Jurjen ten Brinke: 'Nu wil ik alleen nog maar écht geloven'

Wat kreeg de voorganger van huis uit mee over het geloof, en waar staat hij nu?

Opgegroeid in de Gereformeerde Gemeenten lag het niet voor de hand dat voorganger Jurjen ten Brinke uiteindelijk tv- en radiopresentator zou worden. Een GerGem’er is-ie niet meer, maar Jurjen is stiekem toch blij dat hij is opgevoed met zonde en genade, hemel en hel. “Dat voorkomt dat ik een oppervlakkige gelovige word die alles wel best vindt.”

Als Jurjen zijn vroegste herinnering aan zijn geloofsopvoeding ophaalt, begint hij te glimlachen. “We deden aan huisgodsdienst. Zodra je kon schrijven, kwamen wij als kinderen één keer per week op de studeerkamer van mijn vader – een momentje met papa. Dan las hij uit de Bijbel en schreven wij de kerntekst op in een speciaal schriftje. Dat moest, maar ik heb daar enkel positieve herinneringen aan.”

Nog zo’n herinnering: “We zongen elke zondagavond na het eten liederen uit Johannes de Heer, of een psalm. Iedereen speelde wel een instrument, het kon zomaar een uur duren. Misschien dat ik daarom een voorliefde heb voor oudere Opwekkingsliederen, zoals ‘Groot is Uw trouw, o Heer’, of ‘Ik bouw op U’.”

Bij het naar bed gaan, werd Jurjen elke avond gezegend. “M’n vader kwam dan op de rand van m’n bed zitten, legde mij de handen op en sprak de zegen uit die de dominee ’s zondags ook uitspreekt. Was hij er niet, dan deed m’n moeder dat. Heel fijn, ik heb dat zelf ook gedaan met onze kinderen.”

Beter achteraf vergeving

“Mijn ouders stonden heel positief in het leven. Ze zijn mijn grootste geloofsvoorbeelden.” Brede lach: “Na de kerkdienst nuanceerde m’n vader vaak wat de dominee in z’n preek had beweerd; indien nodig werd dan tegenover de zonde en narigheid het verlossingswerk van Jezus gezet. Daarom heb ik geen vervelende bijsmaak bij de kerk waarin ik opgroeide. Daarbij: de kerk ben je zelf, dus als je wat wilt veranderen, moet je dat zelf doen. Dat heb ik dus gedaan. Je kunt beter achteraf om vergeving vragen dan vooraf om toestemming, vond ik. Onze kerk deed niet aan asielzoekerswerk, dus ging ik zelf, en ik nam hen weer mee naar de kerk. Werd ik ’s maandags gebeld: ‘We zouden toch niet aan asielzoekerswerk doen?’ ‘Nee,’ zei ik dan, ‘maar ik heb gekleurde vrienden die graag mee wilden naar de kerk.’ Zoiets kan prima, mits het niet uit rebellie voortkomt, maar uit passie voor God.”

Alleen nog maar écht geloven

Achteraf had zijn houding binnen de GerGem-muren zelfs nóg wat assertiever gekund, blikt Jurjen terug. Bijvoorbeeld als er na de dienst, ten tijde van de ziekte van zijn moeder, tegen hem werd gezegd: “Dit zal jullie als gezin wel dicht bij de Here brengen.” “Dan zei ik: ‘Jazeker!’ Maar eenmaal thuis dacht ik: nee, helemaal niet, eigenlijk. Misschien heeft dat rond mijn achttiende wel voor een geloofscrisis gezorgd. Vanaf dat moment besloot ik: nu wil ik alleen nog maar écht geloven.”

Uiteindelijk bleek altijd dat God erbij was

Door dit contact met asielzoekers, maar later ook door zijn studie Tropisch Landgebruik in Wageningen, waarvoor hij de wereld rondreisde en allerlei christenen ontmoette, werd Jurjens kijk op het geloof algauw breder. Theologisch verschoof hij van ‘je ziel van de hel redden’ naar: ‘als christen je plek innemen in de samenleving’. “Waarbij ik stiekem toch blij ben met die geloofsopvoeding waarin hemel en hel, zonde en genade redelijk zwart-wit werden geschilderd; dat voorkomt dat ik een oppervlakkige gelovige word die alles wel best vindt.”

Adres voor verdriet

In zijn verdere leven zou blijken dat Jurjen die stevige, doorleefde geloofsopvoeding hard nodig had. Bij zijn geboorte kreeg Jurjens moeder hersenvliesontsteking; zelf zou hij met een open ruggetje geboren worden, wat wonderwel niet gebeurde. Toen hij achttien was, lag moeder vanwege hartproblemen op het randje van de dood. “Als oudste van zes kinderen mocht ik eens mee naar de ic. Ik fluisterde in haar oor: ‘Mama, héél veel mensen bidden voor je, ik ook.’ Toen deed ze haar ogen open en zei: ‘Wat fijn, jongen. Bid maar dat de Here Jezus, de Hogepriester, voor mij bidt. Want dán komt het goed.’ Dáár voelde ik dat geloof écht is. Die biddende Hogepriester is daar voor mij werkelijkheid geworden.”

Tien jaar later kreeg zijn moeder twee hersentumoren. Ook twee zusjes werden ernstig ziek, mentaal en fysiek. Op zijn 24e overleed een goede vriend, een pasbekeerde moslim. Jurjen, op dat moment werkzaam bij Stichting Gave, begroef hem zelf. “Dat ik ín de ellende altijd nog God heb, is in mijn leven een fundament gebleken. De waarom-vraag richting het lijden heb ik nooit gehad, ik was juist blij dat ik een adres had voor mijn geschreeuw, onmacht en verdriet. Uiteindelijk bleek altijd dat God erbij was, al duurde dat gevoelsmatig soms weken.”

Elke zondag een sms

Jurjens moeder was jarenlang z’n beste vriendin. “Ik besprak alles met haar. Ik kreeg jong verkering en trouwde op mijn 22e, dus daar stelde ik vragen over. Al vijftien jaar lang stuurt ze me elke zondagochtend een sms om me te bemoedigen voor die dag. Ik vind het inmiddels normaal, maar eigenlijk is zoiets natuurlijk uniek. M’n ouders reageren ook op alles wat ik op NPO Radio 5 of op tv vertel. In het pastoraat zie ik welke diepe sporen het kan nalaten als zulke elementen in de opvoeding ontbreken. Het is echt een zegen als je ouders je keuzes bevestigen.”

Ik heb altijd op Petrus willen lijken

Vader Ten Brinke vond het bijzonder dat z’n twee oudste zonen voorganger zijn geworden, misschien mede omdat hij zelf vanwege de hartproblemen van z’n vrouw niet naar het zendingsveld kon. Jurjen: “Vijf jaar geleden bad hij tijdens een familieweekend op zaterdagavond voor ‘zijn jongens, die morgen weer het Woord mogen brengen’. Na het ‘amen’ zei mijn zusje Nieske: ‘En wilt U ook zijn met Marien in zijn bediening als politieagent, hij moet morgen ook werken.’ M’n vader moest erkennen dat ze gelijk had. Overigens steunt hij ons allemaal in wat we doen.”

Net zo impulsief als Petrus

“Ik heb altijd op Petrus willen lijken, en toen ik ouder werd, begon ik daadwérkelijk op hem te lijken. Hart op de tong, doen wat je hand vindt om te doen. Petrus is impulsief, en deed in z’n impulsiviteit domme dingen, net als ik. Bij Stichting Gave hoorde ik meerdere keren: ‘Als ik zo’n karakter had als u, zou ik ook wel getuige kunnen zijn.’ Toen flapte ik er eens uit: ‘Zullen we ruilen? Maar dan krijg je wel álles.’ Er is bijna niemand die zo vaak op zijn schreden terug moet keren als ik. Het gebeurt geregeld dat ik ’s avonds iemand een berichtje stuur met: ‘Sorry, dit had ik niet moeten zeggen.’”

Niet loswrikken, maar meebewegen

In zijn studententijd ontdekte Jurjen dat zijn geloofsovertuiging niet relevant was voor zijn studiegenoten. Relativisme vierde hoogtij. Jurjen, nog nat achter de oren van de bubbel waar hij net uit was gestapt, isoleerde zichzelf. “Ik ging niet mee op kroegentocht, terwijl ik nu denk: had dat nou gedaan! Drie cafés, drie pintjes, overal een goed gesprek en dan weer naar huis. Dat was waarschijnlijk een beter getuigenis geweest.”

Jurjen probeerde in die tijd elk gesprek geforceerd richting het niveau ‘God’ te trekken. “Dan zat ik in het azc naast een Iraanse jongen die net thee had gemaakt, en zei ik: ‘Fijn hè, dat God ons thee geeft. Er zijn ook mensen die doodgaan van de dorst.’”

 Van mijn opa Jurrie heb ik een prachtige les geleerd

Later, tijdens een studententrip in Spanje, sloeg hij de plank zo mogelijk nóg faliekanter mis. “Ik was het relativisme zó zat dat ik bad: ‘Wilt U geven dat ik kan getuigen van U?’ De volgende dag kwam de grootste atheïst van de groep vloekend en tierend naar me toe, om me uit te dagen. Algauw kwamen er mensen omheen staan, en het gesprek liep voor geen meter. Ik leerde daardoor om het Gód te laten doen, op Zijn tijd.”

Grote boek van Sinterklaas

“Ik verlang niet terug naar het geloof van mijn jeugd, maar tegelijk is naïef, kinderlijk geloven wel heel fijn. Mijn opa en oma, inmiddels de negentig gepasseerd, hebben zo’n geloof. Ze bidden voor hun kinderen en kleinkinderen. Mijn oma is van het kaliber dat bereid is te geloven dat Jona de vis heeft opgeslokt – oprecht! Van mijn opa Jurrie – naar wie ik ben vernoemd, een echte GerGem’er – heb ik een prachtige les geleerd. Tot en met mijn tienertijd ben ik bang geweest dat ik niet uitverkoren was, ondanks wat mijn ouders hierover zeiden.

Op mijn zestiende vroeg ik, vlak voor sinterklaas, aan mijn opa: ‘Heeft God ook een groot boek waar alle uitverkoren mensen in staan?’ Ik hoopte zó dat hij het zou ontkennen, maar hij zei: ‘Zeker, jongen. Ben je bang dat jij er niet in staat?’ Ja, dat was ik. Als God mij niet had uitgekozen, had het geen enkele zin hoe ik mijn leven zou leiden. Toen deed hij iets wat ik nooit meer vergeet. Hij zei: ‘In de Bijbel staat niet of jij uitverkoren bent. Dus als jij bang bent, gaan we nu samen knielen.’ Hij bad: ‘Here God, mijn kleinzoon hier weet niet zeker of hij in Uw boek staat. In Uw boek staat wel: wie bidt, ontvangt. Wilt U kijken of Jurjen in Uw boek staat? En zo niet, wilt U hem er dan in de kantlijn bijschrijven?’ Toen was het klaar en zei hij: ‘Wie bidt, ontvangt, dus je staat er nu in.’”

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons