Bert Wiersema is terminaal ziek én blijmoedig

‘Ik een ijskoude? Welnee: ik ben gewoon niet bang om te sterven’

Bert Wiersema bij schilderij Ruben Timman

“U hebt ongeneeslijke beenmergkanker. Met uitzaaiingen. U zit al in stadium drie.” Dit hoorde jeugdboekenauteur Bert Wiersema (61) in januari 2020. Toch lijkt zijn optimisme onverwoestbaar. “Ik ben al zó vaak door het oog van de naald gekropen, dat mijn gevoel zei: God heeft je het leven - voorlopig - teruggegeven.”

Daar ligt hij, de auteur van meer dan zeventig jeugdboeken. Aangekleed en wel, op een hoog-laagbed in zijn woonkamer in Drachten. Het hoofdeinde van de dikke matras staat schuin omhoog. Ondersteund door een blauw en een wit kussen kan hij wat rechtop zitten.
Door de zware chemokuren is Berts schedel – in zijn eigen woorden – “zo glad als een biljartbal”. Beroerder: fysiek is hij een schaduw van zijn vroegere zelf. Vandaar het drinkglas met vloeibaar astronautenvoedsel op het verrijdbare bijzettafeltje naast hem: om aan te sterken.

Schoenvormige pantoffels

Berts voeten zijn gestoken in zachte, schoenvormige pantoffels. Tegen het bed leunt een wandelstok. Hoewel zijn energietank nagenoeg leeg is, probeert hij elke dag wat te lopen. Voetje voor voetje. “Gisteren heb ik mijn record gehaald,” zegt hij met gepaste trots. “Vier keer vier minuten op de loopband.”
Nog maar vijf dagen geleden kwam hij eindelijk weer thuis, na een opname van acht weken in het ziekenhuis. Dagen gevuld met zware chemo’s en medische onderzoeken. Met daarbovenop een zware darmoperatie, waar hij een stoma aan heeft overgehouden.

‘Het licht ging helemaal uit’

Bert Wiersema staat bij schilderij, Ruben Timman

“Je mag best weten dat bij mij, ook in mijn relatie met de Here God, voor het eerst sinds januari 2020 het licht even helemaal uitging toen ik hoorde dat ik een stoma zou krijgen,” vertelt hij. “Wat is er dan nog van me over? dacht ik. Plat gezegd: een man met een zak stront aan z’n lijf…? Stom, maar zo dacht ik er toen echt even over. Ik wist het niet meer. Bidden lukte niet langer. God leek opeens ver weg. Tot dusver had ik alles rustig kunnen accepteren, maar dit ging mij te ver.”

‘O nee, niet nú!’

De overgave kwam toen hij met meer aandacht dan voorheen de bemoedigende teksten begon te lezen op alle kaartjes die hij van gemeenteleden en anderen ontving om hem een hart onder de riem te steken. “Opeens dacht ik: Bert, jongen, hier moet jij je aan vasthouden. Juist nu. Het heeft wel een week of drie geduurd, maar toen was het: oké, dan maar een stoma.”
Wat de chemo ook allemaal in zijn lichaam heeft kapotgemaakt, Berts gevoel voor humor bleek ertegen bestand. “Inmiddels,” zegt hij met een twinkeling in zijn ogen, “kan ik er zelfs wel het voordeel van inzien. Ik hoef nooit meer naar de wc. En het zal mij dus ook nooit meer overkomen dat ik opeens hoognodig moet en denk: o nee, niet nú!” Hij grinnikt, en neemt nog een slokje van zijn astronautenvoeding.

Je voelt je geliefd, hè?

Buitelend zonlicht

Het is een koude lentemorgen, begin april. Grijze luchten en plotseling uit de hemel buitelend zonlicht wisselen elkaar af boven Drachten. Op de schommelbank buiten ligt natte sneeuw.
De achterdeur moet, ondanks de kou, een beetje open blijven staan. Voor de ventilatie. “Een simpele verkoudheid kan voor mij in deze coronatijd héél nare gevolgen hebben.”

Hij kucht veel, maar is gelukkig niet verkouden. Bert verlangt naar warme voorjaarsdagen. Misschien over een poosje een stukje lopen in de tuin?
Hij gebaart naar alle bossen bloemen die, schuin voor hem, op de grond staan te pronken in felle kleuren, naast twee fruitmanden. “Toen ik vorige week donderdag met mijn vrouw Nelie terugreed uit het ziekenhuis, zei ze: ‘Ik denk dat we komend weekend wel een bos bloemen in huis hebben.’ Niet wetend dat we meteen een complete bloemenwinkel zouden krijgen! Onvoorstelbaar. Dat doet een mens goed. Je voelt je geliefd, hè?”

Dat kinderliedje

“Toen ik vorig jaar januari te horen kreeg dat ik de ziekte van Kahler heb,” vervolgt hij, “reageerde ik: ‘Sorry, wat is dat? Nooit van gehoord.’ Bleek beenmergkanker te zijn. Ongeneeslijk. Met uitzaaiingen. ‘U zit al in het derde stadium, dus het ziet er allemaal zeer somber uit,’ zei de arts. Misschien heel wonderlijk, maar dat kon ik vrij makkelijk accepteren.”
Hij laat zijn kale hoofd eventjes in de kussens zakken. “Weet je welke woorden ik heel vaak in mijn hoofd heb? Dat kinderliedje: ‘’k Stel mijn vertrouwen op de Heer, mijn God’. Dan denk ik: God heeft een plan met mijn leven. En als dit dan bij Zijn plan hoort, dan is dat maar zo. Want ik weet: Hij gaat met me mee.”

Ik kreeg meteen te horen dat ik niet meer van het bed af mocht

Direct aan de bloedverdunners

Om de ziekte te bestrijden, zijn ze vorig jaar direct met allerlei behandelingen begonnen. Daarbij kwam al snel aan het licht wat er allemaal loos is in zijn lichaam.
“Op een gegeven moment werd ik – hier thuis – zo ontzettend benauwd, dat ik naar het ziekenhuis moest. Ik kreeg meteen te horen dat ik niet meer van het bed af mocht: ze waren bang dat ik een embolie had. ‘Ik wil wel geloven dat u benauwd bent,’ zei de arts, toen ze later bij mijn bed kwam. ‘Ik ben gestopt met tellen, maar u hebt wel vijftig of zestig embolieën! Zoiets heb ik nog nooit eerder gezien.’ Mijn luchtpijp was bijna helemaal afgesloten. Ik moest direct aan de bloedverdunners.”

‘Jíj hier?’

Portret Bert Wiersema close Ruben Timman

Een paar weken na zijn ontslag kwam Bert samen met Nelie terug in het ziekenhuis, voor zijn volgende chemobehandeling. Grijnzend: “Nou, je zag het medisch personeel bijna van hun stoel af rollen, zo van: jíj hier? Ze hadden mijn foto’s bekeken en dachten dat ze me nooit meer in levenden lijve terug zouden zien.”
Na zes chemo’s werden Berts stamcellen geoogst. Ze hadden verwacht dat hij daar een week over zou doen, maar na twee dagen hadden ze er al ruim voldoende. “Dus iedereen ontzettend blij. Alleen…” – Berts rechterhand verschuift naar zijn borst – “ik had hier wel een beetje pijn.”

Vier omleidingen

Covers boeken Bert Wiersema
Enkele van de ruim zeventig boeken die Bert Wiersema schreef.

De cardioloog kwam langs, was er niet gerust op en oordeelde dat nader onderzoek nodig was. “Ik moest in het ziekenhuis blijven: een tegenvaller.” De volgende dag onderging hij een kijkoperatie, via zijn lies. Omdat hij in 1999 al eens een hartinfarct had gekregen, dacht Bert: het zal wel iets met mijn hart zijn. “‘Een stent misschien?’ vroeg ik de arts. ‘Eentje?’ was het antwoord. ‘Je hebt er wel twintig nodig!’”
Maar in plaats van stents, kreeg Bert een openhartoperatie, met maar liefst vier omleidingen.

Verspringende beelden

Zijn blik rust even op het digitale fotolijstje aan de muur tegenover hem, waarop steeds verspringende beelden van zijn kleinkinderen te zien zijn.
“Jij hebt vijf jaar geleden onze dochter Klarine (Sikkema, red.) ook geïnterviewd voor Visie, hè? Toen zij ziek werd, heb ik altijd gedacht: als ik maar geen kanker krijg, dat lijkt me verschrikkelijk. Nu heb ik het. Mijn beide ouders hebben een openhartoperatie ondergaan. Toen dacht ik ook: o, als ik dat maar nooit zelf hoef mee te maken. Nu stond ik er zelf voor. Toch kon ik het, net als die diagnose in januari 2020, vrij makkelijk accepteren.”

Geen andere keus

Dat laatste viel zijn arts ook op. Zij kwam de avond voor de operatie bij hem en keek patiënt Wiersema fronsend aan. Of hij wel besefte hoe enorm risicovol de operatie was die ze morgen zou uitvoeren.
“Ze legde me uit dat ze normaal gesproken mensen opereerde die verder lichamelijk sterk waren. ‘Maar u bent doodziek en hebt nauwelijks weerstand. Dus: ik ga u opereren, maar kan niet garanderen dat ik u erdoorheen help. En zelfs áls u er goed doorheen komt, kunnen er naderhand fatale complicaties ontstaan. Het is dus echt zeer kritiek. Tegelijk hebben we geen andere keus: als we deze operatie niet doen, overleeft u de stamceltransplantatie niet.’”

De kleinkinderen waren wóédend

‘Ging nu óók hun opa dood?’

Bert keek haar kalm aan; zelfs zijn hartslag versnelde niet. “Ik zei: ‘Ga maar rustig uw gang. Ik ben gelovig, en niet bang om te sterven. Als ik onder uw handen wegglijd, ga ik naar Huis – dat vind ik heerlijk.’ Diezelfde augustusavond heb ik afscheid genomen van mijn kinderen en kleinkinderen.”
Hij valt stil. “Hoe zal ik het zeggen? De kinderen van Klarine en haar man, Johan, waren wóédend: eerst hadden ze hun moeder al verloren aan kanker, en ging nu óók hun opa dood? Ik zei: ‘Nou, zover is het misschien helemaal nog niet.’”

Bijna een beetje blij

“Ik was zelfs bijna een beetje blij toen ik de volgende dag op de ok kwam, weet je dat? Op de zaal zeiden ze allemaal tegen me: ‘Nou, jij bent ook een ijskoude, zeg.’ ‘Welnee,’ zei ik, ‘ik ben gewoon totaal niet bang om dood te gaan. Dan ga ik naar Huis, naar God.’”

Terwijl het plastic kapje over zijn gezicht werd geschoven voor de narcose, wist Bert: óf ik ontmoet straks Jezus (“met een paar meter achter Hem Klarine”), óf ik kom straks bij op de ic. “En dan zou het ook goed zijn, want dan had God kennelijk nog een taak voor me.”

Zo slap als een dweil

Wiersema en Nelie, proostend, Ruben Timman
Bert en Nelie

Nee, Jezus zag hij niet. Bert kwam een aantal uren later inderdaad weer bij zijn positieven op de ic. Langzaam maar zeker drongen beelden en stemmen tot hem door. “Nou, dacht ik: dan kon het met die complicaties ook weleens meevallen. Want het lijkt me heel raar als God me een paar dagen later alsnog zou laten overlijden aan een paar rottige complicaties… Ik ben al zó vaak door het oog van de naald gekropen, dat mijn gevoel zei: God heeft je het leven – voorlopig – teruggegeven.”

Binnen een dag was Bert van de ic af. Complicaties? Geen. “Maar,” nuanceert hij, “ik moest natuurlijk wel van ver komen na die operatie: ik was zo slap als een dweil. Na een tijdje mocht ik naar huis om te revalideren. En twee maanden later begonnen de nieuwe chemo’s. Ik had er opnieuw geen enkele moeite mee om dat te accepteren. En dat gold ook toen ik acht weken geleden aan de stamceltransplantatie begon. Kijk, ik zie het zo: als je nog tijd van leven krijgt, mag je genieten van je huwelijk – een beter huwelijk dan het onze bestaat niet –, je kinderen en kleinkinderen, van alles wat je nog wél kunt.”

Veel zegeningen

Ondanks alle sores die zijn ziekte met zich meebrengt, ziet Bert dus toch ook nog veel zegeningen? “Enorm. Enorm,” antwoordt hij direct. “Dat maakt het ook veel makkelijker om deze ziekte te dragen. Ook in ‘diepten van ellende’ kan het enorm goed zijn, als je er samen met God en samen met je geliefden doorheen gaat. Dan kan ik zelfs accepteren dat ik dit heb. Omdat ik mijn vertrouwen blijf stellen op de Heer, mijn God.”

Bert, die veertig jaar voor de klas heeft gestaan, hoopt dat hij in ieder geval nog de kracht krijgt om een dagboekje te schrijven waarin hij allerlei geloofsvragen voor kinderen beantwoordt. “Daar heb ik al een beginnetje mee gemaakt. Het was een idee van Nelie, omdat de kinderen, en later de kleinkinderen, altijd met hun geloofsvragen naar mij toe kwamen en ik niets liever deed dan die beantwoorden. ‘Straks,’ zei ze, ‘ben jij er niet meer om hun vragen te beantwoorden.’”

Groot en kleurrijk

Bert Wiersema uitsnede foto Ruben Timman

Boven zijn bed hangt een groot en kleurrijk schilderij: een variant op een beroemd werk van de Russische schilder Kandinsky. Bert heeft het eigenhandig geschilderd. “Het origineel was in feite Kandinsky’s ongeloofsbelijdenis,” legt hij uit. “Hij meende dat het leven zinloos was. Daar wilde ik mijn belijdenis tegenover zetten.”

Bert drukt op de afstandsbediening van zijn bed, dat – luid zoemend – in horizontale stand glijdt. Plat op zijn rug kan hij er beter naar kijken. “Zie je die figuren links onderin? Het zouden twee open handen kunnen zijn, maar ook een baarmoeder: het begin van het leven. En daarnaast zie je een vrolijk gezichtje. Dat staat voor de tijd met de minste zorgen, de jeugd.”

‘Kom nu maar terug’

Zondag 1 Heidelbergse Catechismus enige troost

Hij wijst nog veel meer elementen aan. Zoals trouwringen, de initialen van alle gezinsleden en hun partners, het kruis van Jezus, hun huis, de kerk, een zeis en vallende herfstbladeren. Met helemaal in de hoek opnieuw hand-achtige vormen. “Daarheen ben ik op weg,” benadrukt hij. “Na dit aardse leven val je als gelovige terug in Gods handen, waaruit je bent voortgekomen. Hij zegt als het ware: ‘Je hebt je leven geleefd, kom nu maar terug, bij Mij.’”

Een cynicus zal zeggen: ‘Waar is die God van je nú dan?’
“Dan belijd ik het, met Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus: mijn enige houvast, in leven en in sterven, is dat ik het eigendom ben van Jezus Christus, mijn Redder. Deze wereld ís ook gewoon een rotte wereld. Maar ik geloof Gods Woord, van kaft tot kaft: er zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen. Geen gelovig mens zal straks, alles overziend wat hem of haar in dit tranendal is overkomen, tegen God zeggen: ‘Daar was ik het niet mee eens.’ Ook Bert Wiersema niet.”

Wat is de prognose als het gaat om het verloop van deze ziekte?
Terwijl hij het hoofdeinde van het bed weer overeind laat komen: “Nou… daar heb ik me eerlijk gezegd nog niet heel erg in verdiept, omdat het waarschijnlijk wel een nare zaak zal zijn. Mijn nieren werkten al bijna niet meer omdat ze stampvol kalk zaten; gelukkig hebben ze de nierfunctie – beetje bij beetje – kunnen opkrikken: ik zit nu weer op 65 procent. En ik heb overal op mijn skelet al vlekjes zitten. Die ziekte van Kahler is bezig mijn botten aan te tasten. In mijn rug zitten al wat plekken. Op dit moment staat de ziekte stil, dankzij de stamceltransplantatie en chemo. Maar één ding is zeker: deze vorm van kanker komt altijd terug. De vraag is alleen: hoelang zal dat duren? Bij de een gaat het veel sneller dan bij de ander.”

Verschillende verhalen

Klarine Sikkema.
Klarine Sikkema

Hij kucht weer, drie keer nu, in zijn vuist. “Je hoort heel verschillende verhalen. Iemand mailde me dat hij er al vijftien jaar mee leeft. Maar de prognose is zes tot acht, maximaal. Gelukkig hoef je niet meer, zoals vroeger, gillend van de pijn in je bed te liggen omdat je hele skelet aangevreten is. Tegenwoordig hebben ze goede pijnbestrijding. Ook Klarine is uiteindelijk rustig overleden, op vrijdag 6 oktober 2017. Zonder pijn. Voordat de dokter palliatieve sedatie zou toepassen, heb ik nog uit Openbaring 21 met haar gelezen. Net als bij mijn eigen vader, vlak voor hij overleed. Bij haar de eerste vier verzen, over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.”

Ik heb geen enkele twijfel

‘Helemaal mee eens, papa’

In gedachten ziet Bert het tafereel zo levendig voor zich dat hij – kennelijk onbewust – overschakelt naar de tegenwoordige tijd. “Klarine ligt helemaal plat. Ze draait ineens haar hoofd om, kijkt me recht aan en zegt: ‘Helemaal mee eens, papa. Dat is waar.’ Terwijl ze daarvoor dágenlang helemaal niets had gezegd. Dat is het laatste wat ik van mijn dochter heb gehoord: die geloofsbelijdenis.”

Bert kijkt naar buiten, waar de zon inmiddels de palmen en het andere groen in hun achtertuin doet oplichten. “Ik heb – net als Klarine – in mijn leven én in deze ziekteperiode zo veel van God gezien. Ik heb geen enkele twijfel: als ik uiteindelijk sterf, ga ik naar Huis.”

Beeld: Ruben Timman

Persoonlijk
Bert Wiersema (1959) was twintig jaar actief in het primair en voortgezet onderwijs, en schreef ruim zeventig jeugdboeken. In 1999 won hij de Eigenwijsprijs voor De kluizen van de Titanic, in 2000 voor De ontvoerde professor. In 2005 werd Ontvoerd genomineerd voor de Thea Beckman-prijs. Dit jaar is hij met twee boeken genomineerd voor de Eigenwijsprijs. Bert is getrouwd met Nelie; samen kregen zij vier kinderen en acht kleinkinderen.

Bertwiersema.nl

Video

'Op God vertrouwen als je ziek bent': een kindmoment met Bert Wiersema (12 juli 2020, kerkdienst van Het Noorderlicht in Drachten):

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons