Nieske Selles-ten Brinke over geloofsopvoeding

‘Zegenen is zo ingeburgerd in ons gezin’

Wat een uitdaging kan het zijn: over het geloof praten met je kinderen. Auteur en spreker Nieske Selles-ten Brinke, moeder van vijf jongens en meiden (onder wie drie pleegkinderen), weet er alles van. “Vooral met pubers gaat het vaak over allerlei randzaken - minder over de kern.”

Als je even rondkijkt in de woonkamer van huize Selles in Ermelo, kan het je niet ontgaan: hier wonen gelovige mensen. Op allerlei plekken staan en hangen christelijke teksten, en op de salontafel ligt de bijbel van Nieske: elk moment van de dag binnen handbereik.

Wie was ik om nee te zeggen?

Aarden kruikje

“Deze teksten en die bijbel herinneren niet alleen mijzelf, maar ook onze kinderen eraan dat we hier als gezin samen met God willen leven,” zegt Nieske (40) terwijl ze koffie serveert en op een stoel naast de flatscreen-tv plaatsneemt. Op de vensterbank tegenover haar staat het aarden kruikje waarin de olie zat waarmee ze in 2019 de ziekenzalving ontving, toen bleek dat ze kanker had – maar daarover straks meer.

De overkant van de rivier

Nieske Selles bij boom De Haas

Haar wieg stond in Kampen, waar ze de eerste tien jaar van haar leven woonde. Daarna, tot haar huwelijk met Allard, woonde ze tien jaar aan de overkant van de rivier, in IJsselmuiden. Het gezin telde zes kinderen (EO-presentator Jurjen ten Brinke is haar broer).

Je groeide op binnen de Gereformeerde Gemeenten?
Met een hoofdknik: “Ja. We gaan nu naar verschillende kerken, maar zijn allemaal weg uit de Gereformeerde Gemeenten. Zelf ben ik – net als Allard – hervormd geworden. Als kind besef je dat niet, maar achteraf weet ik hoe bijzonder het was dat er bij ons thuis zo’n open sfeer was, ook wat betreft het geloofsgesprek.”

In een eerder interview zei je daarover: “Wekelijks kwamen we op een vast moment bij mijn vader op de studeerkamer. We leerden dan een Bijbeltekst uit ons hoofd en zegden die op. Mijn vader zegende ons dan ook.”
“Klopt, dat was geweldig. Ik weet nog goed dat we boekjes van ds. C.G. Vreugdenhil lazen, zoals Als je bidt en Bekering, ook voor jou?
Mijn vader – hij was maatschappelijk werker en docent maatschappelijk werk – kocht zes van die boekjes, voor elk kind eentje. Dat lazen we met elkaar, volgens mij in de woonkamer, en dan gingen mijn ouders er met ons over in gesprek. En wekelijks was er ook zo’n een-op-eenmoment, op zijn studeerkamer, waarbij we een Bijbeltekst opzegden en hij ons zegende.”

Het zegenen van je kinderen is ongebruikelijk in reformatorische kringen.
“Inderdaad, maar mijn ouders zegenden ons elke dag, voordat we gingen slapen. ‘De Here zegene jou,’ enzovoort, met een hand op ons hoofd.”
Enthousiast: “Weet je wat zo mooi is? Als broers en zussen hebben we dit állemaal overgenomen van onze ouders; we doen precies ditzelfde nu ook met onze eigen kinderen.”

Niet meer iedere avond

“Ik moet wel zeggen,” vult ze aan, “dat we het nu met de oudste kinderen niet meer altijd precies zó doen, al was het alleen maar omdat zij soms later naar bed gaan dan wij. Maar ik merk wel dat de zegen zo ingeburgerd is in ons gezin, dat we dan bijvoorbeeld weleens ’s morgens voor ze naar school gaan tegen hen zeggen: ‘De Here zegent jou,’ of: ‘Ga met God en Hij zal met je zijn.’ Hoe jonger je begint met die zegen integreren in de taal van je opvoeding, hoe ‘gewoner’ het wordt. Toen ik een keer ziek op bed lag en niks kon, hoorde ik hoe onze oudste zoon onze jongste pleegdochter op bed legde en haar zegende: ontroerend…”

Het hield me enorm bezig

Kwetsbare kinderen

Om privacyredenen is Nieske terughoudend als het gaat over haar pleegkinderen. Maar ze geeft direct toe dat het geloofsgesprek er niet makkelijker op wordt als je een gezin hebt met zo veel verschillende kinderen, van wie er drie op z’n zachtst gezegd een beroerde start hebben gemaakt in hun leven.

Waarom kozen jullie ervoor pleegkinderen in je gezin op te nemen?
“Allard en ik hebben beiden op de pabo een gastcollege over dit onderwerp gevolgd, en het onderwerp liet ons niet los. Het leek ons mooi om kwetsbare kinderen een plek te geven in ons leven. Toen onze twee jongens al geboren waren, kregen we ons eerste pleegkind – een jongen van 1 jaar. Nu is hij 14. Daarna volgde een meisje, dat met een waterhoofdje geboren was en dus wel medische zorg nodig had; nu gaat het gelukkig heel goed met haar. Toen we deze vier kinderen hadden, vonden we dat we in ons gezin geen ruimte meer hadden voor nóg een pleegkind. Dat hebben we ook eerlijk aangegeven bij Pleegzorg.”

Toch kwam er een derde?
“Zo’n acht jaar geleden, een paar maanden nadat Allard en ik dit hadden besloten, belde Pleegzorg: er was een kind dat snel een plek nodig had. Een meisje – net 1 jaar, zware problematiek – had al op drie plekken gewoond, kon nergens terecht en stond al op de wachtlijst voor een instelling. Zoals we hadden afgesproken, zei ik nee. Maar ik stond letterlijk te trillen bij de telefoon: wie was ik om nee te zeggen?”

Exact dezelfde tekst

“Ik belde Allard en hij zei meteen: goed dat je nee hebt gezegd. Maar het hield me enorm bezig. De volgende ochtend las ik in mijn dagboek een tekst uit Jesaja waar God zegt: ‘Mijn wegen zijn hoger dan jouw wegen, en Mijn gedachten dan jouw gedachten.’
Diezelfde dag kwam Allard thuis met exact dezelfde tekst; die stond op een verjaardagskaart die hij op zijn werk had gekregen. Hadden we misschien te snel nee gezegd? Wilde Hij dat dit beschadigde meisje in ons gezin zou komen? Het werd, kort en goed, alsnog een ja.”

Je zei ‘beschadigd’; bedoel je getraumatiseerd?
“Ze had inderdaad heel veel trauma’s. Ze gilde heel veel, door een angststoornis, vooral ’s nachts. Ook had ze heel veel moeite met eten. Als we niet zo zeker hadden geweten dat God ons geroepen had… Het is écht heel zwaar geweest. En dat is het nog. Ze is nu 9. Als zij thuis is, is een van ons beiden negentig procent van de tijd met haar bezig.”

Het is écht heel zwaar geweest

Grootste strijd

Peinzend: “Dat was misschien nog wel mijn grootste strijd met God toen ik ziek werd in 2019. Ik kreeg te horen dat ik ver uitgezaaide eierstokkanker had en een zware buikoperatie en een intensief chemotraject moest ondergaan. Ik dacht: God, U hebt ons geroepen óók te zorgen voor dit ontzettend kwetsbare meisje; ze heeft ons – en mij – keihard nodig; ze zit zo in ons hart en ik wil dolgraag voor haar blijven zorgen, ook al is het heel pittig… Maar hoe?”

Het allerbelangrijkste

Nieske Selles met kruik De Haas

Met steun van haar gezin, familie, vrienden en gemeenteleden kwam Nieske door deze loodzware maanden van medische behandelingen heen, die in december 2019 stopten. Om de vier maanden moet ze terug voor controle.
“In mijn ziekteperiode heb ik opnieuw ontdekt wat het allerbelangrijkste is: dat onze kinderen zien hoe we de hele dag door met God leven en alles heel concreet in het gebed brengen: verdriet en angst, maar ook mooie momenten.”

Je schreef boeken en gaf workshops en lezingen over geloofsopvoeding. Wat ervaar je zelf als het lastigste aspect?
“Ik wil het zo graag met hen hebben over de kérn van het geloof, namelijk wie Jezus is. Maar zeker met opgroeiende pubers gaat het vaak minder over de kern, maar meer over regels – bijvoorbeeld wat wel of niet mag op zondag – en allerlei andere randzaken. Voor je het weet, kom je terecht in strijdgesprekken en negatieve discussies.”

Was het vroeger makkelijker?
“Toen ze jonger waren, konden we makkelijker praten over vragen als: wie is Jezus voor jou, waarom houd je zo veel van Hem en hoe kunnen wij andere mensen Jezus’ liefde laten zien? Voordat ze 12 zijn, is het vooral een kwestie van aanleren – Bijbellezen, bidden, zingen, naar de kerk gaan – en voorleven. Als ze eenmaal gaan puberen en steeds vaker eigen keuzes maken, is het meer samen oplopen en zoeken: hoe kun jij leven met God?”

We proberen wel altijd in gesprek te blijven

Eigen keuzes maken

De coronacrisis maakt het er bepaald niet makkelijker op, verzucht ze. “Wij willen op zondag graag naar onze eigen gemeente, nu dat weer kan. We zijn gezegend met pubers die met God willen leven, maar ze vinden dat ze dit ook via onlinekerkdiensten kunnen doen, en dat ze prima kunnen bedenken wélke. Het vanzelfsprekende van ‘op zondag gaan we samen naar de kerk,’ is weg. De jongsten gaan met ons mee en de oudsten stimuleren we. Als ze eenmaal op een bepaalde leeftijd zijn gekomen – de oudsten zijn nu 16 en 18 –, mogen ze daarin eigen keuzes maken. Wel proberen we altijd in gesprek te blijven.”

In het script

Toen de komedieserie De luizenmoeder voor het eerst op tv kwam, waar ook veel christenen naar keken, plaatste Nieske een kritisch bericht op Facebook, vooral over de vloeken die erin voorkwamen.

Sommige medegelovigen vonden je te veroordelend.
“Ja, ik heb heel wat over me afgeroepen. Vloeken is bij ons nog steeds onderwerp van gesprek, het is zó erg. Het gaat niet over mij, maar over onze God. Dit zijn geen vloeken uit onmacht, ze staan ‘gewoon’ in het script. Ik kan niet genieten van series of films waarin Gods naam wordt ontheiligd.”

Stel, jouw kinderen kijken naar een tv-serie en je hoort gevloek. Gaat de tv uit?
“Dan spreek ik ze erop aan: ‘Jongens, dit is niet wat wij willen.’ Zeker als het om oudere kinderen gaat, leg ik bewust de verantwoordelijkheid bij hen. Natuurlijk is het mijn huis, dus als het écht de spuigaten uitloopt, is er wel een grens.”

Je eigen daden kunnen soms vloeken met alle mooie woorden over God en geloof. Herken je dat?
“Natuurlijk; daar worstel ik soms mee. Geloof is een rode draad door de dag, een manier van leven. Daar hoort kwetsbaar-zijn bij: ‘Jongens, zoals ik jullie eerder vandaag heb aangesproken, was niet goed.’ Als je open en eerlijk bent, zijn de kinderen dat ook eerder.” Lachend: “Meestal sturen ze me eerst een ‘sorry-appje’ als er iets is gebeurd, en zeggen ze het daarna pas rechtstreeks.”

Zijn er huisregels die je hebt versoepeld of losgelaten?
“Ja, wij hebben bijvoorbeeld heel lang gezegd: op zondag geen schermen, dus geen tv en geen telefoons. Later mochten ze wel op hun telefoon. Maar dan krijg je pubers die heel erg van voetbal houden, en dan komt er een mooie wedstrijd op zondagmiddag…”

Als het thuis niet mag…
“… gaan ze naar vrienden, óf stiekem boven op hun telefoon kijken. Daarom hebben we ons als ouders afgevraagd: waar is de zondag voor bedoeld? Het is een dag waarop we samen naar de kerk gaan om God te zoeken, en dat we als gezin met elkaar in verbinding zijn. We concludeerden dat we dit ook kunnen combineren. We gaan – zo mogelijk – samen naar de kerk en praten daar naderhand ook over, we eten samen én we kijken met elkaar tv. Op dit punt waren we te wettisch.”

Nu zit je soms naast de jongens tv te kijken op zondag?
“Ja, wat ik vroeger nooit gedaan zou hebben. Dat ging eerst dus ook wel gepaard met schuldgevoelens. Alsof je faalt, slap bent. En zo zijn er meer dingen. Zoals op zaterdag vóór middernacht thuis zijn, wat wij van huis uit hebben meegekregen. Onze kinderen vroegen: waarom dan? Tegenwoordig vind ik het belangrijker dat ik weet wat ze doen en waar ze zijn dan hoe laat ze thuiskomen.”

Ken je de angst die ouders soms hebben dat hun kinderen het geloof vaarwel zeggen?
“We weten dat dit gebeurt, helaas. Maar die angst heb ik nooit gehad.”

Waarom niet?
“Omdat ik ervan overtuigd ben dat Hij een plan met hen heeft. Hij heeft zich in Zijn genade aan hen verbonden; de doop onderstreept dat. Ik heb geen reden om te denken dat God hen zou loslaten; dat is mijn houvast.”
Ferm: “Ik wil niet leven in de angst dat zij Hem zullen loslaten. Vertrouwen is voor ons het sleutelwoord in de geloofsopvoeding. En als onze kinderen Hem tóch zouden willen loslaten? Dan wordt dat een gebedslast. Als je eenmaal hebt ervaren dat je nérgens grip op hebt, zoals ikzelf in mijn ziekteperiode, kun je jezelf en je kinderen alleen maar toevertrouwen aan Hem.”

Heb je tijdens jouw ziekteperiode misschien geloofsopvoeding van je eigen kinderen gekregen?
Met opeens vochtige ogen: “Ja, en dat raakt me meteen weer. Als het besef doordringt dat je ernstig ziek bent, staat je hele wereld op z’n kop. Zo’n drie dagen na de diagnose kreeg ik ’s avonds een inzinking. De jongsten lagen al op bed. Na het douchen kwam ik beneden en begon ik helemaal te trillen.”

'Niet bang zijn, Gód is er’

Nieske Selles portretfoto De Haas

Ze wijst naar de bank tegenover haar. “Daar ben ik gaan liggen. Ik dacht dat ik zou sterven. Ik riep tegen Allard dat hij 112 moest bellen, wat hij deed. Toen kwam onze jongste zoon binnen, 14 jaar oud toen. Hij ging bij me staan en zei: ‘Mama, kijk me aan. Rustig. Drie keer inademen, één keer uitademen. Niet bang zijn, Gód is er.’ Even later kwam mijn andere zoon thuis van het sporten. Die zei tegen zijn broertje: ‘Ga jij aan mama’s voeteneind zitten, ik ga bidden.’ Hij bad hardop, dat ik rustig zou worden, dat Gods vrede over mij zou komen – ik hoor het hem nóg allemaal zeggen. Ik was zó ontredderd en tegelijk zó dankbaar. Ik merkte dat ik als het ware van onze kinderen terugkreeg wat ik ze al die jaren heb willen leren.”

Met eigen ogen

Na een korte stilte: “Wat kostbaar, dat je door je eigen kinderen bij God wordt gebracht. Zij wisten bij Wie ze moesten zijn, ook met hun eigen angsten. Uiteindelijk werd ik rustig, en hoefde ik niet naar het ziekenhuis. Ik zag met eigen ogen dat God in hen woont en werkt.
Een van de eerste teksten die we onze kinderen aanleerden toen ze nog klein waren, is Filippenzen 1:6: ‘Hij die in jou een goed werk is begonnen, zal het voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.’ Zo’n bemoediging voor alle ouders die ernaar verlangen dat hun kinderen met God blijven leven. Hoe Hij het afmaakt, weten we niet. Maar Hij zál afmaken wat Hij begon. God doet geen half werk.”

Beeld: Jacqueline de Haas

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons