De zoon van opstandeling Korach vertelt

‘In dat gruwelijke oordeel zag ik Gods liefde’

Wat leren we over God als we kijken naar Zijn relatie met Israël in de woestijn? Abiasaf, een zoon van opstandeling Korach, vertelt op een bijzondere locatie over zijn ervaringen.

Zoon van een opstandeling

“Ik ben Abiasaf, de zoon van Korach, de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi. Mijn vader was slaaf van farao Ramses II van Egypte, net als mijn opa. Maar mijn verre voorvader Levi zou je een prins kunnen noemen. Hij stamde af van de herdersvorst Abraham, die met God sprak alsof het zijn vriend was. God vertelde Abraham dat hij zijn land moest verlaten, en Abraham ging. Naar het land dat God hem beloofde, zijn wij nu weer op weg. We zijn een groot volk geworden.

Zullen we hier gaan zitten, voor de tabernakel, onze ‘tent der samenkomst’? Straks vertel ik je over het familiedrama dat hier plaatsvond, maar laat me bij het begin beginnen. Ik herinner me niet zo veel meer van mijn kindertijd in Egypte. Alleen die ene avond staat me nog goed voor de geest. De eerste Pesachavond aller tijden. De Heer doodde alle eerstgeborenen van Egypte. Ik vergeet het gejammer van de Egyptenaren nooit meer. Zo liet God zien dat Hij alleen God is.

Macht, genade en ontferming

Laat me je eens vertellen wat voor God we hebben. Het is een ijdele poging, weet ik al bij voorbaat, want eigenlijk kan niemand Hem in woorden vangen. Zwijgen, ontzag hebben, Zijn richtlijnen volgen – dat past ons mensen veel beter. Maar tegelijk kan ik over Zijn macht, genade en ontferming niet uitgepraat raken. ‘Daar ben je dan ook een Leviet voor,’ lacht mijn buurman – eentje uit de stam van Benjamin – weleens.

Iedereen in de wijde omtrek weet inmiddels hoe onze God de Egyptenaren in de Rietzee ten onder liet gaan. We waren vrij, en dat hebben we gevierd! Ik zie ons nog dansen met oom Aäron en tante Mirjam – een volle neef en nicht van mijn vader Korach. Met mijn oudere broers, Assir en Elkana, heb ik dat lied nadien wel honderd keer gezongen:

Ik wil zingen voor de Heer
Zijn macht en majesteit zijn groot!
Paarden en ruiters wierp Hij in de zee.

In korte tijd was dat de tweede daad van de Almachtige die mij als kind aan het denken zette. Want wat voor God was Hij? En stortte Hij de Egyptenaren zomaar op­ eens, in een opwelling, in het ongeluk of voltrok Hij een machtig plan? Door schade en schande heb ik een antwoord op die vragen gekregen.

Kinderen van Korach

Kijk, daar staat de tabernakel. Gloednieuw is hij. Vind je ’m niet prachtig? Hier mag ik mijn leven lang dienstdoen. Net als mijn kinderen, en hun kinderen, tot in de duizendste generatie. Hier zullen we liederen maken van liefde, verlangen en uitzien. ‘Liederen van de kinderen van Korach’ zullen ze heten. Alleen die naam al laat een fractie van Gods veelkleurigheid en genade zien.

Hier zullen we liederen van liefde maken

De eerste keer dat de Heer ons op de proef stelde, was bij Mara. We klaagden over het bittere water, dat – godzijdank – zoet werd nadat oom Mozes er een stuk hout in had gegooid. ‘Ik ben het die jullie geneest,’ sprak God daar. Ik heb die woorden in de nachten erna zo vaak voor me uit gefluis­terd. Ze hadden zo’n kracht. Eigenlijk wist ik toen het antwoord al op de vraag van daarnet. God handelt niet in een opwel­ling. Het loopt bij Hem nooit uit de hand. Maar jongens, wat moest ik nog veel leren.

Zo is God

Even later, bij Refidim, hadden we hele­ maal geen water. Ik zie nog het woedende gezicht van mijn vader Korach voor me toen hij Mozes de les meende te moeten lezen. ‘Waarom heb je ons uit Egypte weggevoerd?’ riep hij in spreekkoor met honderden andere boze mannen. ‘Wil je ons hier van dorst laten sterven, met onze kinderen en het vee?’

Alleen God kan je zo’n uitstraling geven

God antwoordde onze leider, die luid tot Hem aan het roepen was. Mozes moest op een rots slaan bij de Horeb en meteen kwam er water uit. Zo is God dus. Maar ook zo: die plaats moest Massa en Meriba heten, omdat wij Hem daar op de proef hadden gesteld door ons af te vragen of Hij nu in ons midden was of niet.

Iedereen doden

Heb je ook gehoord van die keer dat we een gouden stierkalf aanbaden? Mozes strooide de as van het verbrande beest door ons water en dat moesten we op­ drinken. Toen stelde hij het volk voor de keuze... Wij Levieten kozen Gods kant. Ver­ volgens moesten we iedereen doden die op ons pad kwam. Nooit vergeet ik Mozes’ woorden aan het eind van die dag waarop we drieduizend volksgenoten ter dood brachten. ‘Vandaag hebt u zich aan de Heer gewijd, door u zelfs tegen uw zonen en broers te keren. U hebt vandaag Zijn zegen verworven.’

‘Hij leek wel een zon’

Wat heb ik mijn vader vaak horen mop­ peren op onze leiders, Mozes en Aäron. Achteraf gezien kon het niet anders dan misgaan. God had zo duidelijk laten merken aan wiens kant Hij stond. Telkens kreeg Mozes Zijn steun. Ik heb zijn gezicht een keer zo zien glanzen, hij leek wel een zon. Alleen God kan je zo’n uitstraling geven.

De opstand die mijn vader uiteindelijk met Datan, Abiram en On voorbereidde, kreeg de steun van 250 mannen. En dat waren niet zomaar de eerste de besten. Achtens­ waardig en aanzienlijk, zo worden ze nog steeds genoemd in onze overlevering. ‘U matigt u te veel aan. Waarom voelt u zich boven de gemeenschap van de Heer verheven?’ vroegen ze aan Mozes en Aäron.

Woede van de Onveranderlijke

Het mondde uit in een van de grootste godsgerichten die we tijdens onze reis door de woestijn meemaakten. Precies hier vond het plaats. Ik zie mijn vader nog staan met zijn vuurbak met het reukwerk daarin, voor de ingang van deze ‘tent der samenkomst’. De majesteit van God ver­ scheen. Onuitsprekelijke glorie, almacht. ‘Heer van de hemelse machten, gelukkig wie bij U hun toevlucht zoeken,’ prevelde ik zacht voor me uit.

In een oogwenk zag ik mijn familie ten onder gaan. ‘De grond onder hun voeten spleet open, de aarde opende haar mond en slokte hen op,’ vertellen wij aan vol­gende generaties. Woedend was de Heer. Maar ik kon in die woede geen willekeur ontdekken. Geen boosheid die Hem spijt zou opleveren. Je vindt het misschien onbegrijpelijk, maar mijn hart zingt sinds­ dien alleen nog maar meer van verlangen naar Hem. Omdat ik in dat gruwelijke oor­ deel Zijn liefde voor Zijn lievelingen zag.

Bron van vreugd

Daarom zullen wij altijd blijven zingen, psalmen maken, Zijn macht roemen. Je kent onze liederen vast wel: ‘Zoals een hert verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar U’, en: ‘Wat hou ik van Uw huis’, of: ‘God, mijn God, de bron van vreugd’. Had je dat ooit verwacht van kinderen van een opstandeling?”

Misschien ben ik, Abiasaf, ook omgekomen in het godsgericht dat mijn vader en zijn familie trof. Maar toch waren er kinderen van Korach die naderhand tempelliederen maakten, en daarom vertelde ik op deze manier mijn verhaal.

Beeld: Unsplash

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons