Wat je tijdens de coronacrisis kunt leren van de vroege kerk

Interview met prof. Marten van Willigen

Bij de vroege kerk denk je al snel aan heftige vervolgingen. Maar de eerste christenen werden ook op andere manieren geconfronteerd met verdriet, lijden en dood. Toen een zeer besmettelijke ziekte rond 251 na Christus duizenden mensen naar het graf sleepte, stond hun reactie haaks op de heidense houding. Prof. Marten van Willigen over de lessen die we daaruit kunnen trekken tijdens deze coronacrisis.

Nu is alles in tranen, iedereen huilt. Overal in de stad komt het zuchten je tegemoet over de menigte van gestorvenen en het zuchten van hen die ook nog dagelijks sterven. Zoals over de eerstgeborenen van Egypte geschreven is, zo is hier nu één groot geween. Er is geen huis waar geen gestorvene valt te betreuren. Bleef het er maar bij één!

Dit citaat komt uit een brief van bisschop Dionysius, geschreven in het jaar 251 na Christus. Daarin schetst hij de hartverscheurende situatie in zijn stad, Alexandrië. Overal in het Romeinse Rijk stierven mensen als vliegen. Jong en oud, arm en rijk, christen en heiden: de dood maakte geen onderscheid. Geen wonder dat angst voor besmetting snel om zich heen greep. Maar opvallend genoeg lieten de christenen – destijds een kleine minderheid – zich niet leiden door angst, maar door liefde.

De coronacrisis

De coronacrisis legde ons dagelijks leven al enkele weken lam toen prof. dr. Marten van Willigen (bijzonder hoogleraar voor de Bijbeluitleg van de vroege kerk in Apeldoorn) Eusebius’ Kerkgeschiedenis weer eens opensloeg. Hij stuitte daarin op de brief van Dionysius en werd getroffen door de parallellen met onze tijd.

Is het bekend door welke grote epidemie het Romeinse Rijk rond 251 na Christus precies werd getroffen?
“Helaas is dat niet helemaal duidelijk. De medische kennis van toen was natuurlijk niet te vergelijken met die van nu. Mogelijk was het de pest. Eusebius, een kerkvader uit de 3e eeuw, spreekt over ‘de besmetting’. Op het moment dat je met elkaar omging, kon het meteen foute boel zijn – net als nu. De heidenen schrokken zich het apezuur. ‘Dan word ik ook besmet – wegwezen!’ Ze lieten de zieken en stervenden gewoon achter op straat of in hun huizen.”

Hoe reageerden de christenen?
“Zij ontfermden zich juist over de zieken en de stervenden, zonder onderscheid. Zij zagen deze epidemie als een beproeving van God. Voor hen was de vraag: blijf ik ook nú Christus toegewijd volgen en help ik – uit liefde tot Hem – mijn naaste in nood?”

Terwijl ze de risico’s kenden?
“Die kenden ze zeker. In plaats van ‘het vege lijf redden’ ging het hun om het volgen van Christus, ongeacht de omstandigheden. Ze geloofden dat God hun de kroon van overwinning zou geven als zij, zich inzettend voor die naasten in nood, zelf zouden sterven. Heel mooi vond ik wat Eusebius daarover zegt: dat is eigenlijk hetzelfde als wanneer je als martelaar in de arena zou sterven. Nou, daar wisten die christenen ook alles van. Volgens Eusebius gaat het niet om de vraag of je sterft als martelaar of door een epidemie, maar of je Christus wilt volgen. En in lijn daarmee: heb je je naaste werkelijk lief als jezelf?”

De christenen zorgden tijdens die epidemie ook voor het afleggen van de overledenen?
“Inderdaad. Dat vond ik zo’n prachtig detail, dat ze de zieken letterlijk tot het allerlaatst liefdevol en respectvol bleven begeleiden. Terwijl ze wisten: dit kan ook mijn eigen dood betekenen.”

Ik las zelfs dat zij de doden – of het nu medegelovigen waren of niet – omhelsden?
“Ja, dat had alles te maken met de klassieke manier waarop er in de oudheid afscheid werd genomen van de overledenen. Die omhelzing is daar een onderdeel van. De ogen van de overledene werden bijvoorbeeld ook nog een keer open- en dichtgedaan, zodat men zeker wist dat de persoon in kwestie inderdaad niet meer in leven was. Christenen deden dit dus ook bij besmette mensen. Daarbij maakten ze geen onderscheid. Ze hielpen gewoon, ongeacht wie het precies was.”

Bijna bizar

Over de christenen schreef bisschop Dionysius: “Ze stierven blijmoedig, samen met hen.” Dat klinkt in onze 21e-eeuwse oren bijna bizar. “Klopt,” reageert Van Willigen. “Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat wij, met onze hoogstaande medische zorg, bij wijze van spreken 95 kunnen worden. En we mogen God dankbaar zijn voor alle zorg die wij hebben, en voor dit leven. In die derde eeuw waren onze sociale voorzieningen domweg ondenkbaar. Maar wij vergeten in onze ego-cultuur misschien weleens wat het belangrijkste is.”

Namelijk?
“Dat wij in alles tot eer van Hem moeten leven, en geroepen zijn die verbondenheid met Christus praktisch uit te werken in concrete naastenliefde. Wetend van een leven ná dit leven. ‘Vervuld als zij waren door andermans lijden,’ schreef Dionysius, ‘laadden ze de ziekte van hun naaste op zichzelf en namen gewillig hun smarten over. Velen die de zieken verzorgden en anderen lieten herstellen, stierven dus zelf en brachten de dood van anderen op zichzelf over.’ Het was dus niet zo van: wacht even, ik heb hier nog een slaaf rondlopen: ga jij er even naartoe…”

Want dat hadden ze kunnen doen.
“Absoluut! Als je een rijke christen was – die waren er toen ook –, dan had je kunnen zeggen: ‘Ik hoor dat het daar en daar niet goed gaat; ga jij daar eens even kijken.’ Zo had je voor jezelf het risico kunnen afwenden. Maar ze namen hun verantwoordelijkheid. De ander ging vóór het leven van jezelf.”

Intense verbondenheid

Pandemie vroege kerk illustratie geheel

“De eerste christenen,” benadrukt hij, “leefden en stierven in het besef dat ze samen met Christus leefden en stierven. Zoals Paulus in Romeinen 6 schrijft: als gelovigen zijn we met Christus gekruisigd, met Hem begraven, en zo zullen we ook met Hem opstaan. Die intense verbondenheid met Jezus gaf hun de kracht het vol te houden in moeilijke omstandigheden – of dat nu de arena was of zo’n dodelijke epidemie.”

De heidenen lieten de stervenden destijds achter op straat en vluchtten. Wij vinden het tegenwoordig vanzelfsprekend dat je voor zieken zorgt. Volgens historicus Tom Holland laat dit zien hoezeer het Westen nog altijd wordt gestempeld door het christendom.
“Dat ben ik met hem eens: onze westerse samenleving is tweeduizend jaar lang gevormd door christelijke normen en waarden. De zegen die we hier in Europa mogen ervaren, eindigt eigenlijk al aan de randen van Europa. In andere landen is de situatie vaak nog steeds heel anders dan hier.”

Ik las dat keizer Julianus ‘de Afvallige’ zich er een eeuw later zelfs nog over beklaagde dat de heidense liefdadigheid verbleekte bij die van ‘de Galileeërs’, zoals hij Jezus’ volgelingen aanduidde.
“In het Romeinse Rijk leefde vrijwel iedereen voor zichzelf: survival of the fittest. Maar christenen vormden een uitzondering. Zij zetten zich – met gevaar voor eigen leven – in voor de survival of the most weakened persons: het overleven van de zwaksten. Een heel ander verhaal. Dat werd gezien én maakte diepe indruk. De vroege kerk houdt ons in die zin een spiegel voor: in onze toewijding aan naasten in nood, kun je als gelovige nooit ver genoeg gaan.”

Kun je stellen dat die vroege christenen door hun houding een verschil maakten in de overwegend heidense samenleving?
“Absoluut. Het viel de heidenen op hoe toegewijd zij ten tijde van die epidemie bezig waren. Dat heeft ongetwijfeld ook bijgedragen aan de groei van de kerk.”

Beeld: Gerdien van Delft-Rebel

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons