7 Fabels en feiten over orgaandonatie

Leeft een lichaam nog als orgaandonatie wordt uitgevoerd?

Over orgaandonatie gaan veel verhalen de ronde. Sommige zijn waar, andere niet. Dit zijn zeven stellingen over doneren.

1. De kans is groot dat mijn organen na mijn overlijden gedoneerd worden.

Nee, die kans is niet zo groot. Om orgaandonatie mogelijk te maken, moet er veel kloppen. Zo moet een orgaandonor altijd op de intensive care van een ziekenhuis overlijden en beademd worden door een machine. De organen moeten daarnaast ook geschikt zijn om te transplanteren. En er moet toestemming zijn van de donor of zijn/haar familie.

Conclusie: dit is een fabel. De kans dat je na je overlijden orgaandonor wordt, is een op de tweehonderd.

2. Een lichaam leeft nog als orgaandonatie wordt uitgevoerd.

Ger Lodewick schreef het boek Wat je over orgaandonatie zou moeten weten met daarin de belangrijke noot: ‘Wanneer je organen worden getransplanteerd ben je hersendood, maar níét dood.’ Maar op de website van de Nederlandse Transplantatie Stichting staat dat een orgaan pas wordt verwijderd wanneer een patiënt is overleden. Wat is nu waar?

Volgens Lodewick kun je uit een dood lichaam geen levende organen halen. Als onderbouwing benoemt hij meerdere lichaamsfuncties die nog werken, zoals zweten en plassen. Hoe dit kan? Het lichaam werkt nog, omdát het aan de beademing ligt. Hierdoor komt er nog zuurstof in het lichaam en kan het hart blijven kloppen, waardoor de organen nog een tijd werken. Aangezien de hersenen niet meer werken, is het onmogelijk dat ‘het lichaam’ iets voelt.

Conclusie: de machine houdt het lichaam draaiende, maar of je dit ‘leven’ kunt noemen? Daarover kun je van mening verschillen.

3. Je familie kan geen afscheid van je nemen als je organen/weefsel doneert.

Wanneer de patiënt hersendood is verklaard, heb je als familie ruim de tijd om afscheid van hem of haar te nemen. Tussen het vaststellen van het overlijden en de operatie kan veel tijd zitten, wel vier tot twaalf uur. Totdat de operatie start, heb je tijd om afscheid te nemen.

Maar wanneer iemand overlijdt na het stilvallen van het hart en de bloedsomloop, is deze tijd een stuk korter. Na het moment van overlijden, heb je als familieleden nog vijf minuten totdat je geliefde wordt weggebracht naar de operatiekamer. Dit moment is kort, om ervoor te zorgen dat de organen van de donor ‘goed’ blijven. Na de operatie wordt het lichaam weer teruggebracht naar de intensive care. Daar kan de familie in alle rust afscheid nemen.

Conclusie: dit is niet waar.

4. Je kunt niet zelf beslissen aan wie je na je dood wilt doneren.

In de Nederlandse wet is inderdaad vastgelegd dat je hierin geen keuze hebt. In ons land heeft iedereen recht op dezelfde gezondheidszorg. Een orgaan of het weefsel gaat daarom naar de patiënt op de wachtlijst die dit het meest dringend nodig heeft. Een nier of een deel van je lever kun je bij leven afstaan. Dan mag je wel beslissen wie het orgaan ontvangt.

Conclusie: dit klopt.

5. Als je donor bent, doen artsen minder goed hun best.

Wanneer duidelijk is dat een patiënt gaat overlijden, onderzoekt een arts of hij/zij donor is. Dit gebeurt enkele uren voordat de patiënt overlijdt. Wanneer iemand nog een overlevingskans heeft, is bij de arts nog niet bekend of de patiënt donor is. Zo kan een arts nooit beïnvloed worden door deze informatie.

Conclusie? Dit is onzin.

6. Naast een orgaan krijg je ook een stukje persoonlijkheid van je donor.

Over deze stelling verschillen de meningen nogal. Waar de een zegt: ‘Onzin, in een orgaan zitten geen persoonlijkheidseigenschappen’, ziet de ander daar wel waarheid in. Zo hoorde de Amerikaanse psycholoog Paul Pearsall veel bijzondere verhalen van mensen die ingrijpende persoonlijkheidsveranderingen ondergingen na een harttransplantatie. Hij schreef er het boek Het geheugen van het hart over, waarin hij 73 verhalen optekende.

In interviews vertelden mensen over veranderingen die ze waarnamen na de operatie. Denk hierbij aan: verandering in voedsel-, muziek- of carrièrevoorkeuren. Dit onderzoek geeft volgens Pearsall aan dat het mogelijk is dat mensen een cellulair geheugen hebben. Dit zou betekenen dat niet alleen onze hersenen een geheugen hebben, maar cellen door ons hele lichaam. 

Conclusie? Wetenschappelijk bewijs dat we als mens een cellulair geheugen hebben, is er tot nu toe (nog) niet. Er zijn een paar andere theorieën die de verandering van persoonlijkheden kunnen verklaren, waaronder de medicatie-theorie. Na de ontvangst van een orgaan krijgen patiënten medicatie. Deze medicatie, in combinatie met de stress die de patiënt ervaart door de operatie, kan ervoor zorgen dat de veranderingen optreden of dat de patiënt zich deze veranderingen inbeeldt.

7. Er wachten nog 1257 mensen op een orgaan.

Dat klopt en hoe dit eruitziet, ziet u in het nieuwe 6-delige EO-programma De 100: wachten op een donor, vanaf maandag 29 maart om 21.30 uur op NPO 1.

Beeld: Gerdien van Delft
Headerafbeelding: ANP

Geschreven door:

Elsina Neutel

Redacteur

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons