Met Prediker naar de kerstmarkt

Wat zoeken al die mensen?

Na een zomervakantie met Prediker, waagt Visie het nog een keer om hem uit te nodigen voor een vakantie. Dit keer brengt de Bijbelschrijver de kerstdagen met ons door. Het eerste deel van een tweeluik.

Dit was niet wat ik in gedachten had toen ik voorstelde om Kerst met Prediker te vieren. Ik zag een smaakvolle, wellicht wat sobere tijd voor me, waarin we samen in alle rust mijmerden over de zin en onzin van Kerst. Wellicht een uitstekend kerstdiner, gevolgd door een lange avond filosoferen. Maar toen ik Prediker mailde met de vraag of hij de kerstdagen met me door wilde brengen, antwoordde hij: ‘Alleen als je met me meegaat naar de kerstmarkt in Keulen.’ 

Westerse kerstkitsch

En nu loop ik met deze eerbiedwaardige, wijze Bijbelschrijver in de schaduw van de majestueuze Dom van Keulen. Of lopen – we worden meegetroond door de menigte, langs de houten kraampjes, onder een eindeloze hoeveelheid lichtjes; langs een draaimolen en kraampjes met een onuitputtelijke voorraad kerstballen, -kousen, -mannen, -truien, -takken, -snoepgoed, -stalletjes, -liedjes, -dieren en -prullaria.

Ik voel de energie uit me stromen door de overvloed aan prikkels. Maar misschien nog wel meer door het feit dat ik hier loop met Prediker; langs het toppunt van westerse kerstkitsch met de verpersoonlijking van oosterse wijsheid. Ik schaam me. Maar als ik voorzichtig naast me kijk, zie ik geen geërgerde blik. Eerder een open, nieuwsgierig gezicht. Prediker lijkt de drukte in te ademen; gefascineerd, wellicht zelfs vermaakt. 

Hij kijkt terug, buigt zich naar me toe en zegt over het lawaai van de mensenmassa en kerstliedjes heen: “Dus zo vieren jullie heidenen de geboorte van de Messias.” Ik voel me kriegelig worden, maar zwijg. 

Gigantische kerstboom

Met een verse Flammkuchen wurmen we ons uit de drukte van de markt. Leunend tegen de etalage van een chique kledingwinkel eten we de hete snack op. Na een paar minuten durf ik hem eindelijk de vraag te stellen die al vanaf het begin door mijn hoofd spookt: “Waarom wilde u in hemelsnaam juist hierheen?”

Prediker eet zijn mond leeg en kijkt naar de mensenmassa die zich richting de markt begeeft en stelt de vraag die hij me vorige keren ook stelde: “Wat zie je?” “Ik zie mensen. Heel veel mensen, heel veel rotzooi, heel veel lawaai.” antwoord ik. “Wat zoeken al die mensen?” vraagt Prediker. Ik kijk naar de lichtjes, naar de kleurig verlichte Dom, naar de kerstboom van meer dan 25 meter hoog die boven de rood-groen-gele kleurenbrei uitsteekt. Dan zucht ik: “Ik zou het echt niet weten, beste Prediker.” “Kom,” antwoordt Prediker. 

Dus zo vieren jullie heidenen de geboorte van de Messias 

Hij loopt voor me uit naar de Dom; met moeite kan ik hem volgen door de stroperige massa, langs de gigantische kerstboom, naar de ingang van de kathedraal. Ik had gehoopt daar rust te vinden, maar de drukte houdt niet op in de imposante kerk. Een trage, eindeloze rij toeristen zorgt voor een non-stop soundtrack van schuifelende voeten en gemurmel; van buiten dringt zachtjes het ‘Stille Nacht’ door dat de jazzband speelt. 

Kuddedier

Op een van de bankjes in een zijbeuk vinden we een ietwat rustig plekje. “Niks stille nacht,” fluister ik naar mijn reisgenoot. “Alles is vermoeiend,” citeert hij zachtjes uit eigen werk. Ik vervolg de zinnen: “Zozeer dat er geen woorden voor te vinden zijn. De ogen van een mens kijken en vinden geen rust, zijn oren horen en ze blijven horen.”

Zwijgend kijken we samen naar het altaar voor ons. Dan buigt hij zich naar me toe: “In deze kerstdrukte zie ik de mensheid. Eindeloos op zoek naar iets van licht, van vreugde, van feest. Maar in dat alles is hij weinig meer dan een dier; een kuddedier tot hij sterft, slechts bevoorrecht omdat hij het kan beseffen. Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. Generatie na generatie zoekt hetzelfde, en sterft zonder het te vinden.”

Een fijne kerstgedachte, denk ik sceptisch, maar ik houd mijn mond. Is dit werkelijk wat Prediker ziet? Is het wat ik zie? Ik kijk nog eens naar de filmende en fotograferende meute en voel me moedeloos worden, overvallen door de massa, de leegte, de kleuren, het geluid. Is het echt niets meer dan leegte? Ik kijk naar hem; zijn gezicht staat strak. Dan staat hij op. Ik volg hem. 

Vermoeid

Eenmaal buiten de kathedraal proberen we de markt te vermijden door langs de kathedraal te lopen. Ik loop in gedachten verzonken achter Prediker aan en bots tegen zijn rug als hij plotseling stilhoudt. Als ik opkijk en de blik van Prediker volg, zie ik een rokende man in een bruin gewaad; Jozef, denk ik, van de levende kerststal op de markt. Hij leunt vermoeid tegen de eeuwenoude stenen van de Dom, schouders naar beneden. In het schemerdonker lijken de wallen onder zijn ogen gigantisch. Prediker kijkt aandachtig naar hem. Dan glijdt zijn blik verder naar een koperen groep figuren. Een kerststal, verscholen in het schemerduister tegen de kathedraal aan. 

Generatie na generatie zoekt hetzelfde

Op de schoot van Maria zit het kindje Jezus, achter Maria staat Jozef. Het zijn beelden in een sobere stijl. De gezichten van de donkere, koperen beelden zijn eenvoudig, alsof alle verschillende gezichten van alle volken zich verenigd hebben in één gelaat. Het kindje op de schoot van Maria heeft zijn armen wijd; Maria en Jozef kijken op hem neer. 

Bach

Langzaam loopt Prediker op de beeldengroep af. Hij knielt neer op het natte zaagsel om de beeldengroep, streelt het gezicht van de kindfiguur. “God onder de zon,” hoor ik hem mompelen. “God als stof.” Langzaam wandel ik naar Prediker toe, wat verward; ik hurk naast hem, kijk naar het uitdrukkingsloze kindergezichtje voor me. Op de achtergrond hoor ik een kerstkoor een lied van Bach zingen: 

Nun komm, der Heiden Heiland, 
Der Jungfrauen Kind erkannt, 
Des sich wundert alle Welt: 
Gott solch Geburt ihm bestellt. 

(Kom nu, redder van de volken
Als kind van de maagd bekend
Over wie zich de hele wereld verwondert 
Dat God hem zo geboren laat worden) 

Jozef neuriet zachtjes mee. Ik snap nog niet helemaal wat er gebeurt, dus blijf ik stil naast Prediker zitten. Die knielt nog steeds, in gedachten verzonken. Na een paar minuten begin ik het koud te krijgen, maar Prediker zit nog steeds geknield. Ik durf hem niet te storen, maar houd mijn gehurkte houding in de kou niet lang vol. Als ik voorzichtig opsta, kijkt hij naar me op. Zijn gezicht is opener; van de strakke blik is weinig meer over. Het koor op de markt is met een nieuw lied begonnen: 

Ich sehe dich mit Freuden an
und kann mich nicht satt sehen; 
und weil ich nun nichts weiter kann, 
bleib’ ich anbetend stehen. 

(Ik kijk naar u met vreugde
En kan er niet genoeg van krijgen 
En omdat ik nu niets anders kan 
Blijf ik aanbiddend staan) 

Langzaam lopen we verder. Hoe verder we van de Dom lopen, hoe rustiger de straten worden. Prediker doorbreekt het zwijgen: “Lucht en leegte hebben we gezien. En ik heb in mijn leven geleerd dat het niet zo erg is dat er niet meer is dan lucht en leegte. Maar vanavond...” Hij stokt even. “Vanavond heb ik een God gezien die onderdeel wordt van die lucht en leegte. Die stof wordt. Die de vermoeiende, eindeloze tred van de mensheid mee gaat lopen. En die daarmee de lucht en leegte vult.” Zwijgend lopen we verder, richting ons hotel. Vlak voordat we de lobby binnenlopen, staat Prediker nog één keer stil, ademt diep en lacht. “Het licht is een genot. Wat een weldaad!” 

Beeld: Jedi Noordegraaf

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons