‘Ik heb mijn knieën kapot gebeden of ze mochten terugkomen’

Ans vader en broer werden opgepakt bij de razzia van Putten

In de nacht van 30 september op 1 oktober 1944 pleegde een Puttense verzetsgroep een aanslag op een Duitse officier. De bezetters namen gruwelijk wraak. Ze voerden alle mannen uit Putten tussen de 18 en 50 jaar af met onbekende bestemming. Ook de vader en broer van An Termaat-van Losenoord (1936).

Acht was ze, die 1e oktober 1944. Ze herinnert zich die zondag als een mooie, heldere dag. “Er heerste een gespannen sfeer in het dorp, en hoe jong ik ook was, blijkbaar kreeg ik daar toch iets van mee. Ik wist als kind natuurlijk niets van de aanleiding, die hoorde ik later pas.”

Het valt haar zwaar om haar verhaal te vertellen, zegt ze in haar woonkamer in Ermelo. “Want dan komen alle herinneringen weer boven. Ik slaap altijd al zo slecht, en nu helemaal. Maar ik doe het omdat ik het belangrijk vind om deze gebeurtenis door te geven.”

Zingende soldaten

Ans ouders hadden in de oorlog een kruidenierswinkel en een graanhandel aan de Kerkstraat in Putten. Boven een grote schuur bevond zich de meelzolder en naast de kruidenierswinkel stond het politiebureau, dat was ingenomen door de Duitsers. “Ik kan me herinneren dat Duitse soldaten door de straten marcheerden. Ze zongen vaak, dat vond ik mooi. Dus als ik ze hoorde aankomen, ging ik buiten zitten. Waarop mijn moeder me weer naar binnen haalde. ‘Kind, hoe durf je!’ zei ze dan.”

‘Meidje, je moet terug’

“Op die bewuste zondagochtend speelde ik buiten in de tuin. Geen idee hoe laat het was, maar ineens zag ik mijn vader lopen.” Glimlachend: “Hij was wel ijdel, hoor. Henk heette hij. De ene keer kamde hij zijn scheiding aan de zijkant van zijn hoofd, dan weer in het midden. En soms had hij zelfs stekeltjes. Maar hij was ook een heel goede en lieve man. En grappig. Hij stond altijd voor iedereen klaar, ook in de familie was hij geliefd.”
Hij had zijn zondagse grijze gleufhoed op en liep de tuin door, de weg op. An holde hem achterna; waar ging hij heen? “Ik wandelde een stukje met hem op, het was druk op straat. Tot hij halverwege zei: ‘Meidje, je moet terug.’ Zo zei hij dat. Niet wetend dat we elkaar nooit meer zouden zien.”

Tekst loopt door onder de foto.

De vader van An Termaat.

Waarschuwen

Putten was die ochtend hermetisch afgegrendeld en Duitse soldaten doorzochten elk huis. Alle mannen van 18 jaar en ouder werden meegenomen en verzameld op het kerkplein. “Ik weet nog dat er later op de dag een Duitser aan de deur kwam. Een wat gezette man. Hij wilde ons waarschuwen. Maar hij was te laat. Waarom hij dat deed, weet ik niet. Misschien wist hij wat de mannen te wachten stond en had hij spijt. Maar dat is gissen. ‘Was je vader er op dat moment nog maar,’ zei mijn moeder later. Kijk, ze waren niet allemaal even slecht. Of mijn vader geweten heeft wat er ging gebeuren? Ik denk het niet. Anders loop je toch ook niet zomaar naar de kerk?”

Kapucijners en vlees

“Mijn broer Peter is ook opgepakt, al heb ik hem niet weg zien gaan. Samen met zijn neef uit Amersfoort was hij dat weekend bij onze oma. Ook mijn oom was daar. Alle drie zijn ze bij oma opgepakt. Mijn broer en neef waren beiden 17. Officieel te jong, maar zij hadden geen identiteitsbewijs bij zich om dat te bewijzen. Ik weet nog wat m’n broer die ochtend aanhad: een blauwe schipperstrui, met spikkels in rood, groen en grijs. Ik vond het een heel leuke trui. Mijn broer Jaap van 15 is ’s middags met mijn tante eten gaan brengen bij de kerk, waar de mannen werden vastgehouden. Gewekte kapucijners en vlees. Dat had mijn moeder nog en daar waren we heel zuinig op. Ze hebben het bij de ingang afgegeven. Niet rechtstreeks aan mijn vader, daar kregen ze de kans niet voor. Ik vermoed dat de Duitsers het zelf hebben opgegeten.”

Psalm 84

Alle mannen moesten ’s nachts in de kerk en de daarachter gelegen openbare school blijven. “Op dat moment werd de sfeer in het dorp paniekerig. Niemand wist wat er zou gebeuren. Pas de volgende ochtend kwamen de mannen naar buiten, omringd door Duitse soldaten, die hun geweer op de mannen gericht hielden. Ze moesten marcheren naar het station.” Voordat de mannen gaan lopen, vraagt dominee Hol- land, de predikant van de hervormde kerk, of hij nog met de mannen mag bidden. Daarna zingen ze samen Psalm 84 vers drie en vier.

Die nacht zagen we de lucht boven Putten rood kleuren

Klappen van mijn zus

“Nog diezelfde dag ging het gerucht door het dorp dat de Duitsers uit wraak heel Putten zouden platbranden. We moesten voor vijf uur ’s middags wegwezen. Mijn moeder was heel erg zenuwachtig. Ze pakte wat dekens en een soort kussensloop, stopte die in een kruiwagen en zette mijn broertje Henk van 4 erbij. Zo zijn we gaan lopen, het dorp uit. Het was een drukte van jewelste. Het hele dorp liep leeg en iedereen dacht aan zijn eigen hachje. Je had het moeten zien: sommigen hadden complete matrassen bij zich, anderen liepen met een kar die omgebouwd was tot stellage.

Onderweg heb ik heel wat klappen van mijn zus Petri gehad, want ik liep de hele tijd te janken. Ik was helemaal geen held. Voor mijn gevoel liepen we maar lukraak een kant op. We zijn de Betonweg overgestoken richting Ermelo, door het bos. Ik denk dat mijn moeder inmiddels wel wist waar ze heen wilde. Verderop woonde een bevriende boer, een kennis van mijn vader. Hij ontving ons heel hartelijk. Later die avond stuurde hij ons door naar de schaapskooi om te slapen. Daarvoor moesten we het land over – het mais was al geoogst. En wie zaten daar in die schaapskooi? Mijn grootmoeder, een zus van mijn moeder en een broer van mijn moeder met zijn vrouw. Zij waren ook gevlucht. Die nacht zagen we de lucht boven Putten rood kleuren. Een verschrikkelijk gezicht.”

Tot de grond toe afgebrand

De volgende ochtend werd het gezin van An met paard-en-wagen teruggebracht naar Putten. Eenmaal aan de rand van het dorp sprong ze samen met haar zus Petri van de wagen af. Hard renden ze naar het dorp, om te kijken wat er was gebeurd. “Het eerste wat we zagen, was dat het huis aan de Betonweg verwoest was. We renden verder en zagen dat ook het volgende huis tot de grond toe was afgebrand. Bij de kerk stonden we naast de smeulende resten van Hotel de Heerdt. Een verschrikkelijk gezicht. Ik ben snel weer naar mijn moeder gerend; ik was zó overstuur.
Toen we eindelijk de Kerkstraat bereikten, zagen we dat onze woning er nog stond! Waarschijnlijk zijn onder andere de bakker en onze kruidenierswinkel gespaard gebleven omdat de Duitsers die winkels zelf nodig hadden.”

‘Ik mis je’ special

Maandagavond 4 mei is An Termaat te gast in een special van Ik mis je op NPO 2.
Ikmisje.eo.nl/televisie

Gehuil en gekerm

“Voor mijn moeder was het verschrikkelijk,” zegt mevrouw Termaat even later. “Toen we terugkwamen in het dorp, rende ze de weg op en riep ze alsmaar: ‘Peeman, Peeman!’ Mijn broer heette Peter en ze noemde hem soms Peeman. Het gekke was: over mijn vader had ze het niet. Maar mijn eigen moeder zo in paniek – ik vond het een beangstigend beeld.”
Intussen was er over het lot van de mannen weinig bekend. “We wisten dat ze naar Kamp Amersfoort gebracht waren en dat was geen goed nieuws. Het ergste zou nog moeten beginnen voor de mannen. Maar verder hoorden we niets. Mijn zwager vertelde jaren later dat de zondag erna de namen van de mannen die weggevoerd waren, werden afgelezen in de kerk. Het was een gehuil en een gekerm.”

Soldatenhelmen

In de weken en maanden die volgden, vroeg An elke avond voor ze ging slapen of God haar vader, Peter en de andere mannen terug wilde brengen. “Ik heb mijn knieën kapot gebeden. ‘Vader komt heus wel terug,’ zeiden mijn vriendin Rietje en ik vaak tegen elkaar. Ik was er vast van overtuigd dat het goed zou komen.
Ik kan me herinneren dat ik op een gegeven moment buiten speelde met Rietje en we korenbloemen gingen plukken. Tot we op een begraafplaats ineens drie Duitse soldatenhelmen in een hoek zagen liggen. Toen hebben we onze versgeplukte bloemen in die helmen gelegd. ‘Misschien doen hun kinderen het ook wel voor onze vaders,’ zeiden we tegen elkaar. We vertelden dat thuis niet, want ja, dat werd vast niet gewaardeerd. Maar voor ons gevoel was het goed wat we deden.”

Goede bedoelingen

Veel later werd voor An duidelijk dat de razzia een vergeldingsactie van de Duitsers was. Mensen uit het verzet hadden een aanslag gepleegd op een Duitse officier. “Er waren wel vermoedens, maar volgens mij is nooit bekend geworden wie het precies gedaan hebben. Aan de ene kant ben ik daar blij om. Ze deden het immers met goede bedoelingen; het heeft alleen verkeerd uitgepakt. Aan de andere kant dacht ik in die tijd ook: hadden de daders maar bekend, dan had niet deze hele groep hoeven boeten. Maar ja, toen was het leed al geschied. En misschien zaten ze er zelf wel tussen.”

Vermist

Een aantal weken na de oorlog kwam het bericht dat 611 van de 659 mannen waren omgekomen; er keerden er maar 48 levend terug. “Ds. L. Kievit, een jonge predikant destijds in Putten, kwam samen met de bakker op een avond op bezoek om het te vertellen. We zaten met z’n allen aan de eettafel, alleen broer Jaap was er niet bij. Ze brachten het bericht van het Rode Kruis dat mijn vader op 10 januari 1945 in Neuengamme was overleden. Dat was een grote schok; we wilden en konden het niet geloven. Er stond nog een regel onder: ‘Uw zoon Peter is als vermist opgegeven.’ Dit laatste zinnetje maakte dat mijn moeder lang heeft gehoopt dat Peter toch terug zou komen.

Zelf ben ik na dit officiële bericht zó kwaad geworden. Vooral op God. Ik heb gevloekt en gedaan. Van mijn broer Jaap kreeg ik petsen in mijn gezicht, elke keer als ik vloekte, maar dat nam ik voor lief. Naar de kerk wilde ik niet meer.”
Even is mevrouw Termaat stil. “Ik had zo’n dappere moeder. Haar heb ik nooit zien huilen. En wij mochten ook niet huilen. ‘Iedereen heeft verdriet,’ zei ze tegen ons. ‘Dus geen tranen.’ We spraken er niet veel over. Soms zei ze: ‘Kom, we pakken de fiets.’ En dan gingen we een heel eind fietsen. Dat was haar manier om het verdriet te verwerken.
Jaren later heb ik vaak in een herdenkingsboek van de oorlog zitten bladeren, waar foto’s in staan van de gevangenen. Ik keek dan naar al die beelden, in de hoop dat ik mijn broer Peter zag staan. Als klein meisje was ik gek op hem.”

En toch, vergeven is zo belangrijk

‘Wat heb je aan haat?’

Pas vele jaren later, An was al getrouwd en moeder van twee kinderen, kon ze haar boosheid richting God loslaten. “Dat was op het moment dat ik letterlijk voor Hem op mijn knieën ging. Al mijn boosheid en angst smolten weg als sneeuw voor de zon. Ik heb er niet eens om hoeven vragen. Maar ik moest wel op mijn knieën.” Ze glimlacht: “Had ik dat maar eerder gedaan. Sindsdien ben ik zo’n blijmoedig christen. En er is nooit meer iets van die boosheid teruggekomen.
En ja, ik heb de Duitsers vergeven. Dat kan ik met de hand op mijn hart zeggen. Maar dat heeft wel even geduurd, hoor. Jaren na de oorlog zat ik een keer met mijn man op een terras in Duitsland, toen ik een Duitser hoorde opscheppen dat hij ook in Nederland was geweest. Ik kon hem wel een klap in zijn gezicht geven. ‘Wegwezen hier!’ zei ik tegen mijn man.

En toch, vergeven is zo belangrijk. Ja, natuurlijk, ik ben mijn vader en mijn broer kwijt. Dat is verschrikkelijk en ik zal het nooit vergeten. Maar wat heb je aan haat?” Haar moeder vond dat lastiger. An en haar man hadden in de jaren zestig eens een Oost-Duitse vluchtelinge in huis. “Mijn moeder wilde liever niet dat we haar meenamen als we op bezoek kwamen. Tot ze zich daar op een gegeven moment toch overheen kon zetten en dit meisje accepteerde. ‘Daar hebben we onze mannen toch niet mee terug,’ zei ze dan. En zo is het. Kijk eens wat Jezus allemaal voor ons gedaan heeft. En nóg. Want Hij vecht voor ons. En moeten we zelf niet elke dag vragen om vergeving?”

Dit interview komt uit De laatste getuigen. Vijftien Nederlanders over de oorlog die hun leven stempelde, dat Visie uitgeeft i.s.m. Royal Jongbloed. Het luxe uitgevoerde boek is voor € 29,95 te bestellen via Visie. eo.nl/laatstegetuigen.

Beeld: Ruben Timman

Geschreven door:

Mirjam Hollebrandse

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons