Moet ‘homogenezing’ verboden worden?

Column van Tijs van den Brink

Tijs van den Brink

Vier politieke partijen (VVD, D66, PvdA en GroenLinks) werken aan een wet die ‘homogenezing’ verbiedt, zo werd onlangs bekend.

‘Homogenezing’, ook wel ‘homoconversie’ of ‘conversietherapie’ genoemd, is een verzamelnaam voor methoden die als doel hebben de seksuele geaardheid van homoseksuele en biseksuele mensen te veranderen in heteroseksueel. Het debat daarover woedt in Nederland sinds enkele jaren in volle hevigheid, ik vermoed sinds de Nashville-verklaring werd gepubliceerd begin 2019. In de tijd daarna werd de roep om een verbod op ‘homogenezing’ steeds luider.

Het kabinet stelde daarop een onderzoek in naar wat de therapie precies inhoudt, of het in Nederland voorkomt en zo ja, hoe en waar dan. De uitkomst: het bestaat in Nederland niet op grote schaal, maar als het voorkomt, gebeurt het in orthodoxe geloofsgemeenschappen. Evangelische gemeenten, baptisten, pinkstergemeenten en islamitische gemeenschappen worden met name genoemd. Er zouden al met al zo’n vijftien organisaties en therapeuten zijn die zich ermee inlaten.

Maar daarmee is de duidelijkheid wel zo’n beetje op. Er zijn namelijk geen instellingen die op hun website of naambordje hebben staan dat ‘homo’s hier genezen kunnen worden’. Volgens de onderzoekers variëren de activiteiten van een gebed met iemand die worstelt met homoseksuele gevoelens tot intimiderende vormen van ‘bevrijdingspastoraat’.

De weerstand tegen ‘homogenezing’ is, zeer begrijpelijk, groot. Allereerst al vanwege het woord: homoseksualiteit is natuurlijk geen ziekte. Verder is er geen deugdelijk wetenschappelijk bewijs dat verandering van geaardheid mogelijk is. En last but not least: de verhalen van mensen die de ‘conversietherapie’ hebben ondergaan, zijn soms hemeltergend. Het leidde tot eenzaamheid, eetproblemen, depressiviteit en soms zelfs suïcidaliteit.

Verbieden die praktijken, zou je zeggen! Het voordeel daarvan is duidelijkheid: het proberen te veranderen van iemands geaardheid is verboden; iedereen die daar dan ook maar op hint, doet iets strafbaars. Dat kan ellende voorkomen.

Maar toch ligt het net iets ingewikkelder, vrees ik. Je moet er immers ook niet aan denken dat de overheid zich gaat bemoeien met waar tieners en voorgangers wel of niet om mogen bidden. En wat nou als je zelf besluit om celibatair te leven en daar (geestelijke) hulp bij verlangt?

Interessanter dan een verbod, vind ik de suggestie die het Humanistisch Verbond (!) onlangs deed: maak nou een gedragscode, zeiden zij, waarin gelovigen van allerlei snit zelf vastleggen wat goede religieuze hulp is voor lhbti-personen. Dat lijkt me een goed idee: breng goed onder woorden wat goede geestelijke zorg wel is, maar zeker ook wat dat niet is: gelovigen van hun homoseksualiteit ‘afhelpen’.

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons