Shafqat en Shagufta uit Pakistan zaten jarenlang onschuldig in een dodencel

‘Elke dag smeekte ik God om een wonder’

Hun strop bleef – Goddank – leeg. Maar Shafqat Emmanuel (39) en Shagufta Kausar (46) brachten wel lange, eenzame jaren door in kleine, deprimerende dodencellen, gescheiden van elkaar én van hun kinderen. Het Pakistaanse echtpaar werd in 2014 ter dood veroordeeld: ze zouden blasfemische sms’jes hebben verstuurd. “Geen idee wie ons dit heeft aangedaan, of waarom.”

We ontmoeten elkaar in een eenvoudig rijtjeshuis, ergens in Europa (in verband met hun veiligheid kan het land in kwestie niet worden genoemd: er zijn nog steeds extremisten die hen willen vermoorden).

Hun kinderen – drie zoons en een dochter, in leeftijd variërend van 20 tot 14 jaar – zijn ook thuis. Het bijzondere is dat wij dit viertal al eens eerder, eind 2017, hebben ontmoet om een verhaal te schrijven over hun onwaarschijnlijk trieste gezinssituatie. Hun ouders hadden ze op dat moment al bijna vier jaar lang niet meer gezien; Shafqat en Shagufta zaten destijds al drie jaar in een dodencel, tot de strop veroordeeld wegens blasfemie. Zelf verbleven ze op een geheime locatie in Pakistan, bij familie: ook kinderen van vermeende ‘godslasteraars’ zijn hun leven niet zeker.

‘Tenzij er een wonder gebeurt’

Decennialang durfde geen enkele rechter in Pakistan het aan om van blasfemie beschuldigde personen vrij te spreken. Daarmee zouden zij zich namelijk de woede van fanatieke moslims op de hals halen en hun eigen leven riskeren. Doodstraf wegens godslastering kwam in de praktijk tot voor kort altijd neer op levenslange gevangenschap, in het beklemmende isolement van een dodencel.

Daarom eindigde het Visie-interview met de kinderen destijds ook met deze woorden: ‘Dat Shafqat en Shagufta de rest van hun leven achter de tralies zullen blijven, lijkt het meest waarschijnlijke scenario – tenzij er een wonder gebeurt.’

Dat wonder hééft God vorig jaar inderdaad gedaan, benadrukken Shafqat en Shagufta meerdere keren tijdens dit gesprek, met dankbaarheid in hun stem. Ze willen er graag een interview over geven.

Ingeklapte rolstoel

Shagufta (l) en Shafqat, die sinds 2004 in een rolstoel zit.
Shafqat en Shagufta

In het halletje achter hun voordeur staat een ingeklapte rolstoel: Shafqat is, sinds een ongeluk in 2004, vanaf zijn middel verlamd. Hij leunt schuin achterover op de stoffen bank naast het voorraam, in een typisch Pakistaans gewaad, dat bijna tot zijn blote, licht misvormde voeten rijkt.

Shagufta zit naast hem, op een stoel. Haar broer Joseph, die zich jarenlang heeft hardgemaakt voor hun vrijlating, is ook gekomen en tolkt: beiden spreken vrijwel geen woord Engels.

Shafqat schuift zijn handen onder zijn bovenbenen en trekt zichzelf overeind om rechterop te kunnen zitten. “Ik ben heel dankbaar voor alle christenen die in de afgelopen jaren voor ons hebben gebeden,” zegt hij. “Ik geloof dat God al die gebeden van onze broeders en zusters in Christus heeft verhoord, zodat wij nu in vrijheid kunnen leven.”

Shagufta knikt en reageert: “We worden op allerlei manieren bijgestaan door lokale christenen, en op zondag bezoeken we een plaatselijke gemeente. Hier voel ik dat ik eindelijk weer vrij ben, en daar dank ik God voor. Hij heeft inderdaad al die gebeden verhoord, en een groot wonder in ons leven gedaan.”

Een halsmisdaad

Nooit zullen ze het tafereel vergeten dat het abrupte einde betekende van het leven dat ze tot dan toe leidden in Pakistan.

Op 24 juni 2013 werd hun huis plotseling omsingeld door een grote groep lokale politiemensen, die met zes of zeven auto’s aan kwamen scheuren en duidelijk geagiteerd waren toen ze uitstapten. Islamitische buren dromden samen om te zien wat er aan de hand was.

Tot hun stomme verbazing werden Shafqat en Shagufta luidkeels beschuldigd van godslastering. Via een telefoon, met een simkaart die op Shagufta’s naam geregistreerd stond, zouden er blasfemische sms’jes zijn verstuurd naar de lokale imam, waarin de profeet Mohammed zou zijn beledigd. Een halsmisdaad in het streng-islamitische Pakistan, waar christenen amper één procent van de bevolking vormen en vaak het doelwit zijn van vervolging en discriminatie.

Christenen zijn vaak doelwit van vervolging en discriminatie

‘Gaan ze ons doden, mama?’

Shagufta huivert zichtbaar als ze eraan terugdenkt hoe hun kinderen met grote schrikogen dicht tegen haar aankropen, en zich letterlijk aan haar vastklampten toen de politie haar meenam voor het verhoor.

Terwijl ze haar betraande ogen dept met een sjaaltje, vertelt ze: “De kinderen vroegen: ‘Gaan ze ons doden, mama?’ en wilden me niet loslaten. Omdat de politie me uitschold en daarbij allerlei vuile taal gebruikte, waren ze geschokt. De agenten pakten eerst alleen mij op, en keerden daarna terug om ook Shafqat mee te nemen.”

Shafqat zucht, diep. “Ze dwongen mij en ook de kinderen mee te gaan. Ruw. Zodra het om blasfemiezaken gaat, worden agenten in Pakistan meteen agressief. Ze probeerden te achterhalen wie die sms’jes had verstuurd. ‘Is dit jouw telefoonnummer?’ vroegen ze mijn vrouw steeds. Maar de telefoon waarmee die berichtjes zijn verzonden, was ze al meer dan een maand kwijt. Bovendien waren de berichtjes in het Engels, en dat spreken wij geen van beiden.”

Als een zak op de grond

Handen Shafqat en Shagufta Pakistan

Dat de politie ruw optrad, is een understatement. Shafqat vertelt dat de agenten hem op het bureau hardhandig uit zijn rolstoel sleurden en als een zak op de grond smeten. Vervolgens sloegen ze hem herhaaldelijk in zijn gezicht en op zijn lichaam. Zo zetten ze hem zwaar onder druk om schuld te bekennen. “De kinderen hebben daar – helaas – ook iets van gezien, op het politiebureau. Die agenten hebben me zelfs aan mijn benen opgehangen aan het plafond, terwijl ze met geweerkolven op me insloegen.”
Hij schudt zijn hoofd en wijst naar z’n heup, waar nog altijd een grote wond te zien is: tijdens die marteling is een bot gebroken.

Shagufta’s blik blijft roerloos op de vloertegels gericht terwijl ze stil luistert naar haar man, die vervolgt: “’s Nachts deden ze ditzelfde nog een keer. Ik schreeuwde, huilde en riep dat ik niets verkeerds had gedaan. Ondertussen bad ik wanhopig, in stilte: ‘O God, ontferm U over ons.’”

Naakt over straat

Hij wrijft met beide handen over zijn gezicht. “Ze dreigden dat ze, als ik niet bekende, mijn vrouw naakt over straat zouden laten lopen, om haar zo publiekelijk te schande te zetten. Om haar die verschrikkelijke vernedering te besparen, heb ik uiteindelijk gezegd dat ik alles zou bekennen…”

Jullie zijn vals beschuldigd. Enig idee wie dit jullie heeft aangedaan, en waarom?
Shafqat en Shagufta schudden tegelijk nee.
Hij: “Ik kan niet begrijpen waarom we hiervan zijn beschuldigd. Wie dit op z’n geweten heeft? Geen idee.”
Shagufta: “Maar het was bepaald niet de eerste keer dat christenen in Pakistan ten onrechte zijn beschuldigd door kwaadwillende moslims. Dat gold ook voor Asia Bibi, Sawan Masih en tientallen anderen.”

Acht jaar lang

Shafqat, portret Ruben Timman

Shafqat en Shagufta zagen hun kinderen én elkaar maar liefst acht jaar lang niet meer terug. Vanaf de dag van hun arrestatie bleven ze achter de tralies, eerst nog in dezelfde gevangenis (Shafqat in de mannen- en Shagufta in de vrouwenvleugel), later op verschillende locaties.

Omdat het om een blasfemiezaak ging, zaten ze van meet af aan allebei in extra beveiligde dodencellen. Want zelfs in de gevangenis ben je, zodra je eenmaal het stempel ‘godslasteraar’ hebt, je leven niet zeker. Een moslim die zo iemand doodt, meent daarmee direct een toegangskaartje voor het paradijs te verdienen.

Hoe was die eerste tijd in de gevangenis?
Shagufta, met afkeer in haar stem: “Vreselijk. Het was een kleine, vieze cel – alleen een bed en een wc –, waarin het altijd stonk. In de zomer, zonder raam en zonder enige ventilatie, leek het soms net of ik in de hel was. Mijn gedachten schoten in het begin alle kanten op. Hoe is het met de kinderen? Wie zorgt er nu voor hen? Hoe is het met Shafqat? Waarom zijn we hier? Wat gaat er met ons gebeuren? De spanning was onverdraaglijk. In het begin kon ik niet slapen, niet eten. Ik dacht dat mijn laatste uur geslagen had. Het was zo’n traumatische ervaring. Ik kon alleen meer bidden.”
Shafqat knikt, laat zich weer achterover zakken op de bank en zegt: “Ik dacht voortdurend aan mijn vrouw en onze kinderen. Inderdaad: wie zorgt er nu voor hen? Niemand vertelde ons iets. Dat zorgde bij mij voor enorm veel spanning en stress.”
Shagufta: “Overdag probeerde ik mezelf wel bezig te houden: spulletjes schoonmaken, rondjes lopen in je cel. Of je gaat naar de wc, om maar bezig te zijn. En ik bad soms uren achter elkaar. Als ik ’s nachts aan het bidden was, vroegen de bewakers soms: ‘Tegen wie zit je nou heel de tijd te praten?’ Een van de vrouwelijke bewakers, zelf moslima, hoorde hoe ik persoonlijk tot God bad. Daar was ze diep van onder de indruk. Moslims zijn gewend vaste gebeden op te zeggen en zullen niet zelf hun hart voor God uitstorten. Ze vroeg me of ik ook voor haar wilde bidden, en daarna was ze veel vriendelijker tegen me.”

Wat ging er door jullie heen toen de doodstraf werd uitgesproken, in 2014?
Shagufta, geëmotioneerd: “Dat gebeurde tijdens een prison court hearing, dus in de gevangenis. Men vond deze blasfemiezaak te riskant voor een gewone rechtbank: je kunt aangevallen en vermoord worden als je eenmaal bestempeld bent als godslasteraar. Toen we de doodstraf hoorden uitspreken, ben ik flauwgevallen.”

Geen enkele vraag

Beiden vertellen hoe hun toenmalige advocaten het totaal lieten afweten: zij noemden alleen hun eigen naam, wat nu eenmaal vereist is, maar zeiden verder geen stom woord (terwijl de rechter nota bene ook geen enkele vraag aan het beschuldigde echtpaar stelde).

“Ze verdedigden ons niet,” benadrukt Shafqat met een scherpe toon in zijn stem. “Zelfs niet toen de doodstraf werd uitgesproken. Ze zeiden alleen maar: ‘Oké.’”
Hij spreidt zijn handen. “Dit is jammer genoeg tekenend voor de rechtspraak in Pakistan; de meeste advocaten willen alleen het geld opstrijken. Hun aanwezigheid was in ons geval louter een formaliteit.”

Shagufta: “Het is een wonder dat we later alsnog een écht goede advocaat hebben gekregen, die ook Asia Bibi heeft verdedigd: Saif-ul-Malook (zelf moslim, red.). In mijn laatste gevangenis zat ik trouwens in de cel naast die van Asia Bibi; op christelijke feestdagen mochten we een uur samen zingen en bidden. Dat was voor ons allebei een enorme bemoediging. We hebben ook – hardop – gebeden voor al het gevangenispersoneel. We dankten voor deze mensen, en smeekten of God hen wilde helpen, zodat ze goed met ons zouden omgaan. We vroegen Hem Zijn genade in hun harten uit te storten. Zij stonden pal naast ons en konden dit gebed ook horen. Verder hebben we gebeden voor al onze medegevangenen.”

In Pakistaanse blasfemiezaken worden beschuldigden heel vaak ter dood veroordeeld, maar nooit meer daadwerkelijk geëxecuteerd. Wisten jullie dat?
Shagufta schudt nee en haalt haar schouders op. “Wij hadden geen idee wat ons boven het hoofd hing. Wij zijn maar eenvoudige mensen, met weinig opleiding: wat wisten wij ervan? Ik was bang dat we beiden inderdaad opgehangen zouden worden. In de cel zag ik in gedachten heel vaak voor me hoe de strop op mijn hals werd gelegd, en het valluik onder mijn voeten zich opende…”
Shafqat: “Ook voor mij betekende het doodvonnis slapeloze nachten. Dit is het einde, dacht ik. Het einde.”

Dit is het einde, dacht ik

De vurige oven

Wereldwijd is er jarenlang gebeden voor de vrijlating van Shafqat en Shagufta. Ook organisaties in Nederland – waaronder Stichting HVC en SDOK – vroegen aandacht voor hun zaak, ook binnen de Europese Unie.
Shafqat en Shagufta geven beiden aan dat ze de kracht van deze gebeden op allerlei momenten hebben ervaren.

“Elke dag smeekte ik zelf ook om een wonder, in mijn cel,” vertelt Shagufta. “En gaandeweg groeide mijn geloof, en mijn overtuiging dat God een wonder zou doen en de deuren voor ons zou openen. Zoals Hij ooit Paulus uit de gevangenis heeft bevrijd, en Daniëls drie vrienden uit de vurige oven. Dat zoveel mensen wereldwijd voor ons baden, betekende heel veel voor mij.”

Shafqat knikt en zegt dat hij zelf – net als zijn vrouw – veel bad in zijn cel. Omdat hij vanaf zijn middel verlamd is, zat en lag hij vrijwel constant op zijn harde brits, terwijl de uren traag verstreken. Hij kwam er alleen vanaf als hij zichzelf naar de toiletpot moest slepen.

“Ik vond steun in Psalm 23; die heb ik elke dag gelezen,” blikt hij terug. “Dat lied gaf me kracht om het vol te houden. Net als Shagufta had ik gelukkig een bijbel in mijn cel, waarin ik dagelijks vaak las. Boos op God? Nee, dat ben ik nooit geweest. Ik was ervan overtuigd dat Hij ons op een dag zou bevrijden.”

God heeft me helemaal genezen

Druiven en appels

“Deze hele situatie heeft me niet van God verwijderd, maar juist dichter bij Hem gebracht,” vertelt Shagufta met stralende ogen. “Mijn geloof is steeds sterker geworden. Juist in die moeilijke periode heb ik God op zoveel manieren ervaren. Op een keer had ik bijvoorbeeld heel veel trek in druiven en appels; die smaak miste ik zo. Dat zei ik tegen God, maar ook tegen sommige bewakers. Nog dezelfde dag bracht iemand – die dat absoluut niet kon weten – druiven en een paar appels voor me mee! Dat was een priester, James Channon, die me op kwam zoeken om mij te bemoedigen. Ook die bewakers waren uiteraard stomverbaasd toen ze dit zagen.”

Enthousiast vertelt ze, in één adem door, over nog een andere bijzonder ervaring: “Ik had last van een veel te hoge bloeddruk en diabetesklachten. Ik dacht werkelijk dat ik zou sterven, maar wilde niet dood. Toen zag ik, in een soort visioen, een beeld van het kruis, en bad vurig om genezing, ook van andere gevangenen met dezelfde klachten.”
Met verwondering in haar stem: “God heeft me helemaal genezen. Dat bleek ook uit een test. De gevangenisarts liet de andere gevangenen met dezelfde klachten eveneens testen: allemaal genezen!”

‘Ik kon het bijna niet geloven’

Het hoger beroep in hun zaak werd – zoals meestal gebeurt bij dit soort blasfemiezaken – keer op keer vooruitgeschoven, maar vond uiteindelijk toch plaats én zorgde voor een verrassende ontknoping.

Shafqat, luidkeels en met geheven handen: “Op 3 juni 2020 gebeurde het wonder en zijn we vrijgesproken! Dat kreeg ik een poosje daarna in de gevangenis te horen van andere gevangenen, die het in de krant hadden gelezen. ‘Je bent vrijgesproken van blasfemie,’ zeiden ze, terwijl ze me het bericht lieten zien. Ik kon mijn ogen bijna niet geloven…”

Shagufta: “Een paar dagen voordat het hoger beroep diende, wat wij trouwens niet eens wisten, bad ik tot God: ‘U hebt al veel wonderen in mijn leven gedaan, ook in deze gevangenis, wilt U ons bevrijden? Ik weet dat U dat op een dag zult doen…’ Zodra het vonnis officieel bekend was gemaakt in de Pakistaanse kranten, kwam de gevangenisdirectrice naar me toe. Ze vertelde me dat we waren vrijgesproken van blasfemie, wegens gebrek aan bewijs. En op de dag van mijn vrijlating omhelsde ze me, en vroeg ze mij vergeving als zij of haar collega’s iets verkeerds hadden gedaan.”

De kinderen hebben Shafqats wond schoongemaakt

Feestelijke hereniging

De feestelijke hereniging met elkaar en met hun kinderen, na acht jaren in afzondering, staat voorgoed in beider geheugen gegrift.
Shafqat: “Het moment dat ik mijn vrouw en de kinderen eindelijk weer aan mijn hart kon drukken, zal ik nooit vergeten. Dat was ongeveer een maand na de vrijspraak, toen alle formaliteiten eindelijk waren afgehandeld.”
Shagufta: “We lachten met elkaar, we huilden samen, we praatten, praatten en praatten…”
Ze kijken elkaar lachend aan, hun handen spontaan ineengestrengeld.

Shagufta vertelt dat Shafqat er fysiek slecht aan toe was toen ze hem terugzag. “Vanwege het doorliggen had hij een erg grote wond op zijn rug. Toen ik dat zag, moest ik huilen. Maar ik dankte God dat we eindelijk weer samen waren, en smeekte Hem tegelijkertijd om herstel. De kinderen hebben hem direct gedoucht en zijn wond schoongemaakt.”

In het diepste geheim

Shafqat en Shagufta hand in hand

Tot ze vorig jaar – in het diepste geheim – Pakistan konden verlaten, verbleven Shafqat en Shagufta ergens op een zwaarbeveiligde locatie.
Het was zonneklaar dat ze, met hulp van de autoriteiten, zo snel mogelijk weg moesten zien te komen uit hun moederland. Want hun vrijspraak wekte (net als in 2019 bij Asia Bibi) de woede van fundamentalistische moslims. Ook advocaat Saif-ul-Malook wordt met de dood bedreigd.

Zijn de angst en de spanning waarmee jullie jarenlang hebben geleefd inmiddels weggeëbd?
Shagufta schudt nee. “Vergeten wat we acht jaar lang hebben meegemaakt, is onmogelijk. Soms schrik ik nog steeds ’s nachts wakker. Maar dan besef ik gelukkig snel: o, ik zit niet meer in mijn cel, ik ben weg uit Pakistan.” Na een korte stilte: “Ik ben zó dankbaar. Acht jaar lang had ik elke dag en elke nacht alleen maar muren om me heen, geen enkele vrijheid.”

Ze wijst naar buiten, waar wat mensen door de straat wandelen onder een milde herfstzon. “Ik loop heel veel. Elke ochtend en elke avond maak ik lange wandelingen, om van die vrijheid te genieten. Dat is voor mij zó bijzonder. Dat ik nu gewoon kan gaan en staan waar ik wil – fantastisch. Ik ben in al die jaren nooit naar buiten geweest, en mijn man ook niet.
Shafqat: “Er is ons groot onrecht aangedaan, maar het oordeel daarover is aan God en niet aan ons. We danken Hem elke dag voor onze vrijheid. Dat ik hier nu zit, samen met mijn vrouw en onze kinderen, is niets minder dan dit: een wonder van God.”

Beeld: Ruben Timman

SDOK-podcast
Dit interview kwam tot stand in samenwerking met SDOK (Stichting De Ondergrondse Kerk). Een speciale SDOK-podcast over Shafqat en Shagufta, met fragmenten uit dit gesprek, is te beluisteren via Sdok.nl/podcast

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons