De kerk is (ook) een gebouw

Een column van TimZingt

Ik had het kerkje al zien staan. Een pittoreske kapel in de Oostenrijkse bergen. We waren op vakantie en in een poging aan de zwaartekracht van het gezin te ontsnappen bedacht ik dat ik tijdens een wandelingetje door het dorp even in dat kerkje zou gaan zitten.

Ik doe dat vaker als ik in een stad ben of op vakantie: even stilvallen in een kerk. Zitten. Voor me uit staren. Misschien bidden. De beelden, de geuren, het gewelf in me opnemen. Het doet me altijd goed daar even te zijn.

Het is altijd een katholieke kerk, want protestantse kerken zitten op slot en evangelische kerken zijn niet gemaakt om stil te vallen. Katholieke kerken zijn ook geen functionele ruimten (die je net zo goed kunt verhuren aan de bridgeclub), maar gewijde ruimten die je ontregelen door hun kolossale omvang en voor protestanten vaak ergerlijke beeldenkunst. Dit soort kerken staat vaak al eeuwen in zo’n dorp of stad. Als een gemetseld anachronisme, een sta-in-de-weg in onze steeds efficiëntere stadsinrichting. Deze kerkjes zijn koud, groot, met ergonomisch onverantwoord meubilair. Alleen al de akoestiek dwingt je je stem te dempen. Je verhoudt je slecht tot zo’n gebouw, en dat lijkt precies de bedoeling: je betreedt een ruimte gewijd aan God – dat heeft per definitie geen menselijke maat. Het bepaalt je bij je ware grootte, of kleinte.

Het doet me altijd goed daar even te zijn.

Daarom is het zo jammer dat deze kerken steeds vaker hun deuren moeten sluiten. Zij zijn niet langer een goddelijk statement in een wereld waarin de mens de maat der dingen is. Een statement, niet door missionaire activiteiten, laagdrempelige diensten of ‘er te zijn voor de buurt’, maar gewoon door een gebouw te zijn. Een kerkgebouw dat elke dag (s)preekt tot iedereen die er even komt stilvallen en lomp en nutteloos in de weg staat voor ieder die er voorbijsnelt.

Ik open de deur van het kerkje. Ik zie tuingereedschap. Er ligt oud hout, een stapel tuinstoelen. Het interieur van een schuurtje. Achterin ontwaar ik nog een altaar onder een dikke laag stof. Wat als er geen gewijde gebouwen meer zijn die me dwingen stil te vallen? Bedroefd prevel ik een Kyrie en sjok terug naar mijn waan van de dag.

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons