Bang voor Openbaring

‘Lang heb ik dit boek niet willen lezen’

in Geloven

De Bijbel eindigt met het meest onbegrijpelijke boek van allemaal: Openbaring. We kunnen er eindeloos mee puzzelen of negeren het juist liever. Voor deze zomerserie verdiepen drie schrijvers zich erin. In deel 2: Theanne Boer kon jarenlang niets met het boek, omdat het verbonden was met de meest verdrietige gebeurtenis uit haar leven.

‘Er werd voor de troon en voor de vier wezens en de oudsten iets gezongen dat leek op een nieuw lied. Niemand kon het lied begrijpen, behalve de honderdvierenveertigduizend mensen die van de aarde zijn vrijgekocht.’ (Openbaring 14:3)

Toen de begrafenisondernemer weg was, vroeg de dominee: “En, broeder Boer, hebt u zelf een Bijbeltekst in gedachten waarmee we uw vrouw kunnen begraven?” Het bleef lang stil. Tot mijn vader overmand door verdriet iets stamelde over “die tekst in Openbaring waarin staat dat de heiligen een lied zongen dat niemand kon leren”. Mijn moeder zong graag en in de indrukwekkende rouwdienst zong het kamerkoor waarvan zij fanatiek lid was geweest een cantate van Bach. Daarna bracht een enorme stoet, omringd door de warme zon en vrolijk fluitende vogels, mijn moeder naar haar laatste rustplaats. Met zijn grote gevoel voor taal en poëzie maakte mijn vader van Openbaring 14:3 een tekst voor op de grafsteen:

Losgekocht van deze aarde
Zingt zij nu een nieuw gezang

Klassieke visie

Ik was 19 en de ziekte en het overlijden van mijn moeder, die jong stierf en zes kinderen achterliet, was mijn eerste kennismaking met lijden en dood. En ook met het boek Openbaring. Sindsdien waren die twee nauw met elkaar verbonden. Lang heb ik het boek niet willen lezen, omdat ik er bang van werd. Wat stond ons in het eind der tijden nog allemaal te wachten? Nog meer lijden en dood kon ik niet aan. Als ik iets uit Openbaring onder ogen kreeg, ging het toevallig altijd net over enge wezens, vreselijke rampen en gemartelde christenen, afgezien dan van de laatste paar hoofdstukken. 

Er ging een wereld voor mij open

De enorme troost, die ook in het boek te vinden is, zag ik lange tijd niet. Ik hoopte alleen maar dat het eind der tijden nog ver weg was en dat ik dat niet meer mee zou maken. Ik was namelijk opgegroeid met de klassieke visie op Openbaring: het boek ging over de toekomst en niet over nu, en bijna alles wat erin stond, was te onbegrijpelijk om er in je eigen leven iets mee te kunnen. Al die getallen die erin stonden, moest je vooral symbolisch opvatten en het chiliasme (het letterlijk nemen van het duizendjarig rijk) was in de kerk van mijn jeugd een grote dwaling.

Van alle tijden

Mijn dubieuze relatie met Openbaring veranderde toen ik trouwde en verhuisde naar een klein dorp in Zeeland. Daar kreeg ik een predikant die dol was op dit Bijbelboek. Tweeëntwintig zondagen lang preekte hij elke week over een hoofdstuk. Er ging een wereld voor mij open. Een wereld van troost, hoop, verwachting en bescherming. Van hem leerde ik dat Openbaring gaat over verleden, heden en toekomst. Dat de visioenen die erin staan als het ware boven de hele geschiedenis hangen. Dat het een kijkje van bovenaf is op wat er gisteren, vandaag en morgen met de wereld gebeurt. In die visie zijn plagen, rampen en ziekten van alle tijden, is God er altijd bij en is de oproep tot bekering, tot waakzaamheid, tot het verwachten van Zijn aanstaande wederkomst altijd actueel. Daarom is het helemaal niet gek dat de mensen in de middeleeuwen bij de zoveelste pestepidemie dachten dat de Heer nu wel snel zou terugkomen. Toen er in de 17e eeuw in Scheveningen een potvis op het strand aanspoelde, werd dat gezien als teken van de eindtijd en klonk er overal vanaf de kansel een oproep tot bekering. Tijdens de eerste helft van de 20e eeuw – met twee oorlogen, een economische crisis en de Spaanse griep – zal de gedachte aan het einde der tijden ook niet ver zijn geweest.

De grote omhelzing

Toen de coronacrisis op z’n hevigst was, met overvolle ic’s en intelligente lockdowns, bekroop mij – en ik was zeker niet de enige – een apocalyptisch gevoel. Dit was zo wereldwijd, zo beklemmend, zo allesomvattend: zou dit dan zo’n wee uit Openbaring 9 zijn? Tel daar de sprinkhanenplaag in Afrika en Zuidwest-Azië bij op en duid de narcistische trekken van Donald Trump als die van de antichrist.

Wie weet, dacht ik, is dit het einde. En ik was het roerend eens met Rikkert Zuiderveld, die destijds in dagblad Trouw zei: “Er staat ons na dit leven een nieuwe wereld te wachten, ik noem het wel eens ‘een grote omhelzing’. Daarnaartoe groeien kost tijd en gaat met weeën gepaard. Misschien zal later blijken dat corona een van die weeën was” (Trouw, 11 mei 2020).

Het witte paard

Goed. Terug naar mijn Zeeuwse dominee. Want van hem leerde ik dat verwachting en troost in Openbaring volop aanwezig zijn. Niet alleen voor later, maar ook voor nu. Zoals bijvoorbeeld in het beeld van de vier paarden uit Openbaring 6. Daar kun je bang van worden, het vale paard bijvoorbeeld staat voor corona en voor alles wat ziekte, dood en lijden is. Maar let op, het witte paard rent mee. Hij heeft nog voordat de race gelopen is, al de overwinningskrans gekregen en toch rent hij mee in de wereld-wedren. Hij staat voor de trouw en de genade van God en op het paard zit Jezus Christus. Hij rent niet vooruit, hij verlaat de andere paarden niet, hij blijft erbij. Het is het evangelie van de overwinning ín de strijd, niet pas erna. God gaat dus altijd mee met ons. Hij ging ook met mijn moeder mee, toen het vale paard haar te pakken kreeg. En Hij won.

De glazen zee

Het beeld van de glazen zee in een ander dreigend hoofdstuk, Openbaring 15, blijkt ook onverwacht hoop te bevatten. Daarop staan ‘zij die het beest, zijn beeld en het getal van zijn naam hadden overwonnen’. Zoals mijn moeder. Ze zingen voor God en ik zie helemaal voor me hoe mijn moeder in die menigte staat te jubelen. Waar staat die glazen zee voor? “Nou,” zegt mijn dominee, “kijk eens naar beneden: daar zwemmen de wonderlijkste creaties. Het is de diepzee van je leven. Met alle vreugde en verdriet.”

Bij alles wat ons overkomt, is Hij erbij

De zee is geen spiegel waarin je alleen maar raadselen ziet, het is glas waar je doorheen kunt kijken, zodat je je waaroms doorziet. En staande op die diepzee van je leven kun je blijkbaar een danklied zingen. Doordat je ziet dat God erbij was, in alles wat er in je leven gebeurde, kun je zingen. Kan mijn moeder zingen.

Hij rent met je mee

Natuurlijk heb ik als kind wel vaak de laatste hoofdstukken van Openbaring gelezen, als ik mij verveelde in de kerk. Mooi vond ik dat: de stad die neerdaalde en die door God zelf verlicht zou worden. De levensboom die alsmaar vrucht draagt, de rivier die leven geeft. En vooral God die eigenhandig de tranen van je ogen veegt. Toen dacht ik: dat gebeurt ooit, na dit leven. Maar nu weet ik: dat doet God ook nu al. Bij alles wat ons overkomt, is Hij erbij. Hij rent met je mee en kijkt samen met jou de diepte in. Wij zijn nooit alleen, nu niet en alle dagen niet, totdat Hij komt. Tot de grote omhelzing. Met de Heer en met mijn moeder.

Tekst: Theanne Boer
Beeld: Shutterstock

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons