Piet Vergunst: ‘Ik hield het meest van mijn vader als hij op de preekstoel stond’

Wat kreeg Gereformeerde Bonds-voorman mee over het geloof?

Piet Vergunst hield het meest van zijn vader als hij zondags op de preekstoel stond. “De overgave en heilige concentratie van hem raakten me. Na afloop liep hij in zijn wapperende toga, zijn hoofd nog bezet door de heilige dingen, tussen de ouderlingen naar de consistorie.”

Maar het is zeker niet de enige herinnering die Piet Vergunst (60), algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland, goed voor de geest staat. Dat ene dagje uit naar de Efteling herinnert hij zich ook. “We gingen niet zo vaak uit, we leefden sober. Dit uitstapje was voor mijn broers, zussen en mijzelf echt een belevenis. Tijdens de dag zagen we dat er een show met dieren zou plaatsvinden. We zaten vroeg op onze plek, helemaal vooraan. Toen de show begon, was de zaal afgeladen vol. Er kwam een dier, een beertje geloof ik, op zo’n fietsje zonder stuur aanrijden. Ik denk dat we geen vijf minuten verder waren of mijn vader kreeg het vreselijk benauwd van het idee dat hij met zijn gezin in een circus was beland. ‘Kom, jongens, opstaan, naar buiten!’ zei hij. De mensen achter ons raakten geïrriteerd en zeiden: ‘Ga zitten, ga zitten!’ Maar we vertrokken.”

Godvrezende grootmoeder

“Ik bezoek zelf nooit een theater of bioscoop,” vervolgt Piet. “De eerste twintig jaar van ons huwelijk hadden we geen tv in huis, nu wel. We volgen daar het nieuws op, heel af en toe een documentaire en soms sport. Die drempel naar de bioscoop zal blijven. Tijdens mijn studie Nederlandse Taal- en Letterkunde in Leiden had ik de verfilming van Een vlucht regenwulpen van Maarten ’t Hart wel willen gaan kijken, maar mijn opvoeding weerhield me. Het idee dat mijn godvrezende grootmoeder als het ware uit de hemel naar beneden zou kijken en haar hoofd zou schudden…”

Niet op schoot

Veel geknuffeld werd er thuis niet. Op schoot bij papa of mama worden voorgelezen kan Piet zich ook niet herinneren. “Het was een andere tijd. In mijn fotoalbum zie ik wel een foto van mijn broer en mij geknield voor ons ledikantje, maar dat herinner ik me niet meer. Mijn vroegste herinnering heb ik aan de kerkdiensten in onze woonplaats Polsbroek, waarin mijn vader, ds. E. F. Vergunst, meestal voorging. Ik moest groeien in de gebruiken van de dienst. Ik had niet door waar het precies over ging, maar merkte wel dat er iets bijzonders gaande was. Dat het over God ging en dat Zijn Woord centraal stond.”
Drie jaar geleden overleed Piets vader en afgelopen mei ook zijn moeder. Na zijn vaders overlijden schreef Piet als hoofdredacteur van De Waarheidsvriend (het weekblad van de Gereformeerde Bond) een bijdrage onder de titel ‘Naar de Meester’. “Ik schreef dat ik het meest van mijn vader hield als hij op de preekstoel stond. De overgave aan zijn roeping en de heilige concentratie raakten me. Na afloop liep hij in een wapperende toga, zijn hoofd nog bezet door de heilige dingen, tussen de ouderlingen naar de consistorie. Mijn broers en zussen beleefden dat trouwens helemaal niet zo, vertelden ze me later.”

‘Er kwam een beertje op zo’n fietsje zonder stuur aanrijden’

Had je als kind het idee dat je Jezus echt kende?
“Ik heb eindeloos gekeken naar de omslag van de kinderbijbel van Ingwersen,” antwoordt Piet terwijl hij er een A4’tje bij pakt. “Kijk, ik vond deze foto ervan op internet. Jezus zie je van opzij, Johannes en Petrus kijken naar Hem op. Jezus heeft zo’n liefdevolle blik: ‘Vertrouw mij maar.’ En ik vertrouwde Hem. Het leven met God hoorde er helemaal bij thuis. ‘De vreze des Heeren’, zowel ontzag voor God als liefde voor Hem, was verweven met de maaltijden, waarbij we altijd baden, Bijbel lazen en dankten. Het was er ’s avonds als ik na mijn huiswerk beneden wat ging drinken en mijn moeder over geestelijke dingen sprak. Niet op een gedwongen manier, maar wel zo dat het ons hele leven stempelde.”

Pastorieleven

Piet roert rustig in zijn kop koffie en vervolgt: “Het werk van mijn vader als predikant was niet altijd even opbeurend. Daar kregen wij als kinderen wel wat van mee. Maar toch heb ik nooit boosheid of haatgevoelens ontwikkeld richting de kerk of haar mensen. Toen ik 21 jaar geleden werd benoemd bij de Gereformeerde Bond, volgden er allerlei interviews. Ik hield me tijdens die gesprekken nogal op de vlakte, want ik had nog weinig kennis van spannende dossiers. Het ging vooral over wie ik was en waar ik vandaan kwam. Een destijds bekende antiquair, Ton Bolland, nam naderhand contact met me op. Hij zei: ‘Piet, ik kom in heel veel pastorieën om de boeken op te kopen, soms als de overleden predikant of zijn vrouw nog niet begraven zijn, en ik ontmoet zó veel haat van domineeskinderen richting hun ouders en de kerk. Nog nooit heb ik een domineeszoon zo liefdevol over het pastorieleven horen praten als jij.’ Ik deed het nergens om. Ik beschreef alleen maar hoe het er bij ons thuis aan toeging.” 

Geen keurslijf dus?
“Nauwgezetheid. Leven bij het Woord, bij de geboden van God. Bijvoorbeeld in de manier waarop je met je geld omging. Mijn ouders leerden me dat je niet alles voor jezelf moet houden, maar dat je ook met je geld dienstbaar hoort te zijn aan anderen. En de zondag was een speciale en fijne dag. Nee, voetballen of tafeltennissen mocht niet.” Lachend: “Als ik daarover vragen stelde aan mijn moeder, vroeg ze me: ‘Houd je van de Heere Jezus? Dan mag je alles, maar wil je niet meer alles.’”

Ben je daar weleens boos over geweest?
“Ik kan het me niet herinneren. Sowieso heb ik helemaal niet gepuberd. Ik was ook nooit dwars of opstandig over het feit dat we om de vierenhalf of vijf jaar verhuisden, al vond ik het als negentienjarige wel lastig. Tegenwoordig is dat meer een thema in domineesgezinnen. Dat wil ik niet bagatelliseren, want ik hoor van hechtingsproblematiek waar professionele hulp bij nodig is.”

Identiteit ontplooien

Afstand nemen, wat bij de puberteit kan horen, deed Piet pas toen hij op zijn 23e trouwde en met zijn vrouw Lenne in Apeldoorn ging wonen. “Onze ouders en familie lieten we in het westen achter en we kwamen meer los van hen. Achteraf was dat goed voor mijn ontwikkeling. Ik kon zo mijn eigen identiteit ontplooien. Niet dat ik me afzette tegen mijn ouderlijk huis, ik doel meer op een proces van volwassen worden.”

Speelden gesprekken met vrienden daarbij ook nog een rol?
“Al praat ik makkelijk, ik ben vrij gesloten. Zeker over wat me vanbinnen bezighoudt. Mijn diepste worstelingen met het geloof en de cultuur waarin ik studeerde, besprak ik met Lenne. Ik voelde, en dat heb ik toen nooit echt met iemand anders gedeeld, de enorme zuigkracht van de moderne, goddeloze literatuur tijdens mijn studie. Niet per se de boeken van Jan Wolkers of Maarten ’t Hart, maar veel meer het naturalisme van Louis Couperus en J. C. Bloem sprak mij aan. Die prachtige taal, de schoonheid van dingen, de gedachte dat alles door je omstandigheden en je milieu voorbestemd is en een eigen dynamiek heeft… Zo mooi, maar wel een wereld zonder God.”

‘Klap met een hamer’

“Ik zie mezelf nog zitten op mijn zolderkamer in Leiden,” mijmert Piet. “Na twee hoofdstukken uit zo’n roman zette ik me ertoe aan om ook twee hoofdstukken uit de Bijbel te lezen. Ik wilde bij God blijven, en bleef ervan overtuigd dat Zijn Woord waar was. Zo kwam ik mijn studententijd door. Ik heb er niet zo van genoten als mijn vier kinderen later deden.
De eerste week van mijn eerste jaar sloot ik af met een hoorcollege over de Middeleeuwen. De docent luidde met de zwaarste vloek het weekend in. Een zaal van honderd studenten barstte uit in gejoel. Het leek alsof ik een enorme klap met een hamer kreeg. Die beginervaring bepaalde grotendeels hoe ik me als student in Leiden heb gevoeld.”

'We zullen Jezus in de ogen zien. Moet je toch nagaan'

Je hebt inmiddels zelf vier kinderen opgevoed. Hoe kijk je daarop terug?
“Ik ben zo dankbaar dat God, het Woord, de kerk in het leven van alle vier een plaats hebben. Dit jaar is onze jongste zoon getrouwd. Pas at ik bij hem. We waren met z’n tweeën en hij begon de maaltijd met een vrij gebed. Daar ben ik blij om. Achteraf denk ik dat we hen thuis aan tafel ook al vrij hadden moeten laten bidden. Formuliergebeden en het Onze Vader deden ze wel, maar ik denk dat het beter is om kinderen in die veilige omgeving van thuis in eigen woorden te leren bidden.”

Piet wijst naar de afbeelding van de kinderbijbel voor hem op tafel. “Petrus heeft Hem in de ogen gekeken. Wij zullen Hem ook zien. Ongestoord, zonder te zondigen. Wij kunnen dat nu slechts in beperkte beelden beschrijven. Ja, daar verlang ik naar.”

Beeld: Ruben Timman

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons