Stephan Sanders werd katholiek

‘Laten we stotterend over het geloof praten’

Schrijver en journalist Stephan Sanders schreef onlangs het boek 'Godschaamte', over hoe hij katholiek werd en hoe dit alles te maken heeft met zijn homoseksualiteit en zijn adoptie. “Als ik bevriend zou zijn geweest met mezelf van tien jaar geleden, had ik gedacht: wat gaat die man doen?”

Woest is hij. Stephan Sanders, dan veertien jaar, heeft net gehoord dat zijn moeder kanker heeft. Hij fietst naar het kerkhof in Oldenzaal, pakt een steen, kijkt even om zich heen en gooit ’m dan recht in het gezicht van Christus. Raak.

De Bijbelse Stephanus was de gestenigde. Ik de stenengooier

“Achteraf ben ik verbaasd dat er zo veel gerichte woede in mij zat dat ik een Christusbeeld wilde bekogelen,” blikt hij jaren later terug in zijn Amsterdamse bovenwoning, waar hij met zijn man Delano woont. De vensters bieden een weids uitzicht op de Amstel en de stad, met Carré en het Amstelhotel als blikvangers. “Ik was zo bang dat mijn moeder dood zou gaan, dat ik woedend op Hem was. Er zat toen al meer geloof in mij dan ik dacht.” Extra wrang, zegt hij, dat hij voluit Stephanus heet. “De Bijbelse Stephanus was de gestenigde. Ik de stenengooier.”

Stephan Sanders (1961) werd geboren in Haarlem bij een alleenstaande moeder, die hem afstond aan een kindertehuis omdat hij, zoals hij later hoorde, “het product van een verkrachter” was. Na enkele maanden werd hij geadopteerd door een liefdevol, katholiek gezin in het Twentse Denekamp.

Stephan maakt al sinds de jaren tachtig deel uit van de Nederlandse intelligentsia. Even scherpzinnig en gevat als erudiet en wellevend laat hij in boeken, essays, columns en radioprogramma’s zijn licht op de samenleving schijnen.

De steniging van Christus was zijn “laatste explosieve uiting van anti-geloof”. Daarna hield hij zich er nauwelijks meer mee bezig. Als liberaal in de Amsterdamse grachtengordelkring kende hij vrijwel geen gelovigen. Het woord ‘God’ kreeg hij lange tijd alleen “een beetje spottend” over de lippen. In zijn onlangs verschenen boek Godschaamte beschrijft hij hoe hij God hervond. Of eigenlijk: hoe God hém vond.

Je beschrijft jezelf zo: ‘Etnisch gemengde afkomst, cisgender man, homoseksueel, 1,74 meter, academicus, schrijver en gelovig dus.’
Stephan lacht. “Ja, cisgender. Ik dacht: laat ik eens hip meedoen aan de genderterminologie. Het betekent dat je tevreden bent met je geslacht; ik voel me man. Dat rijtje bedoelde ik ironisch, omdat je tegenwoordig héél precies moet definiëren wie je bent. Tegenwoordig laten mensen bij de beschrijving van hun identiteit het levensbeschouwelijke aspect buiten beschouwing. Ze zien zichzelf als merk dat in de markt gezet moet worden. Echter, bij religie gaat het er niet om wat jij hebt gekozen, maar om wat je is overkomen en wat je ondanks jezelf bent geworden. Zelf vond ik het verbazingwekkend dat ik vanaf mijn vijftigste steeds meer aan het geloof, God en de kerk begon te denken.”

Hoe kwam dat?
“In Vrij Nederland schreef ik dat ik misschien gelovig zou worden. Daarop vroeg 'Trouw' om daarover een serie te schrijven. Als proefgelovige wilde ik dat doen. De eerste keer dat ik naar de Nicolaaskerk in Amsterdam ging, in maart 2016, was verschrikkelijk. Ik stapte destijds nog liever een bordeel binnen dan een kerk. Het hielp dat ik een alibi had: als journalist moest ik verslag doen. Maar als mens wilde ik verliefd en geraakt worden.

Homoseksualiteit bleek een overweldigende kracht in mijn leven

Toen ik schoorvoetend binnenkwam, ontdekte ik dat de mis werd uitgezonden op televisie. Ik wilde absoluut niet op tv gezien worden en ging achterin achter een pilaar zitten. Ik vond het heel hypocriet om de eerste keer meteen vroom op de voorste rij te zitten. Ook schaamde ik me voor mijn seculiere, intellectuele vrienden, al was dat te overzien, want zij stonden niet voor de deur en keken bovendien niet naar die televisie-uitzending. Verder schaamde ik me tegenover mezelf. Ik had een ideaal-ik gecreëerd: ik was een intellectuele man, gestudeerd aan de universiteit, met filosofische interesse, die sociologisch kon schrijven. Daar vond ik geloven niet bij passen. Thuis bekeek ik de mis via Uitzending gemist terug en zag ik aan het einde een man heel schichtig wegvluchten.” Schaterend: “Dat was ik! De schaamte was betrapt en op camera vastgelegd.”

De proefgelovige sloot zich uiteindelijk aan bij de katholieke Nicolaaskerk. Je noemde het je religieuze coming-out.
“Inmiddels noem ik dat niet meer zo. Bij een homoseksuele coming-out ben je klaar als je uit de kast komt, maar het geloof is nooit af. Je kunt niet starten bij A en eindigen bij Z. Bovendien betekende mijn ontdekking dat ik geloofde veel meer dan toen ik me realiseerde dat ik homoseksueel was. Homoseksualiteit diende zich aan en bleek een overweldigende kracht in mijn leven. Dat was als veertienjarige even verwarrend, maar op zeker moment realiseerde ik me: dit bén ik. Hoewel ik destijds niet zo gelovig was, kon ik me niet voorstellen dat God mijn homoseksualiteit zou verwerpen. Ook ik was toch Zijn kind? Anders dan toen, durf ik dat nu wel hardop te zeggen: ‘Ik ben een schepsel Gods! Hij heeft mij zo gemaakt!’ Ik koos er niet zélf voor om homoseksueel te worden. Dat is de overeenkomst met geloven: ik heb er ook niet zelf voor gekozen om te gaan geloven.”

Daklozen en sekswerkers

In de periode dat Stephan niet geloofde, noemde hij Jezus “een kwezel”, was Arie Boomsma de enige christen die hij kende – “Ik vond dat exotisch” – en hoorde hij tot zijn verrassing dat terrorismedeskundige Beatrice de Graaf christen bleek te zijn. “Een gerespecteerd en inventief wetenschapper, geen zweverige onzin, en dan zo gelovig. Dat was op z’n best intrigerend en op z’n slechtst toch een kras op haar reputatie,” schreef hij daarop terugblikkend in De Nieuwe Koers. Nu schaamt hij zich over zo veel kortzichtigheid. “In de kerk wordt het homogene verband waartoe ik behoor, doorbroken. In de kerkbanken zitten mensen die niet aan de universiteit studeerden of naar de cricketclub gaan. Op zondag ontmoet ik daklozen en sekswerkers; mensen die ik normaal gesproken niet tegen zou komen. Dat ontroert me.”

Ik stapte destijds nog liever een bordeel binnen dan een kerk

Hoe reageerde je omgeving op je geloof?
“Sommigen zagen het met verwondering aan: tjonge, ga je dat pad op? Max Pam schreef in de Volkskrant een naar stukje, maar dat kon je verwachten. Ik merk vooral ongemak. Ze praten er liever niet over. ‘Je weet dat ik niets met God heb?’ zeggen ze dan. ‘Maar ik wil wel graag je boek lezen, hoor.’ Ze maken eerst een voorbehoud dat ze niet bij mijn club willen horen. Ze zijn er verlegen mee dat iemand die ze dachten te kennen ineens zo’n ommezwaai gemaakt heeft. Als ik bevriend zou zijn geweest met mezelf van tien jaar geleden, had ik gedacht: wat gaat die man doen?”

Je voormalige priester in de Nicolaaskerk, Jim Schilder, werkte vroeger als journalist bij ‘HP/De Tijd’.
“Toen ik jaren geleden hoorde dat hij katholiek was geworden, vond ik dat héél opmerkelijk. Ik dacht: wat drijft die man? Tegen mij zeiden mensen dat ze het laf vonden dat ik troost zocht bij de hemel. Dat het me niet lukte om zélf mijn leven te leiden… ‘En dat noemt zich intellectueel,’ zeiden ze. Ik vind het een raar misverstand dat gelovige mensen niet zouden nadenken. Gelovigen denken juist na, omdat ze zich moeten zien te verhouden tot eeuwenoude teksten. Dat is nogal een onderneming.”

Zeg je dat ook tegen je vrienden?
“Als ze ernaar vragen. Het gevaar bestaat dat ik te vloeiend spreek over theologie, omdat ik makkelijk verbanden leg. Maar het gaat in het geloof niet om je eigen stem tot klinken te laten brengen, het draait juist om een ándere stem. Laten we stotterend over het geloof praten, omdat je niet precies weet hoe God werkt en wie Hij, Zij, Die is.”

God werd mens in Christus. Door naar Jezus te kijken, krijg je toch een beeld van God?
“Nee, als ik naar Jezus kijk, zie ik God niet, maar het idéé van God. Jezus is God én mens. God heeft Zijn Zoon tussen ons laten leven als goddelijke handreiking. Hij is zelf gestorven én naar de hel gegaan.”

‘Ontiegelijk mijn moeder’

Stephan begint een betoog over andere religies waarmee het christendom raakvlakken heeft, vertelt bevlogen over de geesteswerelden van het oude Egypte, goden en godinnen, Afrikaanse culturen en dat allemaal in relatie tot de Heilige Geest en de betekenis van de onbevlekte ontvangenis van Maria in relatie tot de erfzonde.

Je praat met evenveel welsprekendheid over de onbevlekte ontvangenis als over een maatschappelijk thema. Wat zullen je vrienden hiervan denken?
“Wat is die jongen toch veranderd.” Hij lacht. “Al vond ik de onbevlekte ontvangenis als kind ook al fascinerend, omdat mijn moeder mij, als geadopteerde, onbevlekt heeft ontvangen. Ze was nooit zwanger van mij, heeft mij niet gebaard, maar was ontiegelijk mijn moeder. Ik hoorde geheel en al bij haar, omdat ze mij had aangenomen. Als baby zocht ik niets, maar ik werd door adoptie door mijn ouders aangenomen. Ik zocht ook niet naar God – ik had me alleen ontvankelijk opengesteld voor Hem – maar werd wel door Hem aangenomen. Mijn ouders namen iemand die niet op hen leek, écht op in de familie. Zo ben ik ook opgenomen in de kerkelijke familie. In de kerk word je opgenomen in de gemeenschap met alle voorvaderen en voormoeders die daarbij horen. Zij prevelden dezelfde gebeden en zongen dezelfde gezangen.”

Met zijn biologische moeder – die op hoge leeftijd is – heeft hij nauwelijks contact gehad. Wie zijn vader is, weet hij niet. DNA-onderzoek wijst uit dat zijn familie uit de oude Afrikaanse San-stam afkomstig is. “Hij leeft waarschijnlijk niet meer. Ik had hem graag eens ontmoet.”

Waarom?
“Ik wilde iemand zien die op mij leek. De neus, de manier van lopen, het stemgeluid… Zodat je ziet dat je uit een reeks komt. Toen ik eens mijn biologische moeder ontmoette, herkende ik niets! Als het een wildvreemde vrouw was geweest, zo van straat geplukt, had ik het ook geloofd. Ik vond haar nogal truttig in vergelijking met mijn eigen moeder. Ik was heel erg niet op mijn gemak bij deze vrouw.”

Hij loopt naar de keuken, zet een raam open, ontsteekt het gasfornuis en houdt een sigaret bij de vlam. “Ik heb een Nederlandse, blanke opvoeding gehad. Doordat ik mijn vader niet gekend heb, weet ik niet hoe ik zwart moet zijn. Ik noem mezelf liever bruin, omdat ik dat ben. Nadat ik dat in een column had geschreven, kreeg ik boze reacties van zwarte activisten, die vonden dat ik mezelf niet zo mocht noemen.” Hij kijkt verbaasd en licht geamuseerd.

Verrassend dorps

Je als getrouwde homoseksueel aansluiten bij de Rooms-Katholieke Kerk is op z’n minst opmerkelijk. Waarom koos hij niet voor een vrijzinnige geloofsgemeenschap?
“Natuurlijk,” geeft hij toe, “de remonstranten passen ideologisch meer bij me. Ik ben er weleens geweest en ik vind ze sympathiek, aangenaam, en er komen allemaal beschaafde mensen. Maar het mysterie is er een beetje verdwenen. Ik wil er niet aan twijfelen dat Christus écht mens was, stierf aan het kruis en daarna letterlijk verrees uit de dood. ‘O death, where is thy sting?’ zingt de Messiah van Händel. Het is niet te bevatten, maar Christus heeft de angel van de dood overwonnen. Het leven gaat door. Maar hoe? Alles wat je daarover zegt, is blasfemie.”

Er zijn Bijbelse beelden over wat ons te wachten staat.
“Dat zijn inderdaad beelden, vastgeklonken aan de tijd waarin ze geschreven zijn. Als iemand vertelt hoe de hemel eruitziet, vind ik dat godslasterlijk.”

Wat zou een hedendaags beeld zijn?
“Ik voel me wel thuis bij de schrijver Gerard Reve, die stelde dat je in de hemel ‘nergens meer naartoe’ hoeft omdat iedereen zich ‘op beloopbare afstand’ bevindt. Het zal ‘verrassend dorps zijn opgezet. En niet veel groter dan Schoorl; windstil weer; babbeltje maken; man rookt pijp aan achterdeur, kijkt naar lucht, enzovoorts’.” Hij glimlacht.

Stephan schenkt koffie bij, snijdt cake en steekt bij het gasfornuis een nieuwe sigaret aan. Hij vertelt over een zoon die tegen zijn vader zei: ‘Als zélfs Stephan Sanders gelooft, is het misschien niet zo vreemd.’ Een mooie bijvangst van het delen van zijn verhaal, vindt hij. “Ik hoop dat het gevolg is dat je niet meer voor gek wordt verklaard als je zegt dat je gelooft.”

We begonnen met het rijtje over wie je bent. Je boek sluit af met: ‘In afwachting van dat ‘volledig leven’ verblijf ik, Uw kind, et cetera, Amen.’
“Zo is het. Ik ben een schepsel Gods. Ik ben Uw kind.”

'Adieu God?'

Eerder was Stephan Sanders al te gast in het EO-programma 'Adieu God?'. Deze aflevering wordt herhaald op zondag 26 november, 23.45 uur op NPO 2

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons