Vier spraakmakende vrouwen in de schijnwerpers

Van ‘ingekluisde’ tot pinksterpionier

Zuster Bertken

De een verbleef – vrijwillig – 57 jaar lang onafgebroken in een piepkleine, onverwarmde stenen kluis. De ander maakte juist verre reizen om het evangelie bekend te maken. Maak kennis met vier markante vrouwen uit de geschiedenis van het christendom.

Suster Bertken (ca. 1426-1514)

57 jaar vrijwillig ingemetseld leven

Stel je voor. Je bent pas 30 en stapt – barrevoets, een haren kleed over het naakte lijf – een kale, onverwarmde cel in. Hooguit 3,75 bij 4 meter, met twee kleine vensters. Het ene biedt uitzicht op het koor van de kerk waartegen jouw kluis is gemetseld, het andere op een straat. Nadat er een dodenmis voor je is gezongen, valt de deur achter je in het slot. Voorgoed: je zult deze bakstenen cel nooit meer levend verlaten. Pas op 87-jarige leeftijd is dit ingemetselde bestaan voorbij. Waar je vrijwillig voor koos.

Dit is, in een notendop, het verhaal van de Utrechtse stadskluizenaar Berta Jacob, alias ‘Suster Bertken’. In haar stenen graf leidde zij – net als een handjevol andere stadskluizenaars – een aan God gewijd leven. Ze overdacht dagelijks Jezus’ lijden en sterven, en deed boete voor haar zonden. ’s Middags gaf ze (geestelijk) advies aan passanten; iedereen in Utrecht kende Suster Bertken. Daarnaast schreef ze stichtelijke liederen, in de geest van de Moderne Devotie. Die werden na haar dood in boekvorm uitgegeven. Daarmee werd deze ‘incluse’ de eerste Nederlandse vrouw ooit van wie teksten in druk verschenen. Haar bekendste lied is ‘Die werelt hielt mi in hair gewout’: ‘De wereld hield me in haar macht.’

Fanny Crosby (1820-1915)

Deze blinde vrouw schreef ruim 8000 gezangen

Als kind merkt ze dat de wereld om haar heen steeds donkerder kleurt: de Amerikaanse Fanny Crosby verliest haar gezichtsvermogen en wordt als jong meisje volkomen blind. Maar ze zit niet bij de pakken neer: misschien heeft God er een bedoeling mee?

Urenlang luistert Fanny naar voorgelezen boeken, en vooral naar de Bijbel (als kind kan ze de eerste vijf Bijbelboeken uit haar hoofd opzeggen). Als 15-jarige wordt ze toegelaten tot de New York Institution for the Blind. Wanneer haar enorme gevoel voor poëzie bekend wordt, groeit ze mettertijd uit tot een bekende persoonlijkheid.

Ze is zelfs de eerste vrouw ooit die het Amerikaanse Congres toespreekt, en mag diverse presidenten tot haar vriendenkring rekenen. Tegelijk is ze zondagsschooljuffrouw en werkt ze onder daklozen in New York. Tijdens een dodelijke cholera-uitbraak staat ze zieken en stervenden liefdevol bij, ondanks de levensgrote risico’s. In alles wat ze schrijft en doet, wil ze – tot haar dood in 1915 – Jezus bekendmaken en loven als haar Redder:

This is my story, this is my song
Praising my Savior all the day long.

Jacqueline van der Waals (1868-1922)

Dichteres van ‘Wat de toekomst brengen moge’

Als Jacqueline 13 lentes telt, overlijdt haar 34-jarige moeder aan tuberculose. Dat zij zwaar leed en desondanks in het volste geloofsvertrouwen stierf, maakt diepe indruk op de leergierige en sportieve tiener. Haar diepgelovige vader, natuurkundige en Nobelprijswinnaar J.D. van der Waals, beslist dat de gordijnen in de voorkamer gesloten moeten blijven. Pas als zijn zoon trouwt, in 1902, gaan ze weer open.

Jacqueline (roepnaam Lien) studeert aan de hbs voor meisjes. Vervolgens leert ze thuis verder. Ze verdiept zich in theologie en filosofie, en leert zichzelf Zweeds, Noors, Deens en Italiaans, om boeken van schrijvers als Ibsen en Kierkegaard in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen.

Ze werkt als lerares geschiedenis in achtereenvolgens Doorn, Bloemendaal en haar woonplaats Amsterdam. Ondertussen publiceert ze gedichten en bundels. ‘Wat de toekomst brengen moge’ zal uitgroeien tot een protestantse klassieker.
In 1921 wordt bij haar maagkanker geconstateerd. In deze laatste levensfase schrijft ze haar (postuum gepubliceerde) ‘doodsgedichten’. Die worden tot haar allerbeste werk gerekend. “In zuiver water ziet men de bodem,” zei collega-dichter Martinus Nijhoff – met een schitterend beeld – over haar poëzie.

Margo (‘Moesje’) Alt (1883-1962)

Pinksterpionier in Nederlands-Indië

Als 19-jarige reist de avontuurlijke Margo Alt in 1903 naar Nederlands-Indië (nu Indonesië). Aanvankelijk werkt ze als kindermeisje en verpleegkundige op Java. Als ze tot bekering komt, wordt ze zendingszuster. Hoog in de bergen van Midden-Java ontfermt zij zich over tientallen wees- en gehandicapte kinderen; hieraan dankt ze haar bijnaam ‘Moesje’. Ze sticht diverse scholen en gemeenten, geeft een tijdschrift uit én schrijft boeken, gedichten en liederen.

Vanaf 1926, na een intense ervaring met Gods Geest, wordt ze actief binnen de prille pinksterbeweging. Als ongehuwde vrouw groeit ‘Zuster Alt’ uit tot een van de voortrekkers. Tijdens de Japanse overheersing ontsnapt ze ternauwernood aan executie door onthoofding, waarna zware kampjaren volgen.

In 1951 reist ze, ondanks haar fragiele gezondheid, naar Nederlands-Nieuw-Guinea. Daar sticht ze een nieuwe gemeente. Eind 1961 keert ze terug naar Nederland. Op haar 78e wordt ze nog voorganger van een pinkstergemeente in Arnhem. Ze overlijdt plotseling in 1962, 79 jaar oud. Op haar grafsteen staat: ‘Jezus alleen.’ Haar liederen, zoals ‘Ik wandel in het licht met Jezus’ en ‘Lichtstad met uw paarlen poorten’, worden nog steeds gezongen.

Beeld: Gerdien van Delft-Rebel

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons