Rust en ruimte op Schiermonnikoog

‘Sommigen zijn bang dat het eiland breekt’

Het is de kleinste gemeente van Nederland, heeft met 931 inwoners ook de laagste bevolkingsdichtheid van alle gemeenten, ‘wandelt’ naar het oosten maar groeit ook aan de westkant, breekt misschien weleens doormidden, bestaat uit één dorp en is tegelijk een Nationaal Park. We hebben het over Schiermonnikoog.

Als je vanaf de Veerdam benedendijks richting het dorp Schiermonnikoog fietst, valt meteen al het vogelconcert op dat je tijdens een verblijf op dit eiland onafgebroken zult horen. Grutto’s, kievieten, maar ook ordinaire zeemeeuwen – op de veerboot deden een paar al een brutale poging om de kaas van het brood van mijn buurvrouw te eten – roepen om het hardst. Ze hoeven het verkeer niet te overstemmen, want auto’s zijn niet toegestaan op het vijfde Waddeneiland dat Visie bezoekt.
De zon schijnt, er staat een frisse zeewind en het is rond de 20 graden. Perfect weer om dit eiland, dat bekendstaat om zijn rust en ruimte, te verkennen. Maar eerst even de bagage in veiligheid brengen bij Hotel Van der Werff. Dit imposante witte gebouw aan de Reeweg is het oudste pand op het eiland en heeft onder meer dienstgedaan als postkantoor en gemeentehuis, vertelt Richard Rosalina, hoofd van de bediening. De 32-jarige Richard werkt inmiddels negen jaar in het hotel en woont sinds zeven jaar op het eiland.

‘Dit vind je nergens meer’

De geboren Curaçaoër heeft van het klassieke hotel moeten leren houden, bekent hij. “Ik kwam rond mijn twintigste naar Nederland om de Hogere Hotelschool in Leeuwarden te gaan doen. Via via kwam ik bij Van der Werff terecht als weekendkracht. Ik dacht wel even: ‘Woow, wat is dit?’ In die tijd hield ik meer van strak en modern en van nieuwe snufjes. Maar de gemoedelijkheid van dit hotel ging ik steeds meer waarderen. Zeker oudere gasten halen hier hun hart op. Dit vind je nergens meer, zeggen ze.”
Als hij zijn werkplek in één woord zou moeten omschrijven, kiest hij voor ‘nostalgie’. Het houten interieur, de bar, de schilderijen aan de muur – alles ademt de sfeer van voorbije tijden. Goede tijden ook, want het hotel heeft herhaaldelijk koninklijk bezoek ontvangen. Prins Bernhard kwam hier al voor de Tweede Wereldoorlog logeren. De eigenaresse liet speciaal oranje tapijt aanbrengen voor zijn komst. “Hij sliep op kamer 10,” verklapt Richard. “Ik weet niet veel van deze geschiedenis, maar wat ik wel leuk vond om te horen: de eigenaar kreeg de mededeling dat zijn personeel voor de komst van de prins gescreend moest worden. Hij weigerde dat, want hij vond dat de autoriteiten erop moesten vertrouwen dat zijn personeel geschikt en betrouwbaar was. En anders kwam de prins maar niet.”

Shantykoor zingt zeemansliedjes

De hotelbaas overtuigde de functionarissen, en prins Bernhard kwam herhaaldelijk terug, met name om te jagen. Aan het begin van deze eeuw bezocht zijn dochter, koningin Beatrix, het eiland. En natuurlijk werd ook zij ontvangen in het hotel, al bleef ze er niet overnachten. “Kijk, hier bij de trap hangt een foto van dit bezoek,” wijst Richard terwijl hij richting de bar loopt – zijn lievelingsplek, helemaal als het ’s zomers lekker druk is. “We hebben hier een Shantykoor dat op zomeravonden van die oude zeemansliedjes zingt. Heerlijk vind ik dat. Het bruist, je bent continue in de weer met gasten, en je blijft maar doorgaan, omdat het zo veel energie geeft.”
Zijn werk heeft ook een keerzijde, vertelt Richard eerlijk. “Ik zie mijn kinderen, die bij mij ex in Groningen wonen, niet vaak. Op verjaardagen en Vaderdag wil ik sowieso bij hen zijn, en verder probeer ik eens in de twee weken een dag met hen door te brengen. Ik hoop dat ze later zin krijgen om hier te komen wonen. Want ik houd echt van het eiland en wil het liefst promotie maken en een eigen huis vinden op Schiermonnikoog. Dat is niet makkelijk, want een koopwoning onder de drie ton vind je hier niet. En dan nog is het allemaal heel klein.”

Fietseiland

Schiermonnikoog is een autoluw eiland, wat betekent dat je als toerist je auto aan de wal achterlaat. Er zijn talloze fietspaden op het eiland met mooie glooiingen. Voor je het weet, springt er een konijn voor je langs. Deze dieren waren vrijwel uitgestorven door de konijnenziekte myxomatose, maar zijn in 2018 opnieuw uitgezet op het eiland. Ook heeft Schier een immense diversiteit aan vogels, die zich bijvoorbeeld ophouden bij de Westerplas, waar een goed toegankelijke vogeluitkijkpost is aangebracht. Een prettige tussenstop tijdens een fietstocht.

Herberg werd klooster

Wie met hun komst naar het eiland ook kleiner moesten gaan wonen, zijn de cisterciënzer monniken uit de abdij Sion in Diepenveen. Ze vestigden zich vijf jaar geleden op Schiermonnikoog in een woonhuis, in de hoop hier een nieuw klooster te kunnen bouwen. Inmiddels zijn ze verhuisd naar een voormalige herberg aan de Knuppeldam. De abt, broeder Alberic, ontvangt ons in de hal, waar een schilder de laatste hand aan de entree legt. De verbouwing van het klooster is in de laatste fase aanbeland, zegt broeder Alberic met een twinkeling in zijn ogen. “Ik zal jullie even de gastenkamers boven laten zien, volg me maar.” Via een brede trap komen we op een lange overloop. De abt stapt een kamer binnen aan het eind van de gang. “Het is sober, zoals je kunt verwachten in een klooster, maar gasten kunnen zichzelf hier wel volledig redden,” legt hij. Hij wijst naar het keukenblok in de hoek. “We serveren geen eten, zelfs geen ontbijt, want we willen ons beperken tot ons bestaan als gemeenschap.”
In coronatijd ontvangen de broeders geen gasten, ook niet tijdens de zeven dagelijkse vieringen in de kapel. “Voor ons geen straf, eerlijk gezegd, want we hebben zo de mogelijkheid ons hier te settelen en ons op de kern van dit kloosterbestaan te richten. Dat ging in Diepenveen toch te veel om het draaiend houden van een oud gebouw, terwijl we hier veel meer een kring van mensen vormen.” Een kring die met de komst van de jonge Daniël uit Mexico bestaat uit vijf broeders, plus een kluizenaar die in een huisje in de achtertuin woont en alleen de zondagse eucharistieviering bezoekt.

‘Onze monniken’

De monniken voelen zich thuis op het eiland, zegt broeder Alberic als we neerstrijken in kolossale houten stoelen in de tuin achter het klooster. En de eilanders en toeristen zijn gewend aan hun aanwezigheid. “In het eerste jaar kwam het regelmatig voor dat we gevraagd of ongevraagd op de foto werden gezet. Of dat mensen ons aanspraken omdat ‘de zoon van de broer van die en die bekende’ óók monnik was. Maar dat gebeurt niet meer. En de eilanders hebben het inmiddels over ‘onze monniken’, dus dat zegt genoeg.”
Tijdens het zoeken naar huisvesting werden de nodige dorpsavonden belegd om tot een goede keuze te komen. Zo ontstond bijvoorbeeld het idee om een nieuw klooster te bouwen in de duinen. “Mét een toren als herkenningspunt,” aldus de abt met een glimlach. “Maar daar kwam de helft van de bevolking tegen in opstand, dus dat ging niet door. Anderzijds waren mensen bang dat we naar Ameland zouden vertrekken. Dat wilden ze ook niet.”
Niet gehinderd door de hete zon – ondanks zijn wollen pij ­– haalt broeder Alberic de ene na de andere anekdote over het eiland en hun komst hier op. Zoals die keer dat hij op een van de eerste informatieavonden stelde dat het eiland eigenlijk “van de monniken” was. Hij verwees daarmee naar de middeleeuwen, waarin Cisterciënzers – schiere monniken genoemd vanwege hun grijsgrauwe, ongeverfde pijen – het eiland bewerkten en eigenaar waren van Schiermonnikoog (letterlijk dus: grijzemonnikeiland). “Dat namen sommigen mij niet in dank af. Daarom verwees ik naar de merels in onze tuin.” Met een lach: “Die vogels denken ook dat de tuin van hen is.”
Dat de broeders na een half decennium al verweven zijn met het eiland, blijkt als Alberic bij vertrek nog wijst op de pluktuin aan de Heereweg. “Daar moeten jullie echt even een kijkje nemen, dat is zo’n mooi initiatief.” Dat hij daar zelf lange tijd zijn steentje aan bijgedragen heeft, laat hij bescheiden achterwege.

Donkerste plek van Nederland

Schiermonnikoog is niet alleen de kleinste en dunbevolktste gemeente, maar het eiland – met een oppervlakte van bijna 200 vierkante kilometer – is ook de donkerste plek van Nederland. Dat blijkt uit onderzoek van de Provinciale Milieufederaties en Stichting Natuur en Milieu. ’t Hoge Land in Groningen staat op de tweede en de Friese Waddenkust op de derde plaats.

‘Betaal wat je het waard vindt’

We besluiten even een ijsje te scoren bij de kleine supermarkt tegenover Van der Werff en vertrekken vervolgens naar pluktuin De Tuin naast de Branding, net iets buiten het dorp. Door hoge struiken langs de weg zie je de tuin niet direct liggen. Des te groter is de verrassing als we het smalle houten bruggetje overlopen en een uitgestrekte moestuin voor ons zien liggen. Op een groen bord staan de spelregels: oogsten mag aan de wadkant van de blauwe vlaggetjes. Als je geen blauwe vlag ziet, moet je even overleggen. Je schrijft in de schuur in een boek op wat je meeneemt en betaalt wat je de groenten, kruiden, bloemen en het fruit waard vindt.
Achterin, bij de slasoorten, is Janneke van der Velde aan het werk. De pluktuin is haar idee en bestaat inmiddels vijf jaar. Ze zegde haar baan als psycholoog op voor dit project en volgde een vakopleiding voor biologisch dynamische landbouw. “Ik ben dit project begonnen in de hoop en het vertrouwen dat er genoeg te oogsten zou zijn, dat er genoeg mensen zouden komen om het op te eten én dat het genoeg geld zou opleveren om door te gaan. We vragen geen vaste bedragen, omdat we willen dat mensen die het minder hebben minder betalen dan mensen die iets beter in de slappe was zitten. En dat gebeurt ook.”

‘God is hier’

Op 35 adressen levert Janneke – die inmiddels zelf van de tuin kan leven – wekelijks een groentetas af. En ze levert aan de lokale voedselbank die ze hielp op te zetten. Ze doet dit allemaal met een aantal vaste vrijwilligers en met studenten van de opleiding die ze zelf ook volgde. Abt Alberic was lange tijd een van die vrijwilligers, nu heeft de Mexicaanse broeder Daniël het van hem overgenomen. Janneke: “Ik zeg altijd tegen de monniken: ‘God is hier.’ Dit is een plek waar geld minder belangrijk is dan in de rest van de maatschappij. En het is fijn om hier te zijn.”
Jannekes moeder komt erbij. Ze zoekt een krop sla voor bij het avondeten. Twee keer per jaar gaat ze met haar man – “we zijn gemiddeld tachtig jaar” – een paar weken naar Schier. “Zo de Heer wil en wij leven, zeg ik er maar bij,” glimlacht de Bussumse. En ze benadrukt graag dat Janneke het zo goed doet. “Weet je, de eilanders hebben haar omarmd toen ze zagen dat ze er niet op uit is om hier veel geld te verdienen. Dat vind ik zo dierbaar.”

De Balgexpres

Met de Balgexpres – een tractor met een passagierskar – kun je naar het uiterste oostpunt van Schiermonnikoog: de Balg. In de diepe geulen in dit gebied spoelen bijzondere schelpen aan. Ook loop je op deze plek de meeste kans om zeehonden te spotten. Ze liggen tijdens laag water op de zandbanken bij de Balg of komen nieuwsgierig langs zwemmen.

‘Zeg nooit ‘nooit’’

De volgende dag gaan we – na nog een paar fietstochten door de duinen – mee met een huifkartocht onder leiding van Jan Harthoorn, beter bekend als De Paardenman. Ons is beloofd dat we via de duinen ook een stukje het Wad op zullen gaan, en dat klinkt heel aanlokkelijk. Jolien en Amanda, twee Belgische trekpaarden, staan er klaar voor en stipt om twee uur stappen we op de huifkar bij het opstappunt aan de Heereweg.
Jan is geboren en getogen op het eiland en kent het op z’n duimpje. Regelmatig stapt hij uit om ons wat zeekraal, melkkruid of een ander eetbaar gewas te laten proeven. En geen vraag laat hij onbeantwoord. Want hoe zit het nu precies met het verhaal dat Schier steeds verder naar Groningen opschuift? Dat klopt, grijnst De Paardenman, en hij ziet er nog wel een voordeel in ook. “Friesland heeft al een paar Waddeneilanden. Als we bij Groningen zouden gaan horen, krijgen we vast meer voor elkaar qua investeringen.” En over dat ‘opschuiven’ wil Jan ook nog wel wat verhelderen. Eigenlijk groeit het eiland aan beide kanten, maar aan de oostkant harder dan in het westen. In twintig jaar tijd kwam er twee kilometer bij in het oosten en één kilometer in het westen. “Sommige eilandbewoners zijn bang dat het eiland breekt, omdat het zo’n lange strook wordt. Anderen denken dat we aan het vasteland komen te zitten. Zeg nooit ‘nooit’, maar ik verwacht dat allemaal niet.”

In volle vaart omhoog

“Opletten mensen, we gaan even in volle vaart omhoog,” roept Jan terwijl hij de paarden aanmoedigt. “Ze kennen de stukken waar het sneller moet precies. Als ik hier in hetzelfde tempo zou blijven lopen, is het veel zwaarder voor ze.” Voor we het weten, zijn we op het wad. Een immense zandvlakte strekt zich voor ons uit en wij strekken de benen en staren met dichtgeknepen ogen naar de zee in de verte. “Vanaf hier zien we zowel het vasteland als Ameland,” wijst Jan. O, en of we de paarden niet willen voeren. Hij heeft in zijn decennialange loopbaan weleens meegemaakt dat een toerist er een vinger door verloor…
Langs strandpaviljoen De Merlijn gaan we weer richting het dorp. Indrukwekkende vrijstaande huizen roepen bij de andere gasten in de huifkar de vraag op of een woning hier een beetje te betalen is. Jan helpt hen graag uit de droom. “Zo’n huis met een beetje tuin heb je niet voor minder dan een miljoen. De huizenprijzen zijn hier enorm gestegen en de gemeente heeft strak beleid ontwikkeld op verkoop voor recreatie en verkoop voor permanente bewoning.” Een zeepbel spat uiteen. Maar des te meer genieten we nu dan maar van dit zonnige, wandelende eiland, waar deze dagen echt niks schiers aan was.

Beeld: Nathalie van der Straten-Folkersma

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons