‘In de kerk mogen we nu niet zingen, maar wél gebaren'

Kees en Corina zijn doof

Ben je liever doof of horend? Voor de meeste mensen is het antwoord op die vraag niet zo moeilijk. Kees Burggraaf twijfelt. Hij is al zijn leven lang doof, en getrouwd met Corina, die ook doof is. “Kunnen horen is misschien makkelijker, maar ik denk dat ik gewoon doof zou willen blijven.”

Terwijl Kees (51) de voordeur openzwaait, maakt hij een uitnodigend gebaar. Bij de kapstok in de hal maak ik uit een paar klanken en gebaren op dat hij vraagt of ik de auto goed kwijt kon in de straat. Hij gaat me voor naar de woonkamer, waar zijn vrouw Corina (48) en dochter Jisca (12) me opwachten. Terwijl de koffie en thee staan te dampen op tafel, maak ik kennis met de tolk Gebarentaal, die speciaal voor dit gesprek is ingevlogen.

Implantaat

Hoewel Kees geluiden hoort, verstaat hij niets. Hij bedient zich daarom net als de anderen in het gezin van Gebarentaal. “Ik weet niet beter,” zegt hij. “Misschien mis ik wel geluid, maar ergens weet ik natuurlijk niet wát ik mis. In een horende maatschappij is het makkelijker als je kunt horen, en daarom kiezen sommige doven voor een cochleair implantaat. Maar ik ken ook mensen die ’m dan na verloop van tijd toch weer afdoen, omdat ze het geluid niet prettig vinden.”

Fervent muziekliefhebber

Terwijl Kees de enige dove is in zijn familie – alleen zijn broer is slechthorend – komt Corina juist uit een dove familie. Zowel haar ouders als haar grootouders en ooms en tantes van vaders kant zijn doof. Zelf is ze geboren met één doof en één goed oor, maar al in haar jonge jaren werd haar gehoor steeds slechter. Sinds haar 9e draagt ze een hoortoestel. “Ik herinner me dat ik in mijn puberteit het verschil tussen talen niet meer kon verstaan. Als we op vakantie in het buitenland waren, moest ik vragen welke taal er werd gesproken. Pas als ik dat wist, kon ik het thuisbrengen.” Ook Stefan (16), de tweede zoon van Kees en Corina, is doof aan één kant. Hij komt er halverwege het gesprek bij zitten en vertelt dat zijn andere oor langzaam achteruitgaat. Niettemin is hij een fervent muziekliefhebber. Hij speelt regelmatig op de gitaar en het keyboard die in de woonkamer staan en op zijn kamer heeft hij nog een drumstel. Vinden jullie het erg dat jullie Stefans muziek niet kunnen horen? Corina: “Ik zíé hoe hij speelt en hoe hij geniet. Dan geniet ik mee. Ik zie zijn gezicht, zijn lichaamstaal; dat is voor mij genoeg.”

Kees knikt. “De uitstraling is inderdaad fantastisch.” Corina vult aan: “Muziek is niet alleen een kwestie van goed kunnen horen, maar het is ook een gevoel voor ritme, voor melodie. Mensen zeggen vaak dat ik liedjes en ritme goed in gebaren kan vangen. Blijkbaar heb ik een muzikaal gevoel.” Toch is luisteren naar muziek voor Corina een uitdaging. Soms vallen er tonen tussenuit, of hoort ze bepaalde instrumenten niet.

Ik heb eigenlijk nooit horend willen zijn

Thomas de Trein

“Voor mij is zien belangrijker dan horen,” zegt ze even later. “Ik ben erg gefocust op iemands gezicht, om te zíén wat diegene zegt. Het horen van klanken helpt wel om dingen beter te begrijpen, maar ik moet het toch van het zien hebben. Ik herken dat ook bij Stefan. Toen onze oudste zoon Timo klein was, was hij dol op Thomas de Trein. Stefan vond er juist niets aan. Logisch, want er zit geen expressie in – er wordt alleen maar gesproken – dus daar kon hij niets mee.” Vind je het moeilijk dat je je gehoor aan het kwijtraken bent? “Als ik terugkijk, heb ik eigenlijk nooit horend willen zijn. Dat komt doordat ik in een dovenfamilie ben opgegroeid. Maar omdat ik niet doof en niet horend was, viel ik tussen twee werelden. Waarom ben ik niet gewoon doof? dacht ik soms. Dan was het tenminste duidelijk. Ik heb moeten leren mijn identiteit als dove te vinden en mij te bewegen in de horende wereld. Dat is wel een zoektocht geweest.”

Gebarentaal en liplezen

Voor Kees is dat anders. Hij komt uit een horende familie en communiceerde alleen met zijn broer in Gebarentaal. Verder ging alles via liplezen. “Ik miste dus best veel. Doordeweeks ging ik naar een dovenschool, daar leerde ik Gebarentaal.” Kees werkt bij een bedrijf waar houten mallen voor de betonindustrie gemaakt worden. Hij kan zich daar goed redden, al volgt hij maar weinig gesprekken. “Niemand kent daar Gebarentaal, dus ik ben afhankelijk van liplezen. Met de ene collega gaat dat beter dan met de andere.” Hij lacht: “In de pauzes bemoei ik me niet met de gesprekken. Als er echt iets belangrijks is, zeggen ze het wel.” Houden mensen genoeg rekening met je? “Niet altijd. Sommigen schrikken als ze merken dat ik doof ben en lopen meteen weg. Anderen hebben wat meer begrip en doen hun best. Ook al beheers je de Gebarentaal niet, als je gewoon duidelijk en rustig praat, komt het meestal wel goed. En als je het écht lastig vindt, zet het dan op papier. Maar behandel mij gewoon als alle anderen. Ik ben een normaal mens.”

Mondkapjes

In coronatijd zijn voor Kees en Corina vooral de mondkapjes een hindernis. Liplezen gaat niet meer, en niet iedereen is bereid zijn of haar mondkapje even opzij te doen. Corina: “Sommige mensen worden boos als ik ze niet begrijp. Zij doen geen enkele moeite om het je makkelijker te maken. Dat is vervelend. Al gaat het gelukkig vaak goed, hoor,” relativeert ze.

Ik vind het juist leuk dat wij hier via gebaren met elkaar praten

‘Wat praat jouw vader raar’

Hoe is het voor Stefan en Jisca dat hun ouders doof zijn, en dat ze steeds in Gebarentaal moeten communiceren? “Vrienden vinden de gebaren grappig en vragen wat ik zeg,” lacht Stefan. Jisca vult aan: “Vaak vragen klasgenoten op school hoe je iets in Gebarentaal zegt. Soms is het leuk om dat uit te leggen, maar ik heb er niet altijd zin in.” Ze denkt er weleens over na hoe het zou zijn als ze horende ouders had gehad. “Ik vind het juist leuk dat wij hier in gebaren met elkaar praten.” Corina herinnert zich een anekdote uit de tijd dat de kinderen nog klein waren. “Timo was een jaar of 5 toen hij eens een vriendinnetje te spelen had. Toen Kees thuiskwam uit zijn werk, zei dat meisje: ‘Wat praat jouw vader raar.’ ‘O,’ zei Timo toen, ‘die is doof, dan moet je gewoon gebaren.’ En hij ging weer verder met spelen. Toen dacht ik: dat is inderdaad hoe het hier werkt: gewoon gebaren, klaar. Niets bijzonders.” In de stilte spreekt God, wordt vaak gezegd. Is stilte voor jullie makkelijker te beleven? Corina: “Niet per se. Ook wij moeten de stilte opzoeken, al is die voor ons anders dan voor horenden. Voor ons komt het ‘geluid’ binnen via onze ogen. Als wij veel beweging en prikkels om ons heen hebben, is het voor ons ook niet stil. Dus wij zijn soms vooral op zoek naar visuele stilte.”

Knokken voor een plekje

De familie Burggraaf is kerkelijk betrokken bij de baptistengemeente in Amersfoort, waar ze zich thuis voelen. Corina werd tot haar eigen verrassing een paar jaar geleden zelfs als diaken gevraagd. Iedere zondag is er een tolk aanwezig, en zelfs voor doordeweekse activiteiten kunnen Kees en Corina – en de twee andere dove leden die de gemeente telt – een gebarentolk regelen. “Daar hebben we lang voor moeten knokken,” zegt Corina, “maar we ervaren het ook als zegen en leiding van Boven. Het maakt dat we echt zijn opgenomen in de gemeente. We merken dat ook tijdens de online-diensten: de tolk staat standaard in beeld en soms zeggen horende gemeenteleden zelfs: ‘Wat een fijne tolk vandaag!’ Het is zo mooi dat wij in de gemeente niet als ‘die doven’ worden gezien, maar dat we echt samen gemeente zijn. Dat is in andere kerken soms anders.” Ze vervolgt: “Horenden mogen nu niet zingen. Maar ik mag wél gebaren.” Lachend: “Zij kijken weleens een beetje jaloers naar mij, omdat ik mag ‘zingen’. Vaak gaan ze mee gebaren. Dat geeft zoveel meer betekenis aan de inhoud van een lied, en zo zijn we betekenisvol voor elkaar.”

Durf te zeggen: 'Schrijf het even op’

Koffiemoment na de dienst

Naast haar werk in het onderwijs aan dove en slechthorende kinderen is Corina als vrijwilliger betrokken bij Deaf Christian Fellowship Nederland. Deze organisatie wil doven bij elkaar brengen om ervaringen te delen en hen te bemoedigen. “In een kerk met allemaal horenden ben je in de minderheid, of zelfs helemaal alleen. Wij bieden de mogelijkheid elkaar te ontmoeten en het geloof te delen in de taal en cultuur van doven.” Heb je tips voor hoe horenden met dove gemeenteleden om kunnen gaan? “Ga in gesprek, leer ze kennen. Wie zijn het? Wat is Gods weg met hen? Het is zo waardevol om dat te ontdekken. Het koffiemoment na de dienst is vaak geen goed moment daarvoor. Dan is het alleen maar frustrerend als je elkaar niet begrijpt. Maak eens een afspraak voor een zondagmiddag. Dan heb je de rust en de tijd om te vragen wat de ander bedoelt. En durf te zeggen: ‘Ik versta het echt niet, schrijf het even op.’ Toen wij nog niet zo lang in de gemeente waren, probeerde een vrouw een gesprek aan te gaan met Kees. Later die week mailde ze: ‘Sorry, ik vond het zo lastig om je te verstaan. Ik heb het echt geprobeerd, maar het lukte me niet.’ Die openheid en eerlijkheid was voor ons genoeg.”

Beeld: Willem Jan de Bruin

Geschreven door:

Mirjam Hollebrandse

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons