weleens een engel kunnen zijn.

Fantaseer gewoon eens van die nachtmerrie weg, de leuke kant op

En zo opent zich een ander scenario. Het is heel begrijpelijk als een vreemd persoon angst oproept. Ze kunnen je huissleutel kwijtraken en met je auto gaan joyriden, om maar eens wat te noemen. Als we een onbekend iemand ontmoeten, kunnen we van alles bij diegene fantaseren. Dat is eenvoudigweg hoe we bedraad zijn als mensen. Laten we onszelf daarvoor niet al te veel veroordelen.

Vermomde duivel?

Maar de verhalen over de engelen stimuleren je wel om je fantasie eens de andere kant op te bewegen. Stel je voor dat die ander eens niet een vermomde duivel, maar een bericht van God voor mij is? Die antivaxer. Die gevaccineerde. Die fascist. Die antifascist. Die immigrant. Die fundamentalist. Iedereen heeft wel een ‘ander’ die je ergert en die staat voor iets bedreigends. Deels moet je daarnaar luisteren. Niemand hoeft voor iedereen open te staan. Je hebt je grenzen als mens, je moet zorgvuldig met jezelf omgaan.

Maar fantaseer gewoon eens van die nachtmerrie weg, de leuke kant op. Daartoe nodigt Kerst uit. Stel, er wordt bij je aangebeld. Ik bedoel, iemand spreekt je aan, iemand reageert op internet, iemand appt je. En je snapt diegene niet helemaal. Je bent als een herbergier die bekaf is en vol zit en er ’s nachts uit moet. En dat stelletje dat voor je deur staat, ja, dat kunnen twee terroristen zijn. Kijk maar naar die dikke buik, daar kan een bom zitten. Maar stel je eens voor dat daar een baby zit?

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons