Bemoedigd door de golven van tienerhanden

Wat doet de ontmoeting van een gelovige massa met een gelovige enkeling?

in Geloven

“Hoe sprong mijn hart hoog op in mij, toen men mij zeide: Gord u aan om naar des Heren huis te gaan!” Met die berijmde psalm (122) heb ik regelmatig een kerkdienst geopend.

Het bleek niet goed te werken: de manier waarop wij het lied zongen op zondagochtend kwam in de verste verte niet in de buurt van het grote enthousiasme dat de tekst uitstraalt. De gemiddelde kerkganger was nog niet klaarwakker, had een onvaste ochtendstem en keek een beetje onwennig om zich heen. De eerste keren heb ik dat contrast als voorganger met een ironische grijns benoemd – daarna ben ik gestopt met het lied op te geven.

Onttoverd

De zondag had vroeger bij ons thuis een speciale plek. We droegen iets nettere kleren, er was misschien iets meer make-up en parfum. Het hele gezin stapte in de auto, en in de kerkbankjes wachtten andere familieleden ons op. Er stond iets te gebeuren, er hing iets in de lucht, en dan was de eredienst nog niet eens begonnen. Dat gevoel is met de jaren steeds verder versleten. Mijn hart sprong niet meer hoog op in mij, ik gordde me minder netjes aan en de kerkdienst raakte hoe langer hoe meer onttoverd. En ik ben niet de enige met dat besef.

De weg ernaartoe was al spannend

We moeten niet langdurig jammeren over de ontkerkelijking, maar die is wel een factor in dit verhaal. Het doet nogal wat als er op de ‘dag des Heren’ een menigte van gelovigen door je dorp loopt, begeleid door verkeersregelaars, stuk voor stuk onderweg naar hun kerkelijke gemeente. Als ik nu de hond uitlaat voordat ik uit preken ga, hoeft het beestje niet aan de riem. We zijn de enigen buiten. Die psalm roept dapper: “Kom, ga met ons en doe als wij!” Maar hoezeer de kerkklokken ook nog luiden, de meeste christenen hebben niet de bravoure om dat hun slapende dorpsgenoten toe te zingen. Kerkgangers zijn uitzonderingen geworden.

Weinig over

Met het slinken van je gemeenschap, het afnemen van het aantal kerkgangers, valt de sfeer onverhoopt vaak in het water. Dat hebben we in extreme vorm gemerkt tijdens de lockdowns. Ik stond als voorganger in een lege kerk voor een videocamera, en thuis kon je met een laptop op schoot de dienst meebeleven. Misschien überhaupt niet aangegord, en zeker niet met het hart in de keel door de hooggespannen verwachtingen. In dat jaar leerden we wat er gebeurt als je de mensenmassa’s wegdenkt uit onze belevenissen: er blijft weinig over om te beleven. Zelfs de belangrijkste voetbalwedstrijden op televisie hadden iets knulligs, zonder brullende mensen in het stadion.

Want dat is het gevoel waarnaar de geciteerde psalm verwijst: een stadionambiance. Psalm 122 is een van de pelgrimsliederen van de stammen die opgaan naar de tempel in Jeruzalem. Daar ging je niet elke week naartoe, zoals wij naar de kerk. Het was iets uniekers, een bijzondere ervaring voor de gelovige Israëliet. Elk jaar moest je die kant op volgens de wetten van Mozes, met tien procent van je jaarinkomen. Daarvan gaf je een feestmaal voor de hele familie, en voor medewerkers van de tempel en anderen die een feestje konden gebruiken. Bij zo’n jaarlijks ritueel hoort het uitgelaten enthousiasme van vakantiegangers, en het saamhorigheidsgevoel dat je in een voetbalstadion hebt.

Psalm 122-effect

De laatste keer dat ik écht mijn hart in mijn keel voelde bonzen, reikhalzend uitziend naar wat er zou komen en gekleed in een bijzonder tenue, was op de tribune van de Kuip voor een wedstrijd van Feyenoord. Triomfantelijke liederen klonken, door de stadionspeakers werden we opgezweept, we klapten en juichten als één persoon en ontstegen eventjes onze dagelijkse sores en onderlinge verschillen. Genoeg adrenaline voor een jaar, wat mij betreft. De éérste keer dat ik in zo’n stadion zat, was het niet voor een voetbalwedstrijd, maar voor de EO-Jongerendag – die in de Amsterdam Arena. Ook daar gold bij uitstek het Psalm 122-effect.

Die dag slaat een brug tussen thuiswerken en tempelfeesten

Heel even was ik niet op school, waar misschien vier klasgenoten naar de kerk gingen. Ik verkeerde in een omgeving met tienduizenden geestverwanten en leeftijdgenoten. De weg ernaartoe was al spannend, buiten hoorde je de bastonen dreunen en de jongeren lachen en juichen. We zagen dat christenen ook lekkere muziek kunnen maken, en leuke grapjes, en dat ze konden feesten zodat het dak eraf ging. Bij thuiskomst hadden we één of twee nieuwe cd’s, een proefabonnement op een christelijk jongerenblad, en bovenal de herinnering. De herinnering dat je niet de enige tiener bent die Bijbelleest, dat de alledaagse sleur van school en huiswerk niet de enige realiteit is, en misschien wel boven alles: de herinnering aan de wave.

Grote wave

Tijdens een wave gaan stadionbezoekers om de beurt staan, met de handen in de lucht, waarna ze direct weer gaan zitten. Op die manier zie je, als je uitzoomt, een golf door de tribunes gaan. Mijn eerste EO-Jongerendag was één grote wave, of in ieder geval maakten die golven van tienerhanden de grootste indruk op me. Ze lieten namelijk zien dat een kleine, simpele handeling (twee seconden opstaan) enorme impact kan hebben – zolang je maar met velen bent, en eensgezind handelt. Dat is een bemoediging die je allemaal regelmatig nodig hebt, want soms voelt leven, geloven, werken, een gezin runnen, je schoolwerk doen allemaal als een eenzame en futiele inspanning. Dat is het niet – het Koninkrijk van God wordt juist gebouwd op de eensgezinde combinatie van al die ‘futiele’ inspanningen.

Heel even was ik niet op school, waar misschien vier klasgenoten naar de kerk gingen

En dan kom je weer thuis en gaat het leven na het festival, na de pelgrimage, weer z’n gewone gang. Sommige mensen vinden dat erg, maar ik heb er geen bezwaar tegen. De charme van een vakantie, een festival en andere onderbrekingen van je jaar zit hem juist in de uitzondering. Je moet er toch niet aan denken om elke dag naar zo’n jongerendag te gaan, of naar Feyenoord-Ajax, of naar de monumentale maar drukke tempel? Die evenementen zijn ons gegeven als uitzondering – eens per jaar, zei Mozes, en dan leg je een geestelijk buffertje aan waarop je daarna gerust een jaar kunt teren.

Zo erg is het dus niet dat de gemeente maar tammetjes meezong met de pelgrimspsalm die ik opgaf. Het kan niet elke zondag kermis zijn, je hart mag ook een rustig, kalm ritme aanslaan. Dit is volgens mij hoe de hartslag van ons geloof zou moeten werken: er moet heel af en toe een grote samenkomst zijn, met drommen mensen, waarbij we alles over- of wegschreeuwen wat tussen ons en elkaar, ons en onszelf, ons en God in is komen te staan. Voor Mozes was het eens per jaar, voor jou misschien eens per vijf jaar of per vijf maanden. Terwijl je daarvan bijkomt of ernaar toeleeft, is er je werk, je school, je huiselijke plicht en je gezinsleven.

Volgens mij moet de kracht van de zondagse kerkdienst zijn, dat mensen overal in het land een verdunde dosis van dat festivalgevoel oproepen. Het is geen EO-Jongerendag, maar het is ook geen werkdag – het is kérkdag. Die dag slaat een brug tussen thuiswerken en tempelfeesten, tussen schooldagen en stadionbezoeken, tussen individueel geloven en geloven in een schare die niemand tellen kan. Steeds kleiner wordende samenkomsten zijn het, geen epische happenings. Maar elke kerkdienst is als zo’n EO-Jongerendagbezoeker die heel even opstond en weer ging zitten – als de camera uitzoomt, zie je dat ze samen een niet te onderschatten, indrukwekkende golfbeweging vormen.

Tekst: Alain Verheij 
Beeld: Jedi Noordegraaf

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons