‘Ik was heel jaloers op niet-kerkelijke vriendjes’

Andries Knevel blikt terug op zijn geloofsweg

Andries Knevel (2021) bij een bakstenen muur, foto Ruben Timman

In zijn kleuterjaren wilde Andries Knevel tramconducteur worden, rond zijn 12e tegelzetter. Maar na de middelbare school koos hij voor de studie economie, die hem bijzonder boeide. Toch zette hij er plotseling een punt achter. “In collegezaal 4A00 van de VU werd ik – totaal onverwacht – overvallen door de grote levensvragen.”

Zijn eerste herinnering als het om het geloof gaat? Andries – we ontmoeten elkaar bij hem thuis, in Huizen – zakt onderuit in zijn fauteuil en denkt na. “Bidden. In mijn kinderbedje. Wat ik bad?” Andries roept over zijn schouder: “Ben je er nog?” Maar echtgenote Rietje is, nadat ze koffie heeft neergezet, al naar boven verdwenen. “Ah, ik weet het weer: ‘Ik ga slapen, ik ben moe.’ Mijn moeder zong het voor, en ik zong het na. Ik vraag me overigens wel af of ik alles begreep wat ik zong. ‘Het boze dat ik heb gedaan…’?”

Steeds zieker

Kinderfoto Andries Knevel
Andries in zijn jonge jaren.

Als oudste van drie kinderen groeide Andries (68) op in een positief-christelijk gezin in Bussum. Zijn vader werkte daar als gemeenteambtenaar, zijn moeder was huisvrouw.
“Mijn vader was ziek en dat heeft ons gezinsleven enorm beïnvloed. Al voor mijn geboorte had hij allerlei klachten. Maar die konden ze destijds nog niet goed thuisbrengen. Pas in de jaren zestig is de diagnose gesteld: MS.
Dus ik ben opgegroeid in een gezin met een zieker wordende vader, die steeds minder kon. Waardoor ik als oudste zoon, in een onbewust proces, voor een deel de vaderrol op me heb genomen.”

Is het wel voor mij?

“Ons gezin kun je typeren als gemoedelijk-bevindelijk, aan de rechterflank van de Christelijke Gereformeerde Kerken,” vervolgt hij. “We zaten tegen de meest behoudende stroming – Bewaar het Pand – aan, waar familie van mijn vaders kant toe behoorde.”

Hoe zou je de geloofsopvoeding van jouw ouders typeren?
“Warm. Bevindelijk. Persoonlijk. Sterk betrokken op de maatschappij. Maar ook worstelend met ‘de toe-eigening des heils’: is het wel voor mij?”

Had die worsteling met de prediking te maken, of meer met hun eigen opvoeding?
“De prediking was ruimer dan hun theologische context. Mijn vader kwam uit een ‘zwaarder’ milieu dan mijn moeder. Zijn familie was erg met die toe-eigening van het heil bezig. Daar gingen de gesprekken veel over, bij de koffie. Mijn vader is nooit aan het avondmaal geweest, ook niet toen dat fysiek nog kon.”

De geestelijke lat lag hoog?
Andries hijst z’n sokken op. “Zeer hoog. Die worsteling – ‘Is het heil wel voor mij?’; ‘Bedrieg ik mezelf niet voor de eeuwigheid?’ – stempelde het geloof van mijn ouders.”

Ging je moeder wel aan het avondmaal?
“Een enkele keer. Als ze héél veel vrijmoedigheid had. Bij beiden was het een worsteling; dat heb ik met eigen ogen gezien. Zonder dat het als een zwaar deken op het gezin drukte, of zo. We waren een open, betrokken en warm gezin. Ik heb er geen enkele frustratie aan overgehouden.”

Ging je als kind graag naar de kerk?
Andries verslikt zich bijna in z’n koffie. “Helemaal niet! Ik voelde me er totaal niet thuis en vond er niks aan. Sáái! ’s Morgens eerst anderhalf uur kerk – alle vakjes in de glas-in-loodramen heb ik eindeloos vaak geteld – en direct erna nog drie kwartier zondagsschool. En ’s avonds weer naar de kerk. Ik was heel jaloers op mijn niet-kerkelijke vriendjes en vriendinnetjes. Voor hen was de zondag een feestdag, voor mij allesbehalve. Daarbij komt dat wij best streng zijn opgevoed als het gaat om wat ik, met een knipoog, de sabbatsrust noem. Fietsen of voetballen of zondag? Dat deed je niet op de dag des HEEREN.”

Afgehaakt

Thuis, in de kerk en op de School met den Bijbel was Andries’ leven als het ware helemaal gestoffeerd met het geloof. “Maar ik ben langzamerhand afgehaakt, kun je wel zeggen. Ik heb het geloof geleidelijk afgedaan, als een jas. Niet met protest à la Maarten ’t Hart. Het deed me gewoon niets. Al ging ik nog wel mee naar de kerk.”

Vanwege je ouders?
“Inderdaad. Zij waren op een buitengewoon moeilijk punt in hun leven beland. Mijn vader werd steeds hulpbehoevender, en ik moest mijn moeder met van alles en nog wat ondersteunen. Zij, mijn broer en ik hebben mijn vader alle drie eindeloos vaak op onze rug naar boven gedragen, toen hijzelf niets meer kon. Mijn ouders vertellen dat ik niet meer naar de kerk wilde gaan? Dat zouden ze niet aankunnen. Maar ze zagen wel dat ik mijn jas aan het uittrekken was.”

Ik heb het geloof geleidelijk afgedaan, als een jas

Onverwachte bliksemflits

In de herfst van 1971 zat hij als economiestudent in de collegebanken van de Vrije Universiteit in Amsterdam: hij wilde het bedrijfsleven in, of de politiek.
Terwijl zijn medestudenten aandachtig naar de docent luisterden en ijverig aantekeningen maakten, klopten er ‘zomaar’ grote levensvragen op de Andries’ deur.
“Dat vergeet ik nooit; het gebeurde in collegezaal 4A00.” Met een vlakke hand op zijn borst: “Als een onverwachtse bliksemflits sloegen die grote levensvragen bij me binnen. Wat doe ik hier? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naartoe? Wat is de zin van mijn bestaan? Geen originele vragen, maar ik had er domweg nooit over nagedacht. Dat was zo’n heftige, emotionele ervaring; een plotselinge bekering. Ik ben voor het eerst echt de Bijbel gaan doorspitten, soms tot diep in de nacht, en kon er geen genoeg van krijgen.” Lachend: “De brieven van Paulus… Ik dacht: man, waarom heb je er zo weinig geschreven? Geef me méér!”

Man, waarom heb je er zo weinig geschreven?

Vacature in Visie

Na die wonderlijke ervaring nam Andries een opmerkelijk besluit: hij switchte naar de studie theologie. “Ik vertelde mijn ouders dat ik predikant wilde worden. Mijn vader reageerde gereserveerd. Zo van: predikant? Nou, daar moet je wel een héél duidelijke roeping voor hebben. Terwijl mijn moeder me altijd heeft aangemoedigd. De studie zelf vond ik geweldig. Zou ik zo weer overdoen, als ik de keuze kreeg. Ik zou in een nanoseconde ja zeggen.”

Je preekt meestal één keer per zondag, maar bent nooit predikant geworden.
Hij haalt een hand door zijn ‘harde lockdown’-kuif en reageert: “Nee. Ik wist mij geroepen theologie te gaan studeren. Maar riep God me óók predikant te worden? Daar heb ik mee geworsteld, en uiteindelijk geconcludeerd dat ik die roeping niet had. Dus koos ik voor het onderwijs en heb drie jaar als docent godsdienst en maatschappijleer in Ridderkerk gewerkt. Tot ik in 1978 een vacature in Visie zag die mijn aandacht trok, en ik als freelanceverslaggever voor Tijdsein Radio bij de EO begon.” De rest is geschiedenis.

Net getrouwd

Uitsnede kinderfoto Andries Knevel

Andries’ vader was al met al vijftig jaar ziek voordat hij – na een longontsteking – aan zijn slopende spierziekte overleed. Zijn moeder, die zichzelf helemaal aan de zorg voor haar man had gewijd, wilde na zijn overlijden aanvankelijk nog van alles ondernemen, maar was lichamelijk vaak te zwak. De laatste paar jaar van haar leven kon ze alleen nog op bed liggen.
Over het overlijden van zijn ouders praat Andries makkelijker dan over het sterven van zijn enige zus, Jantine. Zij overleed op 35-jarige leeftijd aan kanker. “Mijn ouders hebben, ondanks die ziekte van mijn vader, een gezegende leeftijd bereikt; zij hadden een ontzettend goed huwelijk. Ze worstelden met de toe-eigening van het heil, maar niet met het zware leven dat zij leidden. Ook niet met het feit dat hun gebeden om genezing van hun dochter niet zijn verhoord.”

Heeft haar overlijden jouw eigen geloofsleven geen enorme knauw gegeven? “Nee. Had gekund, zeker. We hebben natuurlijk vreselijk veel gebeden om haar genezing. Ze heeft ook jarenlang voor mijn ouders gezorgd, en is laat getrouwd. Dat ze hun enige dochter verloren, was voor mijn ouders een dubbele klap. Heel traumatisch. Ze stond, net getrouwd, op de drempel van een nieuwe tijd. Net toen het leven haar om zo te zeggen eindelijk toelachte, kwam die grote klap: kanker. Erover praten, vind ik nog steeds lastig. Het is een diepe, schrijnende wond.”

'Waarom zweeg God in Auschwitz?'

Wat is voor jezelf de lastigste geloofsvraag?
Vrijwel direct: “Waarom zweeg God in Auschwitz? Ik ben er geweest, vorig jaar. Op die vraag had ik wel theologische antwoorden, maar soms houden antwoorden het gewoon niet. Ik doordenk allerlei vragen, met vreugde, en heb heel veel antwoorden. Maar soms vallen die om. Auschwitz, als metafoor voor de Holocaust, is – theologisch en persoonlijk – voor mij een groter vraagstuk dan het lijden van een enkeling. Vanwege de onvoorstelbare massaliteit van dat lijden.”

Wat heb je jullie kinderen willen meegeven?
“Datzelfde warme, persoonlijke geloof dat ik thuis heb meegekregen. En een ontzag voor de heilige God.”

‘De vreze des Heeren.’
“Mooie term, hè? Daar zit – in het Hebreeuws – ontzag in, maar zeker ook iets van nabijheid. En wat ik mijn kinderen niet heb mee willen geven, is die worsteling rond de toe-eigening van het heil.”

Waarom zeg je dat laatste?
“Omdat je – in het geloof – Christus eerder mag omarmen dan pas na een jarenlange worsteling.”

Waar loopt jouw geloofsreis op uit?
Andries haalt diep adem. “Ik hóóp dat ik het geloof mag behouden. Anders geformuleerd: ik hoop dat God mij blijft vasthouden. En dat ik, als ik tijd van leven krijg, aan nieuwere generaties mag doorgeven wat ik de afgelopen veertig jaar geestelijk heb mogen ontdekken. En dat ik zo uiteindelijk Hem mag ontmoeten.”

Dan krijg je misschien alsnog antwoord op onbeantwoorde vragen?
“Weet je wat Rikkert daarover zei? ‘Als ik bij Hem kom? Plat op de aarde, met m’n gezicht op de grond, in aanbidding. Dan heb ik helemaal niks meer te vragen.’” Peinzend, een glimlach in de ogen: “Ik denk dat ik straks ook Rikkerts positie zal innemen – plat op de grond.”

Dit interview verscheen in Visie nr. 6, 2021. Meer van dit soort verhalen lezen? Vraag vrijblijvend een gratis proefnummer aan!

Beeld: Ruben Timman

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons