Leuk én lastig: Nederlands oefenen om beter te integreren

‘Kan mijn zoen ook lid worden van de bibliotheek?’

Deelnemers Taalkamer Soesterkwartier, Amersfoort

Een bont gezelschap komt elke woensdagochtend tussen 10.00 en 12.00 uur bijeen in de Amersfoortse Emmaüskerk. Het zijn ‘nieuwe Nederlanders’, afkomstig uit allerlei windstreken: van China en Iran tot Syrië en Costa Rica. Wat hen bindt, is het verlangen beter Nederlands te leren spreken. Een kijkje in Taalkamer Soesterkwartier.

Een rood sandwichbord met ‘Open’ staat wijdbeens in de sneeuw voor een zijingang van de Emmaüskerk. Eronder is deze tekst te lezen: ‘Nederlands oefenen in de Taalkamer Soesterkwartier. Entree en koffie gratis.’ Die welkomstwoorden zijn gevat in het getekende silhouet van een huis met een geopende voordeur; uit de schoorsteen kringelt rook, in de vorm van vier hartjes.

Vanwege de sneeuw

Zullen er wel mensen komen? Carine Heinhuis, een van de coördinatoren, is er vanwege de sneeuw vooraf niet helemaal gerust op. De voormalige EO-medewerker is initiatiefnemer van de Taalkamer Soesterkwartier, die in mei 2017 zijn deuren opende. “Ons doel is ‘nieuwe Nederlanders’ op een praktische, heel laagdrempelige manier te helpen de Nederlandse taal te leren spreken,” legt Carine uit. “Dat doen we elke woensdagmorgen, met een enthousiaste groep vrijwilligers.”
Gelukkig druppelen rond 10.00 uur steeds meer mensen binnen in de multifunctionele ‘huiskamer’ van dit kerkgebouw. Voor iedereen schenkt vrijwilliger Jan een kopje koffie of thee in. Op de tafels staan ronde blikken met koeken en snoepjes.

Verliefd geworden

Karelia uit Costa Rica, deelnemer Taalkamer Soesterkwartier
Karelia uit Costa Rica is voor het eerst.

Als een van de laatsten stapt een jonge vrouw binnen. In behoorlijk goed Nederlands vertelt ze dat ze Karelia heet en uit Costa Rica komt. Ze woont hier pas drie maanden: ze heeft een Nederlander ontmoet op wie ze verliefd is geworden.
Jacqueline – sinds een halfjaar de derde coördinator – complimenteert haar: dat ze in zo’n korte tijd al zó goed Nederlands spreekt, is een zeldzaamheid. En hier in de Taalkamer Soesterkwartier kunnen ze het weten.

Plastic naamplaatje

Rond 10.15 uur neemt de andere coördinator Edo van den Brink het woord. De voormalige politiehelikopterpiloot heet iedereen welkom en in het bijzonder Karelia, die hier voor het eerst is. Er zullen twee groepen worden gevormd: de A1-groep (die een wat eenvoudiger niveau heeft) blijft hier, de A2-groep (die wat verder is) gaat naar de kamer hiernaast. “Na afloop zullen we buiten een sneeuwballengevecht houden!”
Een gedistingeerde man in een stoel bij het raam – donkergrijze snor, driedelig zwart pak, felrode stropdas – hoort het schijnbaar onbewogen aan. ‘Habib’, staat op zijn plastic naamplaatje. Ooit had hij volgens Carine “een héél groot huis in Syrië”. Maar vanwege de oorlog moest hij alles achterlaten om elders een veilig heenkomen te zoeken. Anders dan Karelia zijn de meeste Taalkamer-bezoekers naar Nederland gevlucht, en hebben ze hier asiel gekregen.

Oude trein

Oefenen in Taalkamer Soesterkwartier, Amersfoort

In de A2-groep doen alle deelnemers hun werkboekjes open. Eline, een van de twee vrijwilligers aan deze tafel, legt uit dat het vandaag over het museum gaat. “Kijk eens naar deze foto, boven aan bladzijde 18,” zegt ze. “Wat zie je?”
“Een oude trein,” zegt Mohammed, die links van haar zit.
“Oude trein,” zegt de veel oudere Salim.
“Hoe weet je dat-ie oud is?” vraagt Eline.
“Ehm… de stijl?” antwoordt Mohammed.
Eline knikt. “Deze trein ziet er niet modern uit. Zulke zien we niet meer hier op het station, hè?”

'Leukomotief'

Bord bij ingang Taalkamer Soesterkwartier, Amersfoort

Iemand spreekt locomotief uit als ‘leukomotief’. Eline legt geduldig uit dat het ‘loco’ is, niet ‘leuke’. Omdat Mohammed dat ouderwetse woord graag op zijn kladpapiertje wil schrijven, spelt ze het voor hem. Dan kijkt Eline opnieuw de kring rond en vraagt: “Weet je ook hoe het heet waar een trein op rijdt? Rijdt de trein op de weg?”
Karelia schudt nee. “De systeem van deze locomotief is met voer.”
Eline: “Bedoel je vuur?”
Karelia: “Ja. Nieuwe treinen hebben andere systeem.”
Salim: “Deze rijdt niet op de weg. Spoor.”
Eline: “Heel goed. Ik bedoelde dit woord: rails.”
Ze legt haar wijsvinger weer bij het plaatje en zegt: “Deze staat in het Spoorwegmuseum. In Utrecht. Gaan jullie weleens naar een museum?”

Elders op de wereld

In de kamer hiernaast staat vanmorgen de bibliotheek centraal. Taalvrijwilliger Dicla legt uit: “Als je iets mooi of interessant vindt, kun je het lenen. Maar alleen als je een abonnement hebt.”
Habib schuift z’n zwarte leesbril op zijn gladde schedel en knikt.
Tijd voor een oefening. Dicla leest de eerstvolgende opdracht uit het werkboekje voor: “‘Luister naar je begeleider. Die leest een aantal zinnen voor. Zijn de zinnen goed? Ja of nee?’”

Jullie hebben goed geluisterd!

'Is dat een goede zin?'

Langzaam en duidelijk articulerend leest Dicla de eerste voorbeeldzin voor: ‘Shannon wil lid worden van de bibliotheek.’ “Is dat een goede zin?” vraagt ze aan de Eritrese Zebib. “Ja.” Na haar krijgt Asan een beurt, die uit China komt, en na hem Habib. En dan weer een rondje. Bijna alle antwoorden zijn goed.

“Jullie hebben goed geluisterd!” complimenteert Dicla. Vervolgens legt ze uit wat het verschil is tussen een vragende en een gewone zin, en hoe je dat kunt horen. Op haar verzoek leest Habib het eerste voorbeeldzinnetje voor. Dat doet hij als volgt: “Kan mijn zoen ook lid worden van de bibliotheek?” Niemand lacht omdat hij ‘zoen’ zegt in plaats van ‘zoon’. Want iedereen weet hoe lastig al die oo- en andere klanken zijn als je wieg elders op de wereld stond.

Het weer

Edo en enkele deelnemers in de Taalkamer Soesterkwartier, Amersfoort
Edo (rechts) en enkele deelnemers.

Naast hen buigt taalvrijwilliger Dik zich samen met Abdullah, die veruit het hoogste niveau heeft (B2), over zijn persoonlijke lesstof. Daarin draait het om iets waar iedere Nederlander vaak over praat: het weer. Ze zitten op een stoel, dicht naast elkaar, bij de zacht snorrende kachel.

Opletten geblazen

Dik laat Abdullah een weerkaartje in het oefenboek zien, met onder meer symbooltjes voor de windrichting, een wolkje en de temperatuur. Hij vraagt Abdullah welk ‘praatje’ hij erbij zou houden. Dat gaat hem verrassend goed af.
“Ik woon ongeveer drie jaar in Nederland,” zegt Abdullah. “In Syrië spreken we Arabisch: héél anders dan Nederlands.” Hoewel hij de taal al heel goed machtig is, blijft het ook voor hem opletten geblazen. Bijvoorbeeld met de ‘u’; ook hij heeft de neiging die als een ‘oe’ uit te spreken. “Maar,” zegt Dik, “ik vind het echt heel knap hoe goed jij Nederlands spreekt.”

Een los luidsprekertje

Rond 11.45 uur komt iedereen weer samen in de huiskamer. Zoals altijd, sluiten ze af met een ‘taal-rap’. Edo zet een los luidsprekertje op de vloer, draadloos verbonden met zijn smartphone. Even later zingt en klapt iedereen enthousiast mee (de tekst staat afgedrukt in de werkboekjes):

‘Ben jij er weleens geweest?’
‘Nee, nog nooit.’

‘Wat kun je er allemaal zien?’
‘Dat weet ik niet precies.’
‘Gaan er nog meer mensen mee?’
‘Ja, mijn zoon.’
‘Hoe laat zullen we gaan?’
‘Zullen we om 10.00 uur afspreken?’
‘Ja, prima. Tot morgen!’
‘Afgesproken, tot morgen!’

‘Knallen met die ballen!’

Carine Heinhuis (Taalkamer Soesterkwartier)
Carine Heinhuis (2e van links) is initiatiefneemster van de Taalkamer.

Sommigen vertrekken direct na afloop, anderen praten nog wat na. Karelia trekt haar warme winterjas aan voor ze de vrieskou in stapt. “Ik vond heel leuk,” zegt ze. “Interessant. Ik kom volgende keer weer. Dag, bedankt!”
“En nu: knallen met die ballen!” roept Edo, die snel in z’n jas schiet en naar buiten spurt om het sneeuwballengevecht te openen. Enkele mannen volgen hem, en al snel suizen de eerste ‘kogels’ door de lucht. Wat ‘inpeperen’ is, hoeft niemand hun uit te leggen, ontdekt Edo proefondervindelijk.

Ik met hen stukje lopen

Iets teruggeven

Mohammed, getooid met een warme muts, stapt op haar af. Hij is afkomstig uit Aleppo, woont bijna anderhalf jaar in Nederland en is ‘vaste klant’ van de Taalkamer. Wat hij ervan vindt? “Ik vind de Taalkamer… mijn familie. Ik ben hier alleen, in Nederland. Maar ik vind deze groep mijn familie. Ik kan hier mens zijn. Voel respect.” Tegen Carine: “Ik ga binnenkort vrijwilligerswerk doen, met oudere mensen.”
“Wat mooi!” zegt ze. “Wat ga je precies doen?”
“Ik ga zorg voor oud mensen. Beetje praten, beetje buiten lopen. Jullie helpen mij hier. Ik vind belangrijk óók mensen helpen.”
Carine: “Super!”

Dé poort

Carine, die het gevecht lachend aanziet, zegt: “Ik gun iedere stad en ieder dorp zo’n taalkamer of -café. Taal is dé poort naar het leven in Nederland. Wij zijn geen officiële taalschool, maar zijn puur gericht op de praktijk, dus spreektaal. Spelenderwijs, laagdrempelig. Zodat zij sneller en beter integreren. Het mooie is: al deze mensen wíllen Nederlands leren, dus ze zijn erg gemotiveerd. Anders waren ze wel thuisgebleven – zeker vandaag.”

Zijn afscheidsgroet

Deelnemers Taalkamer Soesterkwartier, Amersfoort

Mohammed: “Ik vroeger gewerkt, in Syrië, vier jaar als vrijwilliger. Ik gaf mensen voedsel, jassen, tenten. Andere mensen blij maken, is goed. Belangrijk voor deze stad. Iets teruggeven.”
Carine: “En je leert door dat vrijwilligerswerk straks nóg beter Nederlands. Goed bezig!”
“Ik vind leuk,” reageert Mohammed. “Oud mensen blijf vaak in thuis. Ik met hen stukje lopen. Ik heb energie, moet geven, anderen helpen. Is goed.”
Met een hand op zijn hart draait hij zich om, om door de sneeuw naar huis te wandelen. Zijn afscheidsgroet is een prachtige glimlach.

‘We delen lief en leed met elkaar’

Taalvrijwilliger Eline is vanaf de start bij de Taalkamer betrokken. “Als het kan, ben ik hier elke week. Ik was lerares Nederlands op een middelbare school, maar ben om gezondheidsredenen afgekeurd. Ik vind het mooi om hier toch weer iets met mijn vak te doen. Deze mensen zijn heel gemotiveerd om iets te leren. De samenstelling wisselt, maar er is wel een groepje vaste klanten. Die leer je steeds beter kennen, en dan ontstaat er een vertrouwensband. We delen hier lief en leed met elkaar; dat vind ik heel kostbaar. Dit is een initiatief vanuit onze kerk, de Kerk van de Nazarener. Als christen vind ik het tof om op deze manier, heel praktisch, iets te betekenen voor anderen. Waarbij ik er ook nog eens heel veel voor terugkrijg.”

Beeld: Ruben Timman

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons