'Ik ben nog steeds op de vlucht voor mijn eigen donkerte'

Kefah Allush over 200e aflevering van 'De Kist'

Áls Kefah Allush al nadenkt over de dood, denkt hij: stom, die dood. Voor hem is de dood slechts een geweldig excuus om het over wezenlijke dingen te hebben, en daarom presenteert hij deze week de 200e aflevering van De Kist. Visie ging met hem in gesprek én legde hem vragen voor die hij zijn gasten stelde.

Kefah (51): “Toen ik hoorde dat Herman Wegter stopte als presentator van De Kist, dacht ik: je bent niet goed bij je hoofd. Een interviewprogramma waarin je een halfuur lang iemand mag interviewen, dat is een buitenkans. Mijn eerste aflevering vond ik best spannend. Er is geen vak waarin je je zo beoordeeld voelt als presentator. Door mijn ervaring achter de schermen weet ik hoe je gewogen wordt. Tot die tijd had ik weinig nagedacht over de dood, maar dat betekent niet dat ik ertegen opzag. Ik heb sowieso geen moeite met lastige gesprekken; als je er open ingaat, kun je het over alles hebben.”

Je hebt ruim honderdvijftig afleveringen gepresenteerd. Gaat het nog niet vervelen?
“Nee. Ik doe dit programma dus niet vanwege het onderwerp, de dood is slechts een geweldig excuus om het over wezenlijke dingen te hebben. Omdat ik met een kist kom aanrijden, gaat het nooit over koetjes en kalfjes.”

Welke ontmoeting blijft je het meest bij?
“Natuurlijk René Gude, de Dichter des Vaderlands. Hij was door kanker een been kwijt en zei: ‘Je mag komen, maar dan moet je een kist meenemen met een uitsparing voor mijn geamputeerde been.’ Die hebben we speciaal laten maken – en kort na de uitzending is hij in die kist begraven. Hij wist heel mooi woorden te vinden voor heel ingewikkelde gevoelens.

Ik vind het fijn om van buiten naar binnen te kijken

Generaal Van Uhm blijft me ook bij; mensen die vertellen over het verlies van een kind – dan spreek je met iemand die het ondenkbare is overkomen. Net als René Gude overleed ook Bob Fosko vlak na ons gesprek. Als zoiets gebeurt, laat dat toch een kerfje op je ziel achter. Als je ziel een ets is, bestaat-ie uit krasjes en kerfjes die samen maken wat jij ten diepste bent.”

Heb je het zelf weleens te kwaad gehad?
“Dat valt gek genoeg mee, ook omdat het mijn professionele opvatting is dat het niet om mij als presentator mag draaien. Eén keer was ik echt ontroerd, bij Ernst Daniël Smid. Naar hem ga ik terug voor de 200e aflevering. Hij moest afscheid nemen van zijn vrouw Roos en omschreef hoe hij het lampje op haar nachtkastje niet uit kon doen; het brandde tot het peertje op was. Dat beeld begreep ik zó, en ik kon me goed voorstellen dat ik hetzelfde zou doen… Toen hij dat vertelde, gebeurde er bij mij voor het eerst iets op buikniveau, zo van: wow, dit kan mij ook overkomen. Volgens mij heb ik de emotie succesvol weggeslikt, Ernst heeft er vermoedelijk niks van gemerkt.”

Hoe bereid jij je voor op een uitzending?
“Ik wil van redacteuren weten wat voor persoon ik voor me krijg. Veel tv-programma’s worden vrij kunstmatig in elkaar geknald. Wat je opneemt, is vooraf afgesproken en dus een toneelstukje. Veel van mijn gasten zijn dat ook gewend, maar ik doe daar niet aan. Daarom probeer ik voorafgaand aan de opnames zo min mogelijk contact te maken; ik sta om de hoek, verstopt, en spreek mijn gast pas als ik daadwerkelijk in dat gele autootje kom aanrijden en de camera’s draaien. Dat eerste contact kan van twee kanten wat onwennig zijn, maar ik vind het juist mooi om dat te laten zien. Meestal lukt het om een bruggetje te bouwen en elkaar te ontmoeten, ook met mensen die heel anders zijn dan ik en over bepaalde onderwerpen niet willen praten. Dan lukt het tóch samen een veelzeggende dans uit te voeren. Annie Schilder maakt muziek waar ik niet naar luister en komt uit een heel andere cultuur, maar ik vond haar héél interessant. In plaats van ‘kanker’ zei ze steeds ‘die ziekte’, maar juist dat gegeven leverde een prachtig gesprek op.”

Hoe reageert men op de gele auto met kist?
“Annie Schilder wilde de auto met kist niet voor haar deur, dus ben ik met een klein kistje naar haar toe gegaan. Anderen zijn juist mateloos gefascineerd en willen zelfs ín de kist, zoals zanger Waylon. Met hem praatte ik nog een tijdje door terwíjl hij in de kist lag. Voorbijgangers zwaaien soms, maken foto’s, selfies – dat mag allemaal. Gasten mogen altijd iets op de kist schrijven, maar in de uitzending met Bram Bakker schreef een voorbijganger er zelfs iets op.”

Houdt de dood je bezig?
“Totaal niet. Het leven na de dood ook niet. Daar schiet je niks mee op. Ik ben het type gelovige dat zich richt op de hemel op aarde, op het geschenk van het leven. Het vergt al genoeg van me om daarin mijn bestemming te vinden.”

Wat is je meest aangrijpende ervaring met de dood?
“Voor iemand van 51 heb ik opvallend weinig met de dood te maken gehad. Mijn ouders leven nog. Mijn schoonmoeder heb ik wel zien sterven, dat was indrukwekkend. Verder sta ik vooral langs de kant en ik kijk ernaar. Story of my life, zou ik haast zeggen. Ik ben de eeuwige buitenstaander, een meneer die hier niet is geboren. En dat is ook mijn vak: vragen stellen over iets wat niet van mij is. Dat past bij me, ik vind het een fijne positie om van buiten naar binnen te kijken.”

Hoe wil jij herinnerd worden?
“Daar heb ik geen grote gedachten bij. Hij was wel aardig, wel oké; niet al te dom. Hij kon wel wat. Een aardig, nuttig mens, van betekenis voor de mensen die ook voor hem van betekenis waren. Heel erg cliché, eigenlijk.”

Dan zijn we heel even gelukt

Wil je begraven of gecremeerd worden?
“Ik dacht altijd dat ik begraven wilde worden. Dat blijft zo als mijn ouders dan nog leven, want het concept crematie is aan hen niet besteed, dat is in hun cultuur geen gebruik. Mochten zij niet meer leven, dan word ik liever gecremeerd. Waarom? Omdat ik een praktisch mens ben en – volgens mijzelf – op een juiste manier krenterig. Een kist en een graf zijn in mijn ogen onnodig en kosten vooral geld en ruimte.”

Daar merk jij tegen die tijd weinig van.
“Dat klopt, maar mijn nabestaanden wel. Ik weet ook dat er mensen zijn die zich schuldig voelen omdat ze te weinig naar een graf gaan, bijvoorbeeld omdat ze daar geen goed gevoel bij hebben. Kortom: het levert alleen maar gedoe op, dat wil ik niemand aandoen. En zo’n kist die de grond in gaat… Het is toch zonde dat daar een boom voor gekapt moet worden? Ik zou het wél mooi vinden als mijn nabestaanden mij wassen en in een doek wikkelen. Zo’n ritueel van fysiek afscheid nemen is denk ik wel goed, en een Arabisch gebruik, dus zo eer ik mijn afkomst nog een beetje. Doe me daarna maar in de goedkoopste kist of een mand.” 

Je lijkt me sowieso geen type voor koffie met cake.
“Zolang het maar sléchte koffie met nátte cake is, in een mistroostige aula. Daar eer ik mijn nieuwe land dan weer mee. Ik wil ook dat mensen hartverscheurend schreeuwen en huilen en dat zich plotseling onbekende vrouwen melden die verder niemand kent. Zo’n drama, dat lijkt me wel wat. Dan heb je een verháál, daar houd ik van. Het belangrijkste is dat mijn nabestaanden vinden dat het bij mij past, maar vooral bij hen; zíj moeten zich er prettig bij voelen.”

En stel dat je een grafsteen had gekregen, wat mocht daar dan op?
“‘Ik ben hier principieel en categorisch tegen.’ Want de dood is natuurlijk stom. Het houdt me weinig bezig, maar áls ik erover nadenk, denk ik: stom, die dood. Je doet je best iets van het leven te begrijpen, en als je er éíndelijk iets van snapt, moet je er alweer mee stoppen."

En wanneer kapt ‘De Kist’?
“Ook daar zou ik dus principieel en categorisch tegen zijn. Wat mij betreft gaan we nog wel een jaar of twintig, dertig door.”

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons