Voormalig chirurg dr. Hilde Westerman over orgaandonatie:

‘Het kan niet zo zijn dat je wel wilt ontvangen, maar niet wilt geven’

Dr. Hilde Westerman over orgaandonatie

Wie in geval van nood zelf een orgaan wil ontvangen, moet ook bereid zijn organen te doneren. Dat stelt voormalig chirurg dr. Hilde Westerman. In 2019 doneerden zij en haar man organen van hun 3-jarig zoontje Huib, na zijn plotselinge overlijden. “We hebben ons leven gekregen om te délen.”

Een paar maanden voor Huib overleed, hadden ze het er aan de keukentafel nog met elkaar over. Wat orgaandonatie precies is. En waarom je daar wel of niet voor zou kiezen. Hilde wist waarover ze sprak. Ze had een twaalfjarige medische studie achter de rug, had gewerkt als chirurg en stond in 2012 op het punt aan een opleiding tot transplantatiechirurg in Londen te beginnen. Ze was uiteindelijk gestopt om er fulltime voor haar gezin te kunnen zijn. Maar orgaandonatie was bekend terrein, en voor haar en haar man Alex was het dan ook geen vraag of ze donor wilden zijn. “Dat we daar vooraf al over nagedacht hadden, hielp enorm op het moment dat de artsen vroegen of we Huibs organen wilden doneren. Want daardoor hoefden we er niet in de emotionele achtbaan van dat moment over na te denken.”

Niemand probeerde ons over te halen

Hartje stuksnijden

Huib overleed na een hart- en ademstilstand als gevolg van astma. Omdat hij nog maar 3 was, was het aantal geschikte organen beperkt. Zijn longen waren te ziek, maar zijn lever, nieren en hoornvlies waren wel geschikt. Hilde: “Het nadeel van het doneren van hoornvlies is dat er bij het uitnemen van de oogbol soms wat bloeduitstortingen in het gezicht ontstaan. Die aanblik wilden we de andere kinderen besparen; zij zouden immers na de transplantatie-operatie nog afscheid van hem nemen. Dus we kozen voor zijn lever en nieren. Huib kon zijn hartkleppen ook doneren, maar ineens dacht ik: ach, dan moeten ze dat hartje stuksnijden. Dat vond ik zo’n akelig idee, dat wilde ik liever niet. Dat besliste ik puur op gevoel. Dat was allemaal prima trouwens, niemand probeerde ons over te halen. Ze zeiden juist: ‘Bij twijfel moet je het niet doen.’ Niemand wil dat je later spijt krijgt. Nu denk ik: waarom hebben we dat hartje niet ook gedoneerd? Dat ligt daar nu in de grond, dat is er al niet eens meer. Daardoor werd voor mij wel duidelijk: als je er van tevoren niet over nadenkt, ga je in je emotie beslissen. En daar krijg je veel vaker spijt van dan wanneer je er van tevoren over nagedacht hebt.”

De Bijbel en orgaandonatie

Hilde betoogde begin vorig jaar in het Reformatorisch Dagblad dat het een geschenk van God is als een christen na zijn dood organen mag afstaan. “God bepaalt het moment en de wijze waarop we sterven,” zo schreef ze. “Daarmee wordt het geven van onze organen niet een opdracht, maar een geschenk.”

Tegelijkertijd weten we vanuit de Bijbel dat ons lichaam niet van onszelf is. Mag je daar dan zomaar in snijden?
“Je lichaam is inderdaad niet van jezelf. Maar we krijgen alles om van te delen. In Psalm 112 staat zelfs dat iemand die veel van Gods wet houdt, ‘strooit’. We hebben ons leven gekregen om te délen, zo veel als kan. Ik zie nergens in de Bijbel dat ons lichaam daarvan uitgezonderd is. Bovendien, juist als je door de dood heen een stuk leven kunt achterlaten in deze wereld, ten goede voor een ander, mag je daarin ten diepste iets van Christus laten zien. Hij geeft ons door Zijn dood heen het eeuwige leven. Ik vind dat juist de extra dimensie die er voor een christen aan zit.”

Jozef in Egypte

“Geeft God dan nergens restricties?” vraagt ze zich hardop af. “Jozef werd in Egypte gebalsemd, dus zijn organen zijn eruit gehaald. Anders ging het lichaam rotten. Paulus op zijn beurt bezoekt de gemeente van Galatië en als hij hun later een brief stuurt, schrijft hij: ‘Ik kwam bij jullie in zwakheid van het lichaam. Als jullie gekund hadden, had je je ogen eruit gehaald en aan mij gegeven.’ Het idee van lichaamsdelen weggeven wordt daar heel positief benaderd. In Psalm 37 wordt iemand die bereid is te ontvangen maar niet om te geven, beschouwd als een goddeloze. Ik zie niet in waarom dat niet voor lichaamsdelen zou gelden. Jezus zelf zegt zelfs: ‘Hak liever je hand eraf, dan dat je dingen doet waardoor je het Koninkrijk niet kunt beërven.’ Blijkbaar is ons lichaam ook weer niet zo opperheilig. En laten we tot slot bedenken dat na de opstanding ons lichaam van een totaal andere orde is; vergelijkbaar met het verschil tussen een bloembol en een bloem.”

Orgaandonatie is een geschenk

Al waakt de voormalig chirurg ervoor te zeggen dat orgaandonatie móét. In de eerste plaats is het een geschenk, want de vraag óf je kunt doneren, hangt af van de omstandigheden waarin je overlijdt. “Maar wie bereid is een orgaan te ontvangen, moet ook bereid zijn om te geven.”

Daar zit de crux: 70 procent van de Nederlanders wil wel een orgaan ontvangen, maar slechts 25 procent wil een orgaan geven.
“Zéker binnen het christelijk geloof is dat ondenkbaar. Het kan níét zo zijn dat je wel wilt ontvangen, maar niet wilt geven. Iedereen die vindt dat orgaandonatie niet mag, moet ook geen orgaan willen ontvangen.”

Er gaan soms stemmen op om iemand die bereid is te geven, hoger op de wachtlijst te zetten als diegene zelf een orgaan nodig heeft. Moeten we die kant op?
Direct: “Nee. Niet vanuit christelijk perspectief. Je geeft zonder iets terug te verwachten. Dat is naar Gods hart. Zo zeggen we evenmin: ‘U hebt uw eigen longen kapotgerookt, dus u zakt op de lijst.’ Die kant moeten we echt niet op.”

Hersendood

De grote steen des aanstoots als het gaat om orgaandonatie is voor veel mensen het fenomeen hersendood. Ze zijn bang dat hun geliefde dan nog leeft, en dat ze geen afscheid kunnen nemen. Hilde begrijpt die angst en benadrukt daarom dat het belangrijk is de communicatie met de artsen helder te houden. “In Huibs geval bleek uit alle testen dat zijn reflexen verslechterden. Op een gegeven moment was voor mijn man en mij duidelijk dat hij in een neerwaartse spiraal zat en zou gaan overlijden. Zolang hij aan de machines lag, was het een blozende jongen. Een paar minuten nadat de machines waren losgekoppeld, stierf hij en hielden we een dood lichaam in onze armen. We konden hem nog ruim vijf minuten vasthouden voor hij naar de operatiekamer ging. Toen hij vervolgens terugkwam, was hij letterlijk lijkbleek. Daar waren we op voorbereid, maar dat blijft altijd een schok. In geval van hersendood gaat iemand met machines en al, dus al ademend, naar de operatiekamer. Als het lichaam dan terugkomt, is de overgang nog groter.”

Het voordeel van deze wet is dat we het allemaal op ons bord krijgen om erover na te denken

Grimassen of zelfs huilen

Ze vervolgt: “Ook al kent ons land de strengste protocollen als het gaat om het vaststellen van hersendood, als familie moet je ervan overtuigd zijn dat iemand echt overleden is. Hij of zij kan nog een reflexbeweging maken, grimassen of zelfs huilen. Het is een belangrijke taak van artsen om duidelijk te maken dat dit niet betekent dat er nog sprake van leven is. Maar dat moet je op zo’n moment wel kunnen accepteren. Als daar slechts de minste twijfel over is, moet je het niet doen. Om die reden hebben mijn man en ik in het donorregister aangegeven dat de familie beslist over onze orgaandonatie. Simpelweg vanwege het feit dat je nooit weet in wat voor situatie je komt te overlijden. Ik vind het heel belangrijk dat je daar als familie zeggenschap over blijft houden. Want zij moeten er na jouw dood wel mee verder leven.”

Stel, je wilt geen organen doneren in het geval van hersendood. Zijn er dan nog andere opties?
“Jazeker! Per jaar overlijden er zo’n 130.000 tot 140.000 mensen. Daarvan kunnen ruim 600 mensen hun organen doneren omdat ze op een ic overlijden. Van die 600 worden er slechts 250 hersendood verklaard, dus dat ‘probleem’ van hersendood is sowieso maar beperkt. En zelfs als je niet op een ic overlijdt, kun je vaak nog weefsels doneren, zoals je huid, botweefsel, pezen of hartkleppen. En vergeet niet: op het formulier kun je zelf aangeven welke organen je wel en niet wilt doneren.”

Zijn er wat jou betreft grenzen als het gaat om orgaantransplantatie?
“Als het echt om identiteitsbepalende organen gaat, zoals eierstokken, kom je in een grijs gebied. Daar zitten medisch en ethisch zo veel haken en ogen aan, dat moet je niet willen.”

Als iemand niets heeft vastgelegd over orgaandonatie en komt te overlijden, wordt het lichaam dan niet in feite gedegradeerd tot staatseigendom?
“In die zin betreur ik inderdaad deze wet, die iemand als donor beschouwt als er niets staat geregistreerd. In de praktijk valt dat natuurlijk wel mee. Maar stel dat iemand overlijdt die geen familie meer heeft. Zeg je dan als arts: ‘Hij staat niet geregistreerd, er is geen familie, dus volgens de wet mogen we zijn organen gebruiken?’ Ik vind dat niet netjes. Dan néém je dus die organen. Dat is diefstal. Het voordeel van deze wet is dat we het allemaal op ons bord krijgen om erover na te denken. Dat kan je beangstigen, omdat je voor je gevoel iets definitief op papier zet over je eigen sterven. Alsof je al een beetje bezig bent met de liturgie voor je eigen uitvaart. Maar je geeft een bereidheid aan, voor als het ooit zover komt. Want het gros van de mensen overlijdt helemaal niet in een situatie waarin orgaandonatie aan de orde is.”

Personalia

Dr. Hilde Westerman-Dannenberg (1976) is voormalig chirurg, getrouwd met Alex en moeder van zes kinderen. Ze is bestuurslid van het wetenschappelijk instituut voor de SGP.

Dit is een sterk ingekorte versie van een interview met Hilde Westerman uit Visie 12 (2021). Meer van dit soort verhalen lezen? Vraag een gratis proefnummer aan

Beeld: Janita Sassen

Geschreven door:

Mirjam Hollebrandse

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons