Tijs van den Brink: ‘Ik kon niets met de uitverkiezingsleer’

Wat kreeg Tijs mee over God en het geloof en waar staat hij nu?

Het geloof was in huize Van den Brink altijd dominant aanwezig. “Niet beklemmend, wel ernstig en zeer integer.” Pas toen Tijs naar een reformatorische middelbare school moest, begon het te schuren. “Ik kon niets met de uitverkiezingsleer. Maar ik ben blij met de ruimte die mijn ouders mij gaven.”

Diepe indruk maakte het beeld dat Tijs rond zijn 15e zag toen hij eens onverwacht de studeerkamer van zijn vader binnenstapte. Zijn vader lag geknield op de grond te bidden. “Toen dacht ik: hij meent het echt. Hij doet het niet voor de vorm, dit is wat hij echt belangrijk vindt. Dat was een belangrijk moment voor mij. Het hielp mij het geloof te accepteren.”

Diverse debatten

Tijs groeide op in de kring van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Zijn vader volgde veel theologische cursussen en werd op latere leeftijd predikant. Het waren de jaren zeventig, waarin de reformatorische zuil opkwam. “Mijn ouders zaten op de grens van die zuil. Ze waren lid van de EO, we draaiden liedjes van Elly en Rikkert en ik zat op voetbal. Tegelijkertijd lazen ze het Reformatorisch Dagblad en moest ik naar een reformatorische middelbare school, het Van Lodenstein College in Amersfoort. Moest, want ik wilde niet. Ik heb er veel ruzie over gemaakt en op die school heb ik diverse debatten gevoerd over vragen als: mogen meisjes broeken aan? Mag je fietsen op zondag? Dat waren ook bij ons thuis, met vier zussen en een broer, gespreksonderwerpen.”

Problemen met de dominee

Waar Tijs vooral dankbaar voor is in de geloofsopvoeding van zijn ouders, is dat hij de ruimte kreeg om het gesprek aan te gaan. Zijn moeder stimuleerde hem daar zelfs in. “Als we huisbezoek kregen, zei ze: ‘Tijs, nu ga je wél zeggen wat je vindt! Want je kunt altijd tegen ons zeuren, maar dan moet je het ook tegen hen zeggen. En als je problemen hebt met de dominee: schrijf een brief of ga erheen.’ Dat heb ik heel erg nodig gehad. Je maakt mij niet ongelukkiger dan wanneer je mij dwingt iets níét te zeggen wat ik vind. Dat heeft mijn moeder heel goed aangevoeld. Ik moest dan misschien met mijn ouders knokken, maar dat mócht ook. Ze zeiden niet: ‘Houd je mond, daar gaan we niet over in gesprek.’

Ik moet ook zelf de keuze mogen maken

Wel heb ik zelf op een gegeven moment besloten: ik ben niet reformatorisch. Met alle respect en waardering voor die wereld, ik wist: hier hoor ik niet bij.”

Wat stond je tegen?
“Ik liep vooral vast in de predestinatieleer, de leer van de uitverkiezing. Het ging altijd over de vraag: hoe vind ik een rechtvaardig God? En hoe kan ik rechtvaardig voor God verschijnen? Maar volgens de predestinatieleer is het van eeuwigheid af vastgelegd of je wel of niet behouden bent –en kun je er dus niets aan doen als je niet bekeerd bent. Tegelijkertijd word je zelf volledig verantwoordelijk gehouden. Dat kreeg ik niet rond in mijn hoofd. Wel verantwoordelijk, maar er niets aan kunnen doen; het kan niet allebei waar zijn. Het gevolg van dat gedachtegoed was bovendien dat op mijn reformatorische school jongens tegen mij zeiden: ‘Als ik niet uitverkoren ben, wat heeft het dan voor zin om netjes te leven?’”

Geen televisie

Niettemin gelooft Tijs wel degelijk dat ‘tot geloof komen’ het werk van God is en dat je dat als mens niet zelf organiseert. “En toch, als je mij verantwoordelijk maakt, moet ik ook zelf de keuze mogen maken. En natuurlijk weet ik dat daarachter nog een heel raamwerk zit dat ik niet in beeld heb. Maar dat is wat anders dan dat je zegt: je kunt er niets aan doen, maar je bent wel verantwoordelijk.”

Voelde je je thuis in de kerk?
“Dan moet ik even diep afdalen in mijn geheugen. Ik vond de kerk best vaak saai, herinner ik me. Maar geen onzin. Het overheersende gevoel was: het gaat hier echt ergens over. Tot mijn twaalfde ging ik één keer mee, vanaf mijn twaalfde – de leeftijd waarop Jezus naar de tempel ging – moest ik twee keer mee naar de kerk. Toen ik 18 werd, zeiden mijn ouders: ‘Nu is het aan jou.’ De vrijheid die ik daarmee kreeg, heb ik erg gewaardeerd. Het hoefde van mij niet radicaal anders, maar ik ging wel op zoek naar meer ruimte. Zo kwam ik bij een iets lichtere kerk uit.

Je bent een kind van God en je hoort erbij

Op die leeftijd kocht ik ook een tv voor op mijn eigen kamer. Dat vonden mijn ouders prima, mijn vader kwam zelfs op mijn kamer het journaal kijken. Wij hadden thuis geen televisie – niet zozeer vanwege het goddeloze karakter, maar omdat mijn vader wilde dat we ons huiswerk maakten en studeerden.”

‘Ik moest zelf kiezen’

Toen Tijs na de middelbare school naar de Evangelische School voor Journalistiek ging, kwam zijn geloofsontwikkeling in een soort stroomversnelling. Hij herinnert zich hoe schooldirecteur Koos van Delden aan het begin van het schooljaar zei: ‘We gaan er hier van uit dat je een kind van God bent. En als je niet weet of je dat bent, dan doe je maar alsof.’ Dat heeft mij erg geholpen. In plaats van je voortdurend af te vragen of je er wel bij hoort, ga je er gewoon naar leven. Daarvóór was ik natuurlijk ook een gelovige jongen, maar die opmerking heeft mij er bewust van gemaakt dat ik zelf moest kiezen. Wil ik hierbij horen, of niet?

Een paar jaar later, op mijn 21e, wist ik: dit past bij mij, dit is wie ik wil zijn, ik geloof dat God bestaat en dat Jezus voor mijn zonden gestorven is. Ik heb toen belijdenis gedaan in een confessionele gemeente binnen de Hervormde Kerk – nu PKN – en in die stroming ben ik altijd gebleven.”

Huiswerk maken op zondag

Ziet Tijs veel verschil met zijn eigen opvoeding, nu hij zelf vader is van drie kinderen? “Er is meer overeenkomst dan verschil. Ik denk zelfs dat tachtig procent hetzelfde is. En ik hoop dat dit voor mijn kinderen ook weer geldt, dat zij tachtig procent van onze geloofsopvoeding overnemen. Kijk, mijn vrouw en ik hebben de kinderen niet opgevoed met de gedachte ‘je moet zorgen dat je het in orde maakt met God’. We hebben hun evenmin geleerd voortdurend te bidden om een nieuw hartje. Wij leven veel meer vanuit het idee: je bent gedoopt, je bent een kind van God en je hoort erbij. Niet dat het dan niet uitmaakt hoe je leeft, maar het gaat om de hoofdlijn: wij geloven dat God bestaat, dat Hij er voor jou wil zijn, dus ga naar Hem op zoek op een manier die bij jou past. En of je dan evangelisch of reformatorisch wordt, of dat je je vooral aangetrokken voelt tot Taizé, vind ik dan niet zo belangrijk.

De kinderen bidden op hun beurt weer voor opa en oma

Dat is anders dan hoe ik ben opgevoed, ja, maar meteen ook het voornaamste verschil. En het gaat bij ons thuis minder over vormen en uiterlijkheden. Hooguit over huiswerk maken op zondag, al zijn we daar niet zo heel dogmatisch in.”

Maak je je weleens zorgen over de vraag of je kinderen blijven geloven?
“Ze zijn 21, 18 en 13, en voor zover ik nu kan zien, zijn het heel gelovige mensen. Daar zijn we heel dankbaar voor, want dat kun je zelf niet organiseren. En er zijn geen garanties dat dit zo blijft. Dus in die zin maak ik me daar weleens zorgen om, ja. Ik herinner me dat ik het hier rond de geboorte van een van de kinderen eens over had met een oom. Hij zei toen al: ‘Als je gelooft dat God bestaat, mag je ook geloven dat Hij daarvoor zorgt. Dat hoef jij niet te organiseren.’ En dat is waar. Als God mij vasthoudt – en dat doet Hij tot nu toe – waarom zou Hij dan mijn kinderen niet vasthouden? Dat geeft ontspanning.”

Bid je voor hen?
“Ja. Ik zal niet zeggen dagelijks, maar wel wekelijks. Het mooie is dat mijn ouders ook nog steeds voor ons en voor onze kinderen bidden. En de kinderen bidden op hun beurt weer voor opa en oma.”

‘Bestaat God?’

Veel geloofsgesprekken heeft Tijs niet meer met zijn ouders (beiden 87), maar áls het gaat over God en geloven, komt nog vaak de vraag ‘ben ik een kind van God?’ naar boven. “Mijn vader zegt altijd: ‘Ik ben van de generatie waarbij die twijfel er diep in zit.’ ‘Wat zit je toch te tobben, kap daar nou eens mee!’ zeg ik dan tegen hem. Dat gesprek blijf je niet eindeloos voeren; af en toe hebben we het erover. Ik heb overigens geen spoor van twijfel over het geloof van m’n ouders. En zijzelf uiteindelijk ook niet, geloof ik.

Ik hoop vooral dat God mij en mijn gezin vasthoudt

Bij mijn kinderen zie ik trouwens dat die vraag – ‘mag ik er wel bij horen?’ – helemaal geen rol speelt. Zij leven weer met andere vragen. Of God bestaat, bijvoorbeeld. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat God bestaat, denk ik dat die vraag manifester op tafel zou moeten liggen, ook in de kerk. Want denk nou niet dat iedereen die in de kerk zit, er zeer van overtuigd is dat God er is. Vroeger moest mensen duidelijk gemaakt worden dat ze kinderen van God mogen zijn. Nu zou ik zeggen: maak alsjeblieft duidelijk dat Hij echt bestaat.”

Waar zou jouw ‘geloofsreis’ op uitlopen?
“Ik hoop vooral dat ik blijf geloven en dat God mij en mijn gezin vasthoudt. Ik zeg bewust ‘dat God mij vasthoudt’, ja. Want ik blijf het geloof een sterk verhaal vinden, in de zin van: nauwelijks te geloven.
En als het gaat om de kerk: ik vind het heel moeilijk om een gemeente te vinden waar ze én psalmen én gezangen én Opwekking én Psalmen voor Nu zingen. Het is vaak het één of het ander. Ik snap dat niet zo goed; waarom moet ik daartussen kiezen? Doe mij gewoon een dienst met twee psalmen, twee gezangen en twee Opwekkingsliederen. Maar die is nauwelijks te vinden.
Verder zou ik het mooi vinden als we ooit allemaal weer teruggaan naar de moederkerk, de katholieke kerk. Dat gaat niet zo hard, maar als we het over de kern eens kunnen worden, dan zou dat toch prachtig zijn?”

Beeld: Ruben Timman
Met dank aan: Van Nijhuis rijwielen

Geschreven door:

Mirjam Hollebrandse

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons