Jos Klaassen raakte verstrikt in criminaliteit en coke

‘Ik gaf altijd anderen de schuld, nooit mezelf’

in Geloven

Jos Klaassen (64) zag de gevangenis drie keer vanbinnen. Na zijn laatste gevangenisstraf raakte hij zwaar verslaafd aan cocaïne, wat hem bijna het leven kostte. Toen leerde hij Jezus kennen. “De rust die ik voelde door de cocaïne, voel ik nu duizend keer sterker.”

Met een grote glimlach opent Jos de deur van zijn rijtjeshuis in Eindhoven. Een aantal spiegels siert de gang, de deur naar de keuken staat uitnodigend open. Een fotocollage aan de woonkamermuur vertoont een sterk vermagerde Jos in het ziekenhuis. “Ik heb onlangs vier weken in coma gelegen door corona. Drie keer heeft het zorgpersoneel erover nagedacht om de stekker eruit te trekken. Uiteindelijk ontwaakte ik en herstelde ik vlug. De dokters begrepen er niks van. Ze zagen mij niet: ze zagen God. In het ziekenhuis vertelde ik over Hem – God heeft mijn toestand daarvoor gebruikt.”

Stelen niet bestraft

Jos’ ogen lichten op zodra hij over God praat. Dat was vroeger wel anders. “Criminaliteit heeft altijd in me gezeten. Mijn vader was voddenboer, dus we gingen met paard-en-wagen langs de winkels hier in Eindhoven. Bij een speelgoedwinkel lag een berg oud papier, maar ook een doos met wegwerphengels. Die namen we zomaar mee. Mijn ouders stimuleerden het niet, maar bestraften het ook niet. Ik zat op het speciaal lager onderwijs, maar zwierf vooral door het centrum. Op mijn vijftiende wilde ik écht niet meer leren en ging ik aan het werk. Eerst bij een klein fabriekje, daarna als stratenmaker. Ik was een jochie van 15 dat sjouwde met trottoirbanden. Zie je het voor je? Dat werk heb ik 25 jaar lang gedaan.”

Gek van wapens

En dan is daar die eerste gevangenisstraf in 1982 – vanwege het stropen van konijnen. “Ik zat met twee anderen in een auto, het geweer lag tussen ons in. Een politieagent hield ons aan en ik kreeg de schuld, want niemand gaf toe van wie het geweer was. Mijn straf duurde twee weken. In de jaren die volgden, raakte ik steeds meer gefascineerd door wapens en ik kon ze gemakkelijk krijgen. Ook verkocht ik ze door, waardoor ik mijn tweede celstraf kreeg. Een van mijn kopers had namelijk met het wapen geschoten en vertelde aan de politie dat het van mij kwam. Ik zat twee maanden vast.”

De volgende keer zou het misschien wel twintig jaar worden

De aanleiding voor zijn laatste gevangenisstraf in 1986 was een zedendelict. “De dag na de misdaad haalde de politie mij op. Ik bekende meteen. Ik hoop het slachtoffer ooit nog tegen te komen, zodat ik kan vertellen hoeveel het me spijt. Voor deze misdaad heb ik twintig maanden gezeten. Toen besefte ik dat mijn straffen opliepen: van twee weken, naar twee maanden, naar twintig maanden. De volgende keer zou het misschien wel twintig jaar worden. Toch ging ik na vrijlating op dezelfde voet verder met mijn criminele bezigheden.”

Over de vraag waarom hij steeds opnieuw terugviel in de criminaliteit, moet Jos even nadenken. “Als de deur van de gevangenis weer achter mij dichtging na mijn straf, vergat ik die tijd van gevangenschap gewoon. De eerste paar vrije weken deed ik voorzichtiger, maar daarna ging ik weer door. Ik had ook contact met de verkeerde mensen. Ik schrok van mijn eerste straf. De tweede keer had ik het best goed in de gevangenis, en de derde keer drong het pas tot me door waar ik mee bezig was. Voor die tijd dacht ik: ik heb ‘alleen maar’ een pistool verkocht. Alsof dat normaal was. Ik gaf altijd anderen de schuld, nooit mezelf.”

Buikpijn van het lachen

Ondertussen fladderen er mussen en duiven door de achtertuin. Sommige strijken neer op de stoeptegels. Vrije vogels. Het tegenovergestelde van Jos in de gevangenis. “Er zit geen klink aan de binnenkant van de deur. Tijdens mijn laatste straf huilde ik veel, want ik miste mijn vriendin en dochter van twee jaar. Tussendoor werd mijn zoon geboren, waarvoor ik een week verlof kreeg. Ik kwam net op tijd bij de bevalling. In de gevangenis kreeg ik één keer per week een uur lang bezoek – dan kwam mijn vriendin met een van de kinderen.

Gelukkig waren er ook leuke momenten. Na tien weken op de politiecel kwam ik op een speciale afdeling. Hier schonk ik koffie in de bezoekers- en personeelskantines. Met de telefoon van de bewaarders mocht ik daar een uur bellen met mijn vriendin, terwijl dit op andere afdelingen maar tien minuten kon. Met een paar jongens kon ik goed opschieten. We haalden grappen uit bij bewaarders, zoals schoensmeer op hun telefoon smeren. We hebben gelachen totdat ik er buikpijn van kreeg.”

We hebben gelachen tot ik er buikpijn van kreeg

Jos neemt een slok van zijn thee. “Toen ik weer vrijkwam, ging ik vaak op stap met mensen die cocaïne gebruikten. Als ze gesnoven hadden, werden ze gewelddadig. Ik had er een hekel aan. Ze vroegen regelmatig of ik ook wat wilde, maar jarenlang hield ik het af. Totdat iemand bij mij thuis langskwam. Hij vroeg: ‘Wat kan er nu gebeuren?’ Ik pakte de coke, snoof het op en ontspande volledig. Ik voelde mijn hartslag omlaaggaan. Het begon klein, met ’s avonds kleine beetjes voor die boost. Na een tijd werd ik elke ochtend rond zes uur wakker en hoorde ik een stemmetje in mijn hoofd dat zei: ‘Coke, coke, coke.’ Ik kon niet meer werken, mijn relatie liep stuk en mijn kinderen bleven weg. Ondertussen stond ik in de hoek van de kamer, in het donker, te snuiven.”

Jos Klaassen.

"In die tijd ontmoette ik mensen die in de wiethandel zaten. Zij zeiden dat ik mijn huis ook vol moest zetten. Dat deed ik. Later zette ik zelfs bij anderen wietplantages op. Ik was nooit rijk, maar verdiende genoeg om mijn eigen coke te bekostigen. Ik bleef doorsnuiven totdat al het geld op was. In één keer veranderde alles. Ik werd opgepakt voor de wietplanten in huis en kreeg een taakstraf van honderd uur, maar ik wilde écht niet werken voor justitie. Mijn kinderen wisten me over te halen het toch te doen, en zo kwam ik Riny – een jeugdvriend – tegen.”

'Jezus komt je helpen'

De glimlach van Jos groeit zodra hij de naam Riny uitspreekt. “Toen ik voor mijn werkstraf kwam, liep Riny naar me toe en zei: ‘Jos, God houdt van jou en Jezus komt je helpen.’ Ik moest er niks van weten, maar ik zag die liefde van Jezus in zijn ogen. Vroeger waren zijn ogen zo zwart als kool, nu straalden ze. Hij nodigde me bij hem thuis uit en bleef maar praten over Jezus en bidden. ‘Ga toch weg met je flauwekul,’ zei ik, maar ik kon de zichtbare blijdschap bij Riny niet ontkennen. Hij vroeg waar ik spijt van had en onmiddellijk dacht ik aan mijn laatste misdaad waarvoor ik twintig maanden had gezeten. Hij spoorde me aan het tegen God te zeggen. Ik stak mijn handen in de lucht,” terwijl Jos dit zegt, beweegt hij zijn handen met de palmen naar boven richting het plafond, “en zei: ‘Jezus, als U bestaat, help me dan, alsjeblieft.’”

Vanaf dat moment veranderde het leven van Jos. “Op televisie had ik 46 pornozenders, maar opeens werd ik daar ziek van. Ik was altijd geldbelust geweest, ook dat gevoel verdween. Wel gebruikte ik nog cocaïne, maar ik kwam graag in de kerk. Als verslaafde was ik daar welkom, de geloofsgemeenschap van evangelische gemeente De Lichtstad in Eindhoven heeft mij omarmd.” Jos valt even stil, er wellen tranen op in zijn ogen. “Die gemeente noem ik mijn familie. Ik vind ze écht te gek. God is zo goed, daar kunnen we ons niks bij voorstellen.”

Geloofszaadje geplant

“Achteraf denk ik dat God het geloofszaadje al veel eerder plantte, toen ik mijn langste straf uitzat. Op de eerste dag van die straf kwam er een geestelijke naar mij toe – waar ik toen niet veel van moest weten. Hij vroeg me waarom ik vastzat en ik vertelde hem alles. Hij bad voor mij en daar begon het. Ik zag in wat ik had gedaan. Daar ben ik God heel dankbaar voor.”

“Anderhalf jaar na mijn bekering nam Riny me mee naar een kerkgebouwtje waar ze een ‘redding en genezing’-avond organiseerden. De deelnemers vroegen wat ik wilde. Nou, ik wilde mijn verleden kwijt. Ik weet niet wat ze gebeden hebben, maar ik weet wel dat ik ’s ochtends opstond zonder het stemmetje ‘coke, coke, coke’ te horen. Het was verdwenen en ik kickte af. Toen besloot ik ook om te stoppen met roken, wat nog zes jaar heeft geduurd. Dit alles heeft God bij mij gedaan.”

Stille tijd

Vóór die ontmoeting met Riny was Jos dan wel uit de gevangenis, maar hij voelde zich niet vrij. “In 1986 zat mijn laatste gevangenisstraf erop; de gevangenisdeur ging open, maar ik zat nog aan kettingen vast. In 2003 leerde ik Jezus kennen en toen kwam ik écht vrij. Vanaf dat moment zit ik op de goede weg. En hoe ik die weg bewandel? Geloven kost me geen moeite, het zit in mij. Elke ochtend sta ik een half uur eerder op dan mijn vrouw Yvonne – met wie ik tweeënhalf jaar geleden getrouwd ben. Dan houd ik stille tijd. Ik vind het fijn om met God op te staan en samen tijd met Hem door te brengen.”

Ik stond in de hoek van de kamer te snuiven

Na zijn bekering wilde Jos bij de reclassering gaan werken. “Ik wilde iedereen vertellen dat er een uitweg bestaat, want ik heb mezelf niet beter gemaakt, dat heeft God gedaan. Ik hang van genade aan elkaar. Mensen zeiden tegen mij dat ik met mijn achtergrond beter ergens anders kon solliciteren, maar ik wist dat God deze deur voor mij zou openen. Vier maanden na mijn sollicitatie kreeg ik een telefoontje: of ik nog interesse had en op gesprek wilde komen. Ik wist niet wat ik hoorde! In de tuin viel ik op mijn knieën en schreeuwde ik het uit: ‘Jezus, dank U wel!’ Nog geen minuut later belden ze weer: ik klonk zo vertrouwd, ik mocht de volgende dag meteen beginnen als werkmeester. Ik ging jongens met een taakstraf begeleiden.”

Werkloos door kanker

Tijdens zijn baan als werkmeester vertelde Jos iedereen over Jezus, of ze het nu wilden horen of niet. “Die jongens zagen aan mij dat het anders kon; God heeft mij daarvoor gebruikt. In ieder geval één van hen is bekeerd.” Dit werk heeft Jos vijftien jaar lang gedaan, totdat hij in 2017 kanker kreeg. “Vier dagen lang kroop ik over de vloer van de buikpijn. Het bleek dat een tumor van vierenhalve centimeter mijn urineleider afsloot. Ik kreeg een omleiding en mijn nier moest eruit. Ik wilde geen stoma, want ik voelde dat God me zou genezen. Dat gebeurde, maar een jaar later kwam de kanker terug. Toen is mijn blaas eruitgehaald en kreeg ik tóch een stoma. In het begin was dat wennen, nu kan ik er goed mee leven.”

In 2019 wilde hij aan de slag als vrijwilliger bij Gevangenenzorg Nederland – een christelijke vrijwilligersorganisatie die (ex-)gevangenen, tbs-patiënten en hun familie steunt – maar in 2020 raakte Jos besmet met corona en kwam hij weer in het ziekenhuis terecht. Hier werd hij in coma gebracht. Na zijn herstel kwam het er toch van. “God heeft dit idee op mijn hart gelegd. Ik vind het mooi werk, want ik weet als geen ander hoe belangrijk het is om bezoek te krijgen – iets wat tijdens de coronacrisis overigens helaas niet kan. Nu spreek ik gevangenen via de telefoon of videoverbinding. Gevangenenzorg betekent zó veel voor die mensen, en ik kan de liefde van God laten zien. Verder geef ik al vijftien jaar voorlichting op scholen, waarmee ik getuig van het geloof en de kinderen vertel dat ze van drugs af moeten blijven.”

'Oké pap, doei'

Jos’ leven had er heel anders uitgezien zonder het geloof. “Ik stond écht op het randje van de dood door de cocaïne. Mijn dochter vertelde me een verhaal dat ik me niet meer kon herinneren. Ik belde haar op toen ik helemaal de weg kwijt was. Met een pistool in mijn hand zat ik op de bank en zei tegen haar: ‘Als je nu niet zegt dat je van me houdt, schiet ik mezelf dood.’ Waarop zij antwoordde: ‘Oké pap, doei.’ Ze is echt een lieverd, dus ik had het goed verpest.”

“Mijn dochter probeert nu ook Jezus te volgen en dat komt zeker goed. Zij gelooft dat Hij me uit de coma heeft gehaald. Na mijn coma voel ik dat ik niks meer hóéf van God. Wat ik het liefst doe? Anderen vertellen over Jezus, dát is mijn natuur. God is mijn hartslag. De rust die ik voelde door de cocaïne, voel ik nu duizend keer sterker.”

Zichzelf vergeven

Of Jos zichzelf heeft kunnen vergeven? Vastberaden: “Sinds een half jaar sijpelt die vergeving door, terwijl ik al achttien jaar geloof. Soms denk ik terug aan wat ik gedaan heb. Ik weet dat Jezus daarvoor betaald heeft, maar het blijft een uitdaging om dat in het diepst van mijn ziel te accepteren. Ken je dat lied: ‘Lopen op het water’? Ik mag met Jezus lopen op het water. Soms zak ik erdoorheen, maar dan staat Hij meteen bij mij.”

Tekst: Anouk van de Schootbrugge
Beeld: Ruben Timman

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons