John Steele - de man die op D-day aan de toren hing

D-day door de ogen van een parachutist

John Steele nam in de nacht van 5 op 6 juni 1944 deel aan de luchtlanding boven Normandië. Wat hem die nacht vervolgens overkwam, maakte hem wereldberoemd. Visie dook de geschiedenisboeken in en herschreef zijn verhaal.

We gaan bijna springen. Ik zit in een van de dertig Dakota-vliegtuigen die deze missie uitvoeren. Met een haakje zit ik vastgeklikt aan een lange kabel. Als we eenmaal mogen, glijd ik zo van de kabel door het luik naar buiten. Voor me zie ik Tom en Robert staan. Het is donker, verder kan ik niet kijken. Gek genoeg is het stil. Geconcentreerd kijk ik naar de ruggen voor me. Ik ben niet bang. Dit is wat we moeten doen. Hiervoor ben ik opgeleid. Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik vanuit een hoge stellage moest springen, tijdens de training in kamp Toccoa in Georgia. Het was op klaarlichte dag en ik zag de grond razendsnel op me af komen. Het had iets magisch om zo tussen hemel en aarde te zweven. Uiteindelijk hebben we vijf keer een oefensprong gemaakt met de parachute.

Fietsrace

“Du, Rudi, zullen we maar naar boven gaan?” De Duitse korporaal Rudolf May kijkt zijn maatje Rudi Escher vragend aan. Ze hebben een rustige avond achter de rug. Eigenlijk zijn alle avonden zo, sinds ze hier in het Franse dorpje Sainte-Mère-Eglise gestationeerd liggen. Vanavond hebben ze uit verveling zelfs een fietsrace over het kerkplein georganiseerd. Lachen was dat. Maar een uur voor middernacht moet Rudolf samen met Rudi op zijn post zitten in de kerktoren, bij de telefooncel.

Operatie Overlord

John Steele.

Vannacht gaat het echt gebeuren. Maandenlang hebben we ons hierop voorbereid. Operatie Overlord heet onze missie. We maken de weg vrij voor de enorme invasie op vijf stranden in Normandië die door ons Amerikaanse leger, de Britten en de Canadezen zijn uitgekozen. We landen in vijandelijk gebied en zijn stuk voor stuk een eenpersoonslegertje, zo is ons geleerd. Alles wat ik nodig heb om te vechten en te overleven, zit in de zware tas aan mijn been. We landen net achter de Duitse linie, dus morgenmiddag al bereiken we de troepen die op de stranden aankomen. Een vreemd idee; de mensen onder ons weten van niks, ze liggen te slapen en voordat ze er erg in hebben, zijn ze bevrijd. Zo’n dropping als deze is de snelste manier om in aanraking te komen met de vijand. Ze moeten totaal overrompeld zijn door onze komst. Als we het sein krijgen, gaan we.

Soepel landen

Ik voel de tas aan mijn rechterbeen. Ik heb een waterfles, reservekleding, een zaklamp, voedsel en een medische voorraad. Zodra ik bijna bij de grond ben, kan ik het onderste riempje lostrekken en de tas van mijn been laten glijden. Zo kan ik soepel landen. Ik hoor bij de 82nd Airborne Division, Company F, 505th Parachute Infantry Regiment. Samen met de 101e Airborne-divisie vormen wij de eerste groep van vijftienduizend paratroepers die in Frankrijk landen. Ik ben er trots op dat ik, John Marvin Steele, hierbij mag horen.

Currahee – alleen

Herbert Sobel, de officier die onze opleiding voor zijn rekening nam, was veeleisend. Hij gold als de strengste kapitein in zijn soort. Een beul, fluisterden de soldaten van de 82e divisie. Mijlenlange afstanden moesten we lopen, bepakt en bezakt. Je geweer en uniform moesten in alle omstandigheden op orde zijn. Als we straf kregen, moesten we de Currahee Mountain – ruim vijfhonderd meter hoog – beklimmen in vijftien minuten. Toepasselijk, want Currahee is een indiaans woord dat ‘er alleen voor staan’ betekent.
Niet eerder had het Amerikaanse leger eenheden gehad met paratroepers. De 101e Airborne-divisie werd als eerste klaargestoomd om met parachute te landen in vijandelijk gebied. De overheid moest wel met geld over de brug komen om militairen te strikken voor deze legerafdeling. Pas toen ze vijftig dollar per maand meer bood aan de militairen, kwamen de aanmeldingen binnen. Tieners en twintigers meldden zich massaal aan voor de training in kamp Toccoa.

Been gebroken

“Go! Go! Go!” Als een razende beginnen ze voor me te rennen op het moment dat het luik opengaat. Het vliegtuig uit, de inktzwarte duisternis onder ons in. Even voel ik de koude wind langs mijn gezicht. Ik kan de kou voor mijn idee haast ruiken. Over vijf minuten ben ik beneden. Samen met de jongens. Bij mijn landing op Sicilië, bijna een jaar geleden, brak ik mijn been. Dat gaat me niet weer gebeuren. Niet aan denken nu, John, dit keer kom je gewoon met beide benen op de grond. Als 31-jarige – en daarmee de oudste van mijn compagnie – voel ik me extra verantwoordelijk voor de rest. Samen zijn we op ons best. En dan ook echt top of the bill. Dat heeft officier Sobel ons wel laten merken, uiteindelijk.

Eenmansleger

Eenmanslegertjes heetten de paratroepers van de 82e en 101e divisie. Maar natuurlijk functioneerden ze samen als een bijzonder legeronderdeel. De tientallen regimenten in deze divisies bestonden elk uit 132 soldaten en acht officieren. Een regiment bestond weer uit drie pelotons, opgedeeld in drie teams van twaalf man en een mortierenteam van zes soldaten.

Onder me twinkelen lichtjes. Met een schok voel ik mijn parachute openklappen. Mijn vrije val verandert in zweven. Ik zie de jongens om mij heen naar beneden kijken. Daar, wie is dat? Hij maakt zijn tas al los. Veel te vroeg... Het zal een wonder zijn als hij die nu nog vindt. Kom op man, niet zo stressen om een tas. We doen het met elkaar. En morgen hebben we alles weer bij de hand. Prompt besluit ik ook mijn tas te laten vallen. Ik zie de straten onder me – hier ga ik landen.

Brand op het kerkplein

“Escher, schau mal! Er hangen witte dingen in de lucht!” Rudolf wijst verschrikt door het venster van de toren omhoog. Een sneeuwbui van witte valschermen dwarrelt naar beneden. Het vliegtuig dat net overvloog, moet ze gedropt hebben. Beneden op het plein ziet hij chaos ontstaan in de lange rij militairen en burgers die bezig waren een brand te blussen. De saaie avond kreeg een halfuur geleden ineens een verrassende wending, omdat er een schuur in brand vloog aan de rand van het kerkplein. In een mum van tijd was er een groep van honderd mensen door de burgemeester op de been gebracht om het vuur onder controle te krijgen. Ook alle militairen in het dorp rukten uit. En nu dit. Paratroepers. Rudolf voelt hoe zijn handen klam worden.

Aan de toren

Een heftige pijn snijdt door mijn rechtervoet. Ik schreeuw het uit en voel brandende steken door mijn benen schieten. Gewond. Je bent nog niet eens geland en het afweergeschut van die krauts heeft je al te grazen genomen. Opletten waar je terechtkomt, jongen, opletten! Wat is dat? Wat doen al die mensen op dat plein? Ik zie vuur. We hebben niet gebombardeerd, dus hoe kan dit? Wat is er aan de hand? Nee, niet uitgerekend deze nacht een brandje op onze landingsplek!
Met een schok kom ik opeens tot stilstand. Mijn rug knalt tegen iets hards, terwijl mijn voeten nergens houvast vinden. Ik hang! Maar waaraan? Het is een muur. Waar hang ik aan? Wat gebeurt er allemaal? Hoe kom ik los? Ik moet loskomen, ik probeer zo goed en zo kwaad als het gaat te schudden om los te komen. Voor me zie ik een puntdak. Ik hoor zware dreunen.

Klokgebeier

My goodness, ik hang aan de kerktoren... Wat een slechte grap is dit. John Marvin Steele bungelt als een marionet aan de eerste Franse kerk die hij ooit zag. Johnny, dit wordt je dood.

Mes kwijt

Ik grijp mijn mes. Als ik de touwen van mijn parachute doorsnijd, kom ik op de leien van het dak terecht. Een val van een paar meter. Dat moet lukken John, kom op. Ik voel het lemmet aan mijn koppelriem. Een korte handbeweging moet genoeg zijn. Niet te veel wiebelen, dan zien ze vanaf het plein dat je nog leeft. Ik heb het lemmet met twee vingers beet. Meer ruimte heb ik niet. Voorzichtig wrik ik het mes omhoog. Ik hoor niet meer dan een kort tikje tussen het gedreun van de klokken door. Van schrik schiet het mes pijlsnel over de leien de goot in. Stommerik. Je hebt je laatste kans verspeeld. Nu hang je hier, als een weerloze schietschijf voor de Duitsers, niet in staat je makkers daar beneden te helpen.

In de toren

De paratroepers vallen als bundeltjes textiel neer in de straten rond de kerk. Het vuur van de brandende loods verlicht de omgeving, zodat Rudolf en Rudi alles goed kunnen zien. Op daken, in bomen en zelfs op de kerk landen de witte wolken. Rudolf ziet voor zijn ogen een parachutist van het dak glijden. Hij komt heelhuids op de grond en zoekt direct dekking tegen de kerkmuur. Ineens wordt het zicht van de Duitse soldaat belemmerd door iets donkers wat voor het venster bungelt. Heel even maar. Nog eens. En dan is het weg. “Rudi, kijk nou, er blijft er eentje hangen aan de toren!” “Die is voor ons,” klinkt Rudi vastberaden.

Als dood

Gék word ik van die klokken. Ik voel het gedreun in elke vezel van mijn lijf. Nooit geweten dat een kerkklok zo’n herrie maakt. Mijn lichaam houd ik zo slap mogelijk. Ik ben een bundeltje vlees en botten. Laat alsjeblieft niemand op het idee komen op me te schieten, ‘voor de zekerheid’. Het zou niet mogen, want ik vorm geen bedreiging meer voor de vijand. Eigenlijk ben ik al dood. Terwijl ik mijn hoofd op mijn borst laat hangen, probeer ik toch iets te ontwaren van wat er op het plein voor me gebeurt.
De toevallige brand stuurt onze plannen in de war. Zijn we wel met genoeg mensen om de Duitsers aan te kunnen? Weer landt er een paratroeper op het plein. Hij komt pal naast een Duitse soldaat terecht die hem direct doorzeeft met kogels. Ik zie bewegingloze lichamen in de gekste houdingen uitgestrekt over de straatstenen. Gesneuvelde eenmanslegers.

Kapper John

John big ass noemden zijn vrienden John Steele gekscherend. Een grote, sportieve vent was hij, met het hart op de goede plaats. Hij speelde graag American football met zijn vier jongere broers. Soms deden zijn twee zusjes ook mee. John studeerde niet graag, hij was meer een doener. Hij zou kapper worden, maar toen in 1941 voor Amerika de oorlog uitbrak, veranderde hij zijn plannen. Met nog twee broers, Norman en James, besloot hij het leger in te gaan. In het leger verdiende hij af en toe nog wat bij als kapper.

Trekpoppetje

Probeer je hoofd erbij te houden, John. Vergeet die klok. Vergeet dat mes. Je kunt hier niet als een trekpoppetje blijven hangen en wachten tot ze ontdekken dat je nog leeft. Wat zit er nog meer in je uitrusting? Heb je iets scherps? Een schaartje misschien? Zo’n nagelknippertje? Dat zit in je tas – en die ligt ergens aan de voet van de toren. Urenlang hang ik hier nu. Gek genoeg voel ik me rustiger worden. Ik moet wel alert blijven, al kan ik geen kant op. Ik kijk het monster het liefst in de bek. Wegsuffen doet een paratroeper niet. Dat heeft Sobel er bij ons wel ingeramd.

Er schiet een pijnscheut door mijn lijf. Ik had mijn voet aardig onder controle, maar dit voelt anders. Alsof er iemand aan me trekt. Plotsklaps voel ik de verdoving van het klokgelui uit mijn lijf verdwijnen. Er zít iemand aan me! Wie is dit? Ik voel me zachtjes heen en weer gaan tegen de muur achter me. ‘O Heer, help me! Ik hang aan Uw huis, dat is toch een veilige plek?’

Doelwit

“Escher, ben je gek geworden? Als wij gaan schieten, zijn we meteen een doelwit voor die Yankees op het plein. Ze gaan het niet redden, maar ze schieten nog behoorlijk van zich af.” Rudolf kijkt Rudi met grote ogen aan en probeert ondertussen zo zelfverzekerd mogelijk over te komen. Rudi klonk vastberaden. Eén schot en ze zullen vijandelijk vuur naar zich lokken. Rudi knikt kort. “Je hebt gelijk. We pakken het anders aan.”

Het gewiebel wordt sterker. Ik voel me misselijk worden. Hoe kan dit? Wat gebeurt er? Ik kijk omhoog naar het venster in de toren en zie twee handen met een mes aan mijn parachute snijden. Een flinke ruk aan mijn parachute en dan val ik prompt een paar meter naar beneden. Weer blijf ik hangen. Er is één koord van mijn valscherm gebroken, blijkbaar. Nog een ruk en daar ga ik. Met een doffe dreun voel ik me op het dak van de kerk vallen. Ik grijp om me heen, maar vind nergens houvast.
Nog een keer voel ik me los van alles. Dan lig ik op de grond naast de kerk en houden twee Duitse soldaten me in bedwang. Ik zie hun mond bewegen. Ze schreeuwen, maar ik hoor hen niet. Ik hoor niks meer. De klokken hebben me stokdoof gemaakt...

John Steele

John Steele wist na een paar dagen te ontsnappen aan de Duitsers die hem gevangennamen. De doofheid die hij door de klokken opliep, verdween naderhand. In september 1944 vocht hij mee in de Slag om Arnhem. Door de film ‘The longest day’ werden hij en Sainte-Mère-Eglise wereldberoemd. Steele overleed in 1969 aan keelkanker.

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons