Schrijfster Marianne Grandia over haar geloofsopvoeding:

‘Ik vond het vreselijk dat ik zo veel Bijbelteksten uit m’n hoofd moest leren'

‘Zoek Jezus veel, zoek Jezus vroeg, wie Jezus heeft, die heeft genoeg.’ Dat versje komt meteen boven als schrijfster Marianne Grandia aan haar geloofsopvoeding denkt. “Mijn moeder schreef het in mijn poesiealbum, en het was typerend voor het doorleefde geloof van mijn ouders. Toen zij stierven, wist ik: we missen twee gebedsstrijders.”

Het laatste wat Marianne wil, is schoppen tegen het kerkelijk milieu waarin ze opgroeide, de rechterflank van de gereformeerde gezindte. Want ze heeft er veel geleerd, zegt ze. “Als tiener vond ik het vreselijk dat ik zo veel Bijbelteksten uit m’n hoofd moest leren. Nu denk ik: wat een zegen is dat geweest! Op momenten dat je je Bijbel dicht hebt, fluistert de heilige Geest je via je geheugen weer dingen in.”

Hoedje op in de kerk

Marianne groeide op als jongste van zes kinderen, en voelde zich jarenlang een buitenbeentje. Op de diverse basisscholen waar ze zat – haar ouders verhuisden vaak – was ze een van de weinige kinderen die een reformatorische opvoeding kreeg. “Ik heb me vaak eenzaam gevoeld. Vond het lastig dat ik dingen niet mocht die anderen wel mochten. En dat ik dingen móést. Mijn vader was een schat van een man, maar gedisciplineerd tot in detail. Ik moest een hoedje op in de kerk, en dat dan ophouden tot we thuis waren. Vréselijk vond ik dat; ik voelde me zo lopen op straat.”

Ik heb mezelf onmogelijk gedragen

‘Ik werd een stiekemerd'

“Als ik terugkijk,” zegt Marianne, “vind ik dat ik mezelf als tiener onmogelijk heb gedragen. Ik was ontzettend recalcitrant. Tegelijkertijd hield ik veel van mijn ouders, waardoor ik in een spagaat zat. Want ik wilde me niet aan hun regels houden, maar ze ook geen pijn doen. Dus werd ik een stiekemerd. Ik mocht geen lange broek aan, maar op de hoek van de straat trok ik die alsnog aan. Dat ik mijn ouders zo heb voorgelogen, heeft me heel lang dwarsgezeten.” Marianne ging elke zondag mee naar de kerk, zij het onder protest. Naast haar ouders zitten, wilde ze niet, dus zat ze met vriendinnen op de galerij – te klieren. “De kerkgang kon me gestolen worden. Regelmatig onderbrak de dominee zijn preek en zei waarschuwend: ‘Die jongeren daar, op de achterste rij…’ Thuis vroeg mijn vader dan: ‘Daar zat jij toch niet bij, hè?’”

Dagboeken van moeder

Mariannes vader was godsdienstleraar op de middelbare school waar zij zat. Hij was een man die iedereen het behoud gunde, maar had niet de gave met pubers om te gaan. “Hij werd vreselijk gepest op school. Ik werd door klasgenoten uitgedaagd bij mijn vader in de klas te gaan klieren, om te laten zien dat ik niet het lievelingetje van papa was. Dus dat deed ik. Mijn vader vroeg vervolgens thuis in tranen aan mij: ‘Waarom deed je dat?’ Dat vond ik zó erg! Maar op school wilde ik laten zien hoe stoer ik was.”

Hoe zou je het leven in je ouderlijk huis omschrijven?
“Doortrokken van het geloof, warm, hartelijk en gastvrij. Maar ook heel strikt. Geen tv was geen tv. Dus ook niet op Koninginnedag bij de buren kijken. Mijn vader droeg altijd een donkergrijs of donkerblauw driedelig pak; ik zie hem nóg zitten. Ik kan me niet eens voorstellen hoe hij er in een spijkerbroek en trui uitgezien zou hebben.” Na een korte stilte: “Toen mijn moeder overleed, heb ik een aantal dagboeken van haar gevonden, die ik met een zekere schroom heb gelezen. In alles wat ze schrijft, proef ik het verlangen dat het ons goed gaat en dat onze ziel niet geschaad wordt. Daarin voel ik me bevoorrecht.”

Angst voor de hel

Er was nog iets waar Marianne in haar jonge jaren mee worstelde: angst voor God, de hel en het oordeel. Ze herinnert zich hoe ze als 8-jarig meisje op een nacht lag te huilen, omdat ze zo bang was. Haar vader zei: ‘Dan moet je maar veel om een nieuw hartje bidden.’ “Dat was heel lief natuurlijk, maar ik kon er als kind niets mee.” Ook in haar jongvolwassen jaren droomde ze vaak dat ze voor een deur stond te kloppen, maar dat er niet werd opengedaan. En dat ze voor God verscheen, maar dat Hij zei: ‘Ik heb je niet gekend.’ “De preken die ik me herinner, zijn die van weinig genade en veel versmalling. Behouden worden voelde als iets onbereikbaars, het was maar een klein groepje dat uitverkoren was. En toch wil ik over dat kerkelijk milieu niet zomaar zeggen: het was allemaal fout. Ik heb er bijvoorbeeld veel meegekregen van de heiligheid van God. Al heb ik die heiligheid later juist als iets heel moois leren ervaren; niet meer als iets waardoor de toegang tot Hem versperd is.”

Tranen in zijn ogen

Als puber ging Marianne graag haar eigen gang en koos ze haar eigen vrienden. Haar ouders maakten zich erg zorgen over het huwelijk dat ze aanging en dat na zeventien jaar stukliep. De schaamte bij Marianne was groot en ze veroordeelde zichzelf. Ze vroeg zich oprecht af of haar ouders nog van haar hielden. “Op een dag vroeg ik aan mijn vader: ‘Pap, kunt u nog van me houden, nu ik gescheiden ben?’ Toen zei hij, met tranen in zijn ogen: ‘Kind, God haat de zonde, maar Hij heeft de zondaar lief.’ Dat was zo’n cadeau! Dit antwoord van mijn vader weerspiegelde ook de genade van God, al zag ik dat pas later.”

Het beeld van mijn geknielde ouders staat vers op mijn netvlies

Ingebeelde hemel

Jaren later vond er een ommekeer in het leven van Marianne plaats. Na een heel diep dal en een periode vol foute keuzes, leerde ze leven uit genade en ontdekte ze dat ze veilig was bij God. Al blijft de angst van vroeger haar zwakke plek. Vooral op momenten dat ze niet lekker in haar vel zit of zich lichamelijk beroerd voelt, hoort ze dat stemmetje weer: ‘Weet je het wel zeker?’ Tot een aantal jaar geleden schoot ze soms zelfs midden in de nacht overeind, bang dat Gods redding tóch niet voor haar was. “Een van de waarschuwingen in de kerk van mijn jeugd was dat je met een ingebeelde hemel de hel in ging. Met andere woorden: je kon wel denken dat je gered was, maar dan wás je het nog niet. Het enige wat helpt als ik daar weer op gepakt word, is mijn Bijbel openslaan en mijn gevoel en die stemmen ondergeschikt maken aan Gods waarheid.”

Wat heb je zelf aan je kinderen doorgegeven als het gaat om geloven?
“Zeventien jaar geleden ben ik hertrouwd en mijn man en ik hebben vier kinderen, die inmiddels allemaal het huis uit zijn. Ik hoop dat ik iets heb mogen doorgeven van een God die dichtbij is. Juist ook in het kleine van het dagelijks leven. Verder hoop ik dat ze zich geliefd weten, door mij en door God. Mijn man en ik bidden dagelijks dat God hen met koorden van liefde dicht naar zich toe trekt.”

Welke herinnering staat bovenaan als je aan het geloof van je ouders denkt?
Direct: “Het beeld van mijn geknielde, biddende ouders staat vers op mijn netvlies. Mijn moeder lag meestal voor haar bed geknield, mijn vader voor de stoel in de studeerkamer. Meerdere malen per dag. Ook al waren ze erg streng en – destijds in mijn ogen – bekrompen, ze waren wel heel integer. Ik zou het woord bekrompen niet meer gebruiken, trouwens. Ze wilden alleen maar het beste voor hun kind. Als ik denk aan hoe ik uiteindelijk God heb leren kennen als mijn Vader, kon dat weleens voor 95 procent de uitwerking van hun gebed zijn geweest.”

Heb je later met je ouders gesprekken over je verandering gehad?
“Niet veel, omdat ik merkte dat dit lastig voor hen was. Toch komt ons geloof heel erg overeen, alleen de uitvoering verschilt. Ik gebruik bijvoorbeeld andere woorden dan zij. Mijn eerste roman, Witter dan sneeuw, begint met een vrouw die de stem van God hoort. Ik had pijn in mijn buik over wat mijn moeder daarvan zou vinden. Maar ze vond het zo mooi!” Glimlachend: “Een trotsere fan van mijn boeken heb ik nooit gehad. Ze heeft ze aan iedereen in de seniorenflat waar ze toen woonde, uitgeleend. Terwijl mijn boeken toch echt wel een evangelisch tintje hebben.”

Kostbaar geschenk

Al pratend komt er een andere herinnering bij Marianne boven. “Mijn moeder vertelde me toen ik jong was dat ze vroeger zo gebeden en geworsteld had over mijn behoud. Op een dag had God haar getroost en bemoedigd met een tekst uit de berijming van Psalm 89: ‘Zij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’eerkroon dragen.’ Ik vond dat destijds mooi, maar wist niet goed wat ik ermee moest. Ik liep immers zelf juist rond met angst voor God. Toen ik haar dagboeken las, kwam ik erachter dat dit al was gebeurd toen ze zwanger van mij was. Toen al heeft ze voor mijn behoud gebeden! Terwijl ik dat las, dacht ik: wat zal ze in die jaren dat ik als tiener en volwassene zo afdwaalde, vaak aan die tekst teruggedacht hebben! En er misschien zelfs aan getwijfeld hebben of ze het wel goed begrepen had…

Het mooie was dat ik het toen wél als een kostbaar geschenk kon ontvangen, omdat mijn angst voor God door Hem was weggenomen en ik vanuit Zijn liefde en genade was gaan leven. Ik mag mijn hoofd omhoogsteken en als Koningsdochter een kroon dragen. Niet een kroon van eer van mij en ook niet door eigen verdiensten, maar dóór Hem en vóór Hem. Precies zoals de psalmregel verdergaat: ‘door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen’. Ik kan daar zo stil van worden… Als ik nu nog iets tegen mijn moeder zou kunnen zeggen, zou het samengevat zijn in vijf woorden: ‘Dank u voor uw gebed.’”

Beeld: Ruben Timman

Geschreven door:

Mirjam Hollebrandse

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons