Theoloog Arnold Huijgen over twijfel, geloof én Maria

‘Geloof staat volgens mij áltijd op de tocht’

Arnold Huijgen buiten op racefiets Eljee

Nooit voor anker gaan bij makkelijke antwoorden: doorvragen. Die houding typeert Arnold Huijgen (42), hoogleraar theologie in Apeldoorn en onder andere bekend van zijn boek Lezen en laten lezen en de EO-podcast Dit is de Bijbel. “Soms denk je: er kán toch geen God bestaan?”

Vlak voordat we elkaar ontmoeten, bij hem thuis in Kampen, heeft Arnold Huijgen snel een pantalon, overhemd en colbert aangetrokken. Net liep hij namelijk nog rond in vrijetijdskleding. Met zijn jongste broer, die “heel wat handiger” is dan hij, zaagt en timmert hij dezer dagen een houten veranda in de tuin achter het vrijstaande huis. Ook zijn kinderen (drie jongens en een meisje, in de leeftijd van 10 tot 16 jaar) hielpen een handje mee. Met plezier. Al geeft hij grif toe dat fysieke arbeid andere koek is dan zijn eigen werk voor de Theologische Universiteit Apeldoorn.
Lachend: “Ik zei net nog tegen mijn broer: ‘Als je zo’n beetje de hele dag spijkers in het hout staat te slaan, heb je volgens mij weinig of geen last van stress – je slaat het er toch allemaal lekker uit zo.’ Dat beaamde hij.”

Oudste van acht kinderen

Zijn wieg stond hier ruim zeventig kilometer vandaan, in een dorp dat onder andere bekendstaat om z’n vis, de voetballerij en de bovengemiddelde kerkdichtheid: Bunschoten-Spakenburg.
Hij was de oudste van acht, in een christelijk-gereformeerd gezin. Vader Huijgen werkte als automonteur, chef werkplaats en later als garagehouder, moeder Huijgen zorgde voor hun kroost.

Geen chocola

De kleine Arnold wist al vroeg wat hij wilde worden: dominee. “Waar ’m dat in zat? Ik was gegrepen door alle Bijbelverhalen die ik thuis, op school en in de kerk hoorde. Rond m’n 15e was dat verlangen veranderd in een besef van roeping. Wat daarbij meespeelde, is dat onze toenmalige predikant heel jong overleed. Ds. Sterk was nog maar begin 30 en kreeg kanker… Dat was een enorme schok.”

Als je dat uit het oog verliest, zou je toch gillend gek worden?

Een aanstekelijk geloof

Een jeugdherinnering komt bovendrijven: “Ik weet nog goed dat ik voor het eerst naar catechisatie ging en bij hem kwam. Hij was zo’n ontzettend vriendelijke man. Als hij over het evangelie sprak, begon hij helemaal te stralen. Ds. Sterk had een aanstekelijk geloof. Wat ik nooit zal vergeten, is dat hij een keer zijn Hebreeuwse bijbel meenam naar catechisatie. Ik deed gymnasium en hield heel erg van talen. Maar van die Hebreeuwse woorden kon ik uiteraard geen chocola maken. Ik keek ernaar en dacht, gefascineerd: wat ís dit? Ds. Sterk, die vertelde dat Hebreeuws en Grieks leren moeite kostte, benadrukte hoe belangrijk het is dat je als predikant de Bijbel in de oorspronkelijke talen kunt lezen. Ook dat vond ik boeiend. Toen hij overleed, zei de voorganger tijdens de rouwdienst iets in de trant van: ‘We begraven nu een dienaar van het Woord. Wie neemt zijn plaats in?’ Dat raakte me, en sterkte me in het verlangen dominee te worden.”

Van alle kanten wind

Arnold Huijgen met racefiets in schuur Eljee

Na het behalen van zijn gymnasiumdiploma verhuisde hij naar Apeldoorn, waar hij – samen met een paar andere jongens van zijn lichting – een vroeg-20e-eeuws studentenhuis betrok en zich enthousiast op de theologiestudie stortte. Na afronding van zijn studie diende hij – parttime – als predikant de Christelijke Gereformeerde Kerk van Genemuiden, voordat hij fulltime voor de universiteit ging werken.

Heeft uw geloof tijdens of na de studie theologie weleens flink op de tocht gestaan?
Hij zakt wat onderuit op de bank. Peinzend: “Ja. En dat staat het af en toe nog. Laat ik het zo zeggen: geloof staat volgens mij áltijd op de tocht. Herman Paul schrijft ergens dat we vaak doen alsof onze ziel ergens veilig binnen zit, in een soort stormvrije ruimte. Maar de ziel kun je volgens hem veel beter vergelijken met een balkon op een hoek die van alle kanten wind vangt. Zo is het inderdaad, denk ik. Geloof staat altijd op de tocht. Ik zeg het ook vaak tegen onze studenten: ik hoop dat jullie mensen zijn – of worden – die zich af en toe afvragen of God eigenlijk wel bestaat. Want de kerk zit natuurlijk vol met mensen die zich van tijd tot tijd die vraag stellen.”

Al spreken ze dat waarschijnlijk lang niet altijd uit…
“Precies. En daarom moet je dat vanaf de preekstoel wel benoemen.”

Al die coviddoden

Vanuit de bomen naast het zijraam klinkt vogelgekwetter: musjes hippen er druk tjirpend op heen en weer. “Als je naar de wereld kijkt,” vervolgt hij, “dringt die vraag zich toch vanzelf met kracht op: bemoeit God zich ermee?”

Waar denkt u nu bijvoorbeeld aan?
“Neem nou India, ál die coviddoden…” Met een hand plat tegen zijn voorhoofd: “Soms denk je: er kán toch geen God bestaan? Aan de andere kant: we hebben als mensheid dit virus in zekere zin over onszelf afgeroepen.”

Uw Tsjechische collega Tomás Halík stelt: ‘God is Mysterie – dat zou de eerste en laatste zin moeten zijn van alle theologie.’
“Ah, Halík! Ik houd erg van deze theoloog. Niet voor niets spreken zijn boeken veel mensen aan. Hij neemt de twijfel volstrekt serieus, maar die heeft bij hem niet het laatste woord. God breekt daar op een bepaalde manier doorheen, zonder dat je dit precies met een schaartje kunt knippen.”

‘Ons kennen van God is een streepje van kennen, getrokken door een oceaan van onkunde,’ schreef wijlen dr. M. van Rhijn eens.
“Mooi… We hebben het inderdaad wel over God, natuurlijk. Sommige christenen praten over Hem alsof ze God in hun broekzak hebben zitten, alsof Hij hun vriendje is en zij precies weten hoe het met God zit. Dat is trouwens ook het gevaar van theologen: alsof je wel even kunt uitleggen hoe het allemaal precies in elkaar steekt."

Ik zie mezelf niet als een preektijger of zo

Gebroken lichten

In dit verband haalt hij met instemming het Engelstalige motto aan dat professor Berkhof zijn populaire dogmatiek Christelijk geloof meegaf en dat je zo kunt vertalen: ‘Onze kleine systemen hebben hun tijd. Het zijn niet meer dan gebroken lichten van U. Maar U, o Heer, bent groter dan zij.’
“Dat vind ik prachtig, deze regels van de Engelse dichter Alfred Tennyson. Inderdaad: onze systemen, ook onze theologische systemen, gaan voorbij. Maar God houdt nooit op en is altijd groter dan wij denken.”

U bent al jaren geen predikant meer, maar bent altijd blijven preken.
“Tja, ik kan het gewoon niet zo goed laten. Ik preek in principe elke zondag. Meestal nog twee keer ook.”
Grinnikend: “Af en toe neem ik me voor om het iets minder vaak te doen, maar ja… Er zijn mensen die móéten preken, omdat ze anders helemaal onrustig worden. Dat heb ik niet. Ik zie mezelf niet als een preektijger of zo, maar preek gewoon ontzettend graag.”

Is er een Bijbelboek waarover u het liefste preekt?
Hij denkt even na. “De oudtestamentische, verhalende Bijbelgedeelten, die ik als kind al boeiend vond, vind ik nog steeds geweldig. Richteren, waar ik nu veel mee bezig ben. Maar bijvoorbeeld ook de boeken Samuel. Genesis, en Exodus ook. De manier waarop God daar met Zijn volk Israël omgaat; de ruigheid van die verhalen. En ik preek heel graag ook uit de evangeliën, de wonderen, de gelijkenissen – prachtig.”

God breekt daar op een bepaalde manier doorheen

Je enige houvast

Arnold Huijgen staat voluit – en van harte – in de gereformeerde traditie. ‘Voor mij is de gereformeerde confessie (belijdenis, red.) de ruimte waarin ik adem en zeker geen knellende band,’ schreef hij vorig jaar september in het Nederlands Dagblad.
“Er klinken steeds meer geluiden in de trant van: ‘Tja, die gereformeerde confessie, da’s toch wel een beetje ouderwets – wat moet je daar nu nog mee?’ Maar dan denk ik… Neem nou de opening van de Heidelbergse Catechismus, Zondag 1, over de enige troost, of – een betere weergave – het enige houvast: ‘Wat is je enige houvast, in leven en in sterven?’ En dan dat prachtige antwoord: ‘Dat ik het eigendom ben van Jezus Christus.’ Dat is toch geweldig? En zo zijn er meerdere antwoorden. Misschien zouden we nu bepaalde dingen anders formuleren: prima, die ruimte is er natuurlijk ook. De belijdenis is geen wetboek, zo van: je mag het alleen zó zeggen.”

Is het eerder een soort stemvork?
Verrast: “Wat een mooie vergelijking, die ga ik op college gebruiken. Een stemvork, inderdaad – zodat je telkens weer even de goede toon te pakken hebt.”

Wat is volgens u hét kenmerk van de gereformeerde theologie ten opzichte van andere theologische denkrichtingen?
“Je kunt meerdere dingen noemen. Misschien is de belangrijkste wel dit: het draait om God. Hij staat centraal, en niet wij, mensen. Dat besef zie je heel sterk bij Calvijn, op wie ik ben gepromoveerd: wat weten wij van God, en wat stellen wij nou eigenlijk voor?”

Calvijn noemde zichzelf ‘een mensje uit het stof verrezen’.
“Precies. Dát aspect is heel typerend voor de gereformeerde traditie. Plus het feit dat het van A tot Z genade is, waar wij als mensen het van moeten hebben. In de tijd na Calvijn zijn mensen daar helaas weleens een verkeerde kant mee opgegaan, waardoor het – bijvoorbeeld door een eenzijdig spreken over de uitverkiezing en de noodzaak van wedergeboorte – loodzwaar en somber werd. Maar in de grond van de zaak is dat toch juist ontzettend bevrijdend? Want als God het mij geeft, dan speel ik Zijn genade zelf nooit meer kwijt: het hangt niet van mijn inspanningen af, en Zijn genade is zelfs groter dan mijn zonden. Dat het van A tot Z genade is, geeft mij moed. Voor deze wereld, maar ook voor mijzelf.”

Ook bij de aanvechtingen die er in het geloof kunnen zijn?
“Zeker. En trouwens ook als je naar de kerk kijkt, in Nederland en West-Europa. God zorgt voor Zijn kerk. Als je dat uit het oog verliest, zou je toch gillend gek worden als je naar de kerk kijkt en hard weglopen. Maar Gods Zoon is, zoals de Heidelbergse Catechismus zo mooi zegt, al vanaf het begin van de wereld bezig om mensen bij elkaar te brengen om Zijn gemeente te vormen. Daar zal Hij mee doorgaan tot Hij terugkeert. Daar mogen we ons aan vasthouden. Dat geeft hoop. Ook dat is trouwens wat mij betreft een typisch gereformeerd accent.”

Boek Maria Arnold Huijgen cover

‘Zo katholiek mogelijk’
“Zonder dat ik me daarmee wil afzetten tegen anderen, trouwens,” zegt hij er in één adem nadrukkelijk achteraan. “Ik heb net een nieuw boek afgerond, over Maria. Daarin zoek ik heel bewust ook hoever ik kan meekomen met de rooms-katholieke traditie. Nou, als het gaat om Lourdes en de Mariadevotie daar, die maak ik niet mee. Maar op een heel aantal andere punten kan ik er wél in meekomen. Ik ben graag zo katholiek mogelijk.”

Maria bevindt zich in de blinde hoek van het protestantisme?
“We hebben haar weggeduwd, kun je wel zeggen. Terwijl er staat: ‘Alle geslachten zullen mij zaligspreken.’ Maria wordt ‘de gezegende onder de vrouwen’ genoemd. Onze oudste en onze jongste zoon zingen beiden in het Kampen Boys Choir. Door corona nu helaas niet, maar dat koor verzorgt evensongs in de Bovenkerk in Kampen. In de anglicaanse en roomskatholieke tradities wordt elke avond afgesloten met de Lofzang van Maria, het ‘Magnificat’. Dat lied is een soort samenvatting van de oudtestamentische psalmen in het Nieuwe Testament. Haar lofzang moeten we niet alleen in de adventstijd zingen, maar veel vaker.”

Ik las ergens dat u er in uw Mariaboek ook voor pleit dat we als protestanten – net als katholieken – het feest van de aankondiging van Jezus’ geboorte gaan vieren, op 25 maart. Zo’n suggestie gaat stof opwerpen.
“Ongetwijfeld. Ik kan de kritische reacties nu al uittekenen: ‘Ja maar, we hebben al zo veel, moet dat nou…?’ Kijk, er zijn heel wat mensen die het belangrijk vinden om Hervormingsdag te vieren, op 31 oktober: de herdenking van de Reformatie. Een gebeurtenis uit de kerkgeschiedenis die niet alleen maar positief is, want het was ook een kerkelijke breuk. Maar, zegt men, zo’n datum is tóch belangrijk, want het is Gods werk in de kerkgeschiedenis. Dan zeg ik: als het voor de kerkgeschiedenis geldt, geldt dat toch nog veel sterker voor de heilsgeschiedenis? De aankondiging van Jezus’ geboorte is hét begin van het Nieuwe Testament. Dit Joods meisje was nota bene de eerste die het evangelie geloofde. Kortom: als je 31 oktober houdt, moet je wat mij betreft ook 25 maart houden.”
Na een korte stilte: “Tijdens het schrijven van dit boek heb ik iets leuks ontdekt: als je eenmaal met Maria aan de slag gaat, komen vanzelf allerlei thema’s op tafel. Zoals de – positieve! – Bijbelse visie op lichamelijkheid en seksualiteit, om alvast een tip van de sluier op te lichten. Het boek komt 25 juni uit.”

We hebben Maria weggeduwd

Op de racefiets

Huijgen doceert aan de universiteit, preekt en spreekt, schrijft en heeft (afgezien van de vakanties) steevast een volle agenda. Hoe ontspant hij zich? “Muziek – geen dag zonder Bach – helpt mij te ontspannen,” antwoordt hij. “En ik lees van jongs af aan graag. Niet alleen theologische boeken, hoor, maar bijvoorbeeld ook romans. En verder fiets ik graag.”
Met een blik naar buiten, waar een kille wind oud lover door de tuin jaagt: “Als het een beetje weer is, stap ik ook graag op de racefiets. Als ik een dag thuis zit te werken, breek ik de werkdag rond 14.00 uur en fiets ik een rondje langs de IJssel, langs Zalk en zo: práchtig. Zo’n 30 kilometer: een uurtje trappen, lekker douchen en dan weer doorwerken. En zomers fiets ik heel graag in Frankrijk. De Pyreneeën: schitterend. Dan beleef je de schepping op zo’n overweldigende manier, dat ik weleens tegen de rest van het gezin zeg: ‘Ik heb anderhalf keer meer vakantie dan jullie…’”

Beide benen op de grond

Als hij over geloofszaken schrijft, spreekt of lesgeeft, houdt hij zichzelf niet buiten schot en durft hij ook eerlijk in de spiegel te kijken. Zo bekende hij in een interview met het Nederlands Dagblad eens dit: ‘Mijn verlangen is te weinig gericht op het koninkrijk van God en wordt te snel in beslag genomen door bijvoorbeeld een prachtig huis, een BMW of Jaguar. Natuurlijk overkomt mij dat, ik ben tenslotte de zoon van een garagehouder.’

Wat helpt u dan om de kompasnaald weer op Gods koninkrijk te richten?
Glimlachend: “Domweg de schoenen aandoen en naar de kerk gaan; je bijbel opendoen, lezen en je erdoor láten lezen. Dat ritme en die gewoonten helpen mij opnieuw af te stemmen op wat het belangrijkste is. Alleen al het lezen van de Bijbel helpt om te relativeren. Ik denk bijvoorbeeld aan Prediker. Hij zegt: ik heb alles geprobeerd, alles genoten, maar uiteindelijk waait alles toch weer weg in de wind – alles is lucht en leegte, ‘ijdelheid’. Als ik preek, vind ik het ook belangrijk om daar volstrekt eerlijk in te zijn.”

Waarom?
“Omdat we niet moeten doen alsof je zó vroom kunt worden of zó voor God kunt leven dat bijvoorbeeld een mooi huis of een mooie auto je niks meer zegt. Dat ís gewoon niet zo. Maar dan toch is het onze roeping gericht te blijven op het koninkrijk. En dat doe je volgens mij door met je beide benen op de grond te blijven staan, het gewone leven te leven en God te danken voor alles wat Hij geeft aan eten, drinken, gezondheid, enzovoort. En door domweg vol te houden als er problemen zijn. Te blijven hopen, eigenlijk.”

Over hoop gesproken: uw vader is relatief jong overleden aan een heftige, zeer pijnlijke vorm van kanker, vertelde u eerder in ‘Andries’. Dat hebt u van zeer nabij meegemaakt. Wat is dán je houvast?
Met zachte stem: “Mijn vader heeft ontzettend geleden, ja. Dan blijft ten diepste alleen dit over: dat je in Gods hand bent. Ik heb bij zijn begrafenis gepreekt; daar heb ik het van tevoren ook met hem over gehad. ‘Pa,’ zei ik, ‘dat wil ik graag doen.’ Hij vond dat mooi, maar vroeg wel: ‘Kun je dat aan?’ Tijdens de rouwdienst heb ik gepreekt over Psalm 27: ‘Als ik niet had geloofd dat ik het goede zou zien in het land van de levenden, ik was vergaan.’ Dat is het, hè? Dat je te midden van het lijden tóch beseft: maar God maakt het een keer anders; het komt goed. Dat heeft Hij ons beloofd – en Hij houdt altijd woord.”

Andries: Arnold Huijgen

Beeld: Eljee

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons