Hoe Rudi Ekkart Joodse families opspoort

en ze hun gestolen kunst teruggeeft

Tijdens de Tweede Wereldoorlog roofden en kochten de nazi’s op grote schaal kunst uit Nederland. Schilderijen, maar ook tekeningen, prenten, keramiek, zilver, meubels en tapijten bleken niet veilig. Na de oorlog spoorden de geallieerden een deel hiervan op en gaven het terug aan de Nederlandse staat. Maar kwam het ooit terug bij de rechtmatige eigenaar?

Iemand die nauw betrokken was bij de zoektocht naar eigenaren of erfgenamen van naziroofkunst, is kunsthistoricus Rudi Ekkart. Hij vertelt dat er zo’n twintigduizend aangiftes van geroofde werken zijn geweest, waarvan er een kleine tienduizend zijn teruggekomen. “De rest is nooit teruggevonden.”

Sommige werken kochten de Duitsers in guldens, die ze bij de Nederlandse bank inruilden tegen Marken. “Mede daardoor was de Nederlandse schatkist rond 1945 volkomen leeg. De Nederlandse regering mocht naar eigen inzicht bepalen wat ze deed met de kunstwerken waarvan de oorspronkelijke eigenaren niet opgespoord konden worden, of die niet in aanmerking kwamen om te worden teruggegeven. Dat leverde tegenstrijdige belangen op. De minister van Financiën zei: ‘Verkopen, goed voor onze schatkist!’ Daartegenover stond de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die, opgejut door de museumdirecteuren, zei: ‘Leuk, met deze werken kunnen we onze musea verrijken.’”

Onethisch

“Later,” vervolgt Ekkart, “heeft onze commissie de term ‘verkoop onder dwang van omstandigheden’ geïntroduceerd. Denk bijvoorbeeld aan een Joodse familie die dure valse paspoorten moest kopen, of moest onderduiken. Onderduikadressen waren niet altijd gratis, dus verkochten ze hun kunst. Handelaren dachten hun Joodse vrienden hiermee te helpen, maar vanwege de haast was de verkoopprijs altijd ruim onder de marktwaarde. Na de oorlog zei de Nederlandse regering: die verkoopsom moet eerst terugbetaald worden. Alsof het een normale, commerciële transactie was geweest! Maar dat geld was er natuurlijk niet meer.”

Schandalig?
“Dat mag je zeggen. In ieder geval: onethisch. Heel gedramatiseerd gezegd kun je stellen dat Joodse, op drift geraakte privébezittingen door de overheid zijn onteigend. Dat is het belangrijkste wat we met ons restitutiebeleid hebben willen rechtzetten. In 1998 is er tijdens een conferentie in Washington internationaal afgesproken dat overheden het maximale moeten doen om gedaan onrecht te herstellen. Elk museum diende mee te werken. Sindsdien moet iedere museumdirecteur in zijn of haar verwervingsbeleid de herkomst van kunstwerken nauw in de gaten houden. Dat resulteerde er soms in dat hele museumzalen leeg kwamen te staan omdat de herkomst bezoedeld was. In dat kader zijn sommige van mijn vriendschappen met museumdirecteuren enigszins bekoeld.”

Handelaren dachten hun Joodse vrienden hiermee te helpen

Het opsporen van de Joodse families was nog niet gemakkelijk, stelt Ekkart. Hij vertelt hoe hij voor Bureau Herkomst Gezocht te werk ging als de erfgenamen spoorloos waren. “Zo was er een man die in 1938 was overleden, waarna zijn vrouw in 1939 besloot naar Amerika te emigreren. Ze beging de onvoorzichtigheid haar schilderijcollectie in Nederland achter te laten. Tien daarvan stonden in onze NK-collectie, maar wij konden die familie niet achterhalen, ondanks de hulp van ambassades en onderzoeksbureaus. Honderden sporen leidden tot niets, totdat we ontdekten aan welke universiteit de dochter van deze vrouw had gestudeerd. In Amerika wordt gedetailleerd bijgehouden waar oud-studenten terechtkomen, dus konden we via die universiteit uiteindelijk deze dame benaderen.”

Grootste familieruzies

Je zou denken dat Joodse erfgenamen onverdeeld enthousiast reageerden als ze hoorden dat hun verloren gewaande kunstwerken terecht zijn. Maar dat bleek lang niet altijd het geval. Tot grote frustratie van Ekkart. “Er zijn de grootste familieruzies ontstaan, omdat er opeens een paar miljoen te verdelen viel. Of ik dat op mijn geweten heb? Eigenlijk wel, ja. Het voelt enigszins als een nederlaag. De tweede frustratie rondom dit restitutiebeleid is dat er opeens geldbeluste advocaten om de hoek kwamen kijken die tegen een fors aandeel van de kunstwerken claims indienden. Aan de andere kant waren er gelukkig ook gevallen waarbij ik zelf het ontwerp voor een claimbrief voor de rechthebbenden schreef, bij wijze van service.”

Van 1990 tot 2012 was Rudi Ekkart directeur van het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD), maar inmiddels is hij gepensioneerd. Al heeft hij geraniums nog nooit van dichtbij gezien. Hij zit in de nodige besturen, is nog bezig met enkele restitutiezaken omtrent roofkunst, en heeft met een collega een maatschap gevormd om te doen wat hij het liefste doet: kunsthistorisch onderzoek.

Gekke wereld

Het interview vindt plaats op neutraal terrein, en dat is niet voor niets, laat hij weten. De kunstwereld is een gekke wereld. De kunsthándel – en dan moet hij zich even netjes uitdrukken – is slechts gedeeltelijk fatsoenlijk. “Genoeg handelaren en verzamelaars laten geen middel ongemoeid om hun zin te krijgen. Vooral als ze graag erkend willen zien dat een bepaald werk van die en die kunstenaar was. Echtheidsverklaringen gaven we echter nooit, wel meningen, en we documenteerden alles. Het is voorgekomen dat mij een aandeel in een ‘heel speciale Rembrandt’ werd beloofd, een regelrechte poging tot omkoping. Het bleek echter geen Rembrandt, en bovendien niks waard.”

Wat hebt u thuis hangen?
“Daar loop ik dus liever niet mee te koop, vanwege die scheiding tussen werk en privé. Met de waarde heeft het niets te maken; ik mik op een iets minder meesterwerk-niveau, en dan vooral laat-achttiende, eerste helft negentiende-eeuwse portretten. Vooral pastellen, een stuk of twintig. En miniaturen, want op een gegeven moment raken de wanden vol en van die miniaturen kun je er meer kwijt. De gang is er ideaal voor, mijn werkkamer is al grotendeels gevuld met boeken.”

Wanneer is uw interesse voor kunst gewekt?
“Vroeg. Toen ik een jaar of tien was. Maar eigenlijk begon het met interesse in geschiedenis. Wat wellicht meespeelt, is dat ik op de lagere school twee keer langdurig ziek ben geweest. Liggend in bed zat er weinig anders op dan boeken lezen. Ik herinner me zo’n Prismaboekje met de titel Schilderijen zien. Tot die tijd had ik nog nooit een museum vanbinnen bekeken, maar na dat ziekbed sleepte ik mijn ouders mee naar een museum. Jarenlang was ‘Het Puttertje’ van Carel Fabritius uit het Mauritshuis mijn lievelingsschilderij. Waarom? Gewoon, het viel me op, een levensechte afbeelding van zo’n vogeltje.”

U geldt internationaal als een expert op het gebied van de Nederlandse portretkunst. Wat is er zo mooi aan een portret?
“De historische belangstelling speelt een rol. Elk portret is een ontmoeting tussen twee mensen – de schilder en de voorgestelde – en als kijker ben je de derde. Naarmate je er langer mee bezig bent, wordt het leuker, je bouwt kennis op. Je wordt bijna onafscheidelijk van zo’n hobby.”

Hoe ziet dat eruit?
“Tenzij er andere verplichtingen zijn, gaat er geen dag voorbij of ik ben bezig met het voorbereiden van een publicatie over portretkunst. Of ik moet iets uitzoeken. Daarnaast word je op een gegeven moment vanzelf een vraagbaak. ‘Hier heb ik een portret, kun je er iets over zeggen?’ ‘Weet je wie de schilder is, of de voorgestelde?’ Of: ‘Is dit een goed portret?’ Grappig genoeg denk ik vaak: ik heb dit vaker gezien, maar wat was het ook alweer? Dan moet ik gaan graven in die rijstebrijberg in mijn hoofd om het terug te vinden. Soms antwoord ik: ‘Het kan zijn dat ik het me over een uur herinner, maar het kan ook nog een paar jaartjes duren.’ Taxaties hebben we vanuit het RKD principieel nooit gedaan, om niet in de problemen te komen. Je kunt natuurlijk wel tegen een particulier zeggen: ‘Wat vragen ze ervoor? Kijk maar een beetje uit…’”

Voelt het als een puzzel, of een wedstrijd, om alle gegevens van zo’n onbekend kunstwerk te achterhalen?
“Mijn vak is puzzelen, ja.”

En geeft het een kick als u dan eindelijk de benodigde informatie hebt gevonden?
“Dan is het leuk en gaan we gewoon door met het zoeken naar het volgende werk van die kunstenaar. Of we kijken of er nog meer portretten van die voorgestelde persoon zijn, om die eens naast elkaar te houden. Als dezelfde voorgestelde door een andere kunstenaar is geportretteerd, kan-ie er totaal anders uitzien.”

Top 3

Rudi Ekkart houdt niet van lijstjes, tenzij ze om een schilderij zitten. Hij heeft dan ook geen top 3 als het gaat om mooiste portretten. Als hij er toch één uit moet kiezen, noemt hij de Jan Six van Rembrandt. “Ik heb ooit gezegd: als kunsthistoricus schrijf ik niet over Rembrandt, dat doet iedereen al. Onontgonnen terrein vind ik leuker, maar aan Rembrandt ontkom je niet. Waarom ik dit portret zo goed vind? Dat is moeilijk te zeggen van een kunstwerk dat zo knalt. Het is van een dusdanige overtuigingskracht… Meneer Six staat daar tegenover de schilder, maar is zich er niet eens van bewust dat die schilder er is. Hij is gekleed om, vermoedelijk, op jacht te gaan, en… hij stáát daar.”

Ik zal bij een Rembrandt geen tranen met tuiten staan huilen

Ekkart legt zijn hoofd te ruste op zijn hand, de elleboog losjes op de rugleuning. Met zijn andere hand woelt hij even door zijn warrige haar. “Ik kan er bijna niet gedetailleerder over praten, want dan ga ik zwetsen. De totale overtuigingskracht van een persoonlijkheid, al weten we niet of hij die persoonlijkheid had, maar Rembrandt heeft die aan hem verleend. Daarnaast is het werk ontzettend knap opgebouwd; hoe zo’n figuur in de ruimte staat, het evenwicht, dat soort zaken.”

Bent u iemand die door kunst geëmotioneerd kan raken, of gebeurt het meer in uw hoofd?
“Ik denk dat laatste. Ik zal niet bij een schilderij van Rembrandt tranen met tuiten staan huilen. Een ontzettend treffend kinderportret doet me dan weer meer dan een saaie meneer of mevrouw. Een beetje naïef kinderportret kan héél leuk zijn.”

Wanneer is uw kunsthistorisch werk ten einde?
“Ik wil helpen de zaken zo in te richten, dat ik niet meer per se nodig ben; dat ik ook gewoon dood kan gaan, zal ik maar zeggen. Mijn kunsthistorische werk doe ik tegenwoordig in een maatschap met een jongere collega en ik heb haar gezegd: ‘Zodra je de minste tekenen van verval en warrigheid ziet, moet je me waarschuwen.’” Met een twinkeling in zijn ogen: “Die waarschuwing heb ik nog niet gekregen, nee. Ik zit erop te wachten…”

Commissie-Ekkart

Van het ene op het andere moment waren daar begin jaren negentig de krantenkoppen: ‘Nederlandse musea hangen vol met geroofd Joods bezit’. Wat was er gebeurd? De kunst was na de oorlog beland in de Nederlandse Kunstbezit-collectie, oftewel NK-collectie, totdat de rechtmatige eigenaren of hun erfgenamen waren opgespoord. De Nederlandse regering wist niet goed wat te doen met deze krantenberichten, dus besloot ze een commissie in het leven te roepen: de Commissie-Ekkart. Kunsthistoricus Rudi Ekkart werd in 1997 voorzitter van deze commissie. Sinds 2001 zijn honderden objecten uit deze NK-collectie gerestitueerd.

Beeld: Nathalie van der Straten-Folkersma

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons