Geloof maakt niet onsterfelijk

De Bijbel Open met dominee Arie van der Veer

We zingen met Pasen uit volle borst dat de dood ons geen angst meer aanjaagt. Toch zal er op een dag een graf voor jou en mij gedolven worden, zolang de wederkomst van Jezus niet heeft plaatsgevonden.

Mijn vrouw en ik hebben al een graf. Toen onze zoon stierf en begraven was, is mijn vrouw een paar dagen later naar de grafbeheerder gegaan. Ze wilde dat wij ook daar begraven zullen worden. Vlak naast ons kind. Toch hebben we het thuis weinig over het graf. We hebben ook niet het gevoel dat we straks in het graf met onze zoon worden herenigd. Onze gesprekken gaan veel meer over de hemel. Hoe het daar nu is en hoe het er zal zijn. Het graf is voor ons niet de laatste rustplaats, maar meer een halte, een wachtkamer op weg naar het eeuwige leven. Daarom vind ik Psalm 16 een geweldige psalm.

‘U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat Uw trouwe dienaar het graf niet zien.
U wijst mij de weg naar het leven: overvloedige vreugde in Uw nabijheid’
Psalm 16:10,11

Boven de wat oudere vertalingen staat als opschrift: een gouden kleinood. Wij gebruiken dat woord niet meer. We zouden nu kunnen zeggen: een juweeltje. En dat is deze psalm inderdaad. Nieuwere vertalingen hebben het Hebreeuwse woord (‘miktam’) vertaald met ‘stil gebed’. Dat is heel wat anders, maar ook die vertaling is mogelijk. Maar ik kies voor de eerste vertaling: de psalm is een juweeltje. Een lied van diep geloofsvertrouwen.

Kort samengevat komt de inhoud hierop neer. David zegt dat hij er met zijn God buitengewoon goed aan toe is. Niets gaat boven Hem, in heden en toekomst.

Goed getroffen

‘Mijn enig deel is de HERE!’ (vers 5). Dat is een prachtige uitdrukking. Deze uitdrukking herinnert ons aan de verdeling van het land Kanaän na de intocht van het volk Israël. In het boek Jozua lezen we dat iedere stam en familie door het lot een eigen stukje grond kreeg toegewezen. Een uitzondering vormde de stam van Levi (zie Numeri 18:20; Deuteronomium 18:1,2 en Jozua 8:7). Deze stam kreeg geen eigen grondbezit. Waarom? De stam Levi was geroepen om God op een bijzondere manier te dienen. Hun werk was de dienst in de tabernakel (de tempel). Het erfdeel van Levi was de HERE.

Anders gezegd: de HERE zou Zelf, zij het door de dienst en de gaven van de andere stammen, zorgen voor Levi en voor diens bestaansmogelijkheid en onderhoud. Hoewel David geen Leviet is, past hij dit vrijmoedig toe op zichzelf: ‘U bent mijn erfdeel. Wat heb ik het buitengewoon goed met U getroffen! En ik hoef helemaal niet bang te zijn dat ik dit kwijtraak: U houdt het Zelf in stand.’

De weg naar het leven

Bij Levi is geen sprake van allerlei zegeningen van materiële aard. Geen eigen grond, geen eigen bezit, geen eigen beroep. Nee, bij Levi draait alles om God. Het is de HERE Zelf! David ervaart dat ook zo. God is voor hem het ‘allerhoogst en eeuwig goed’. Hij mag bij Hem horen. Dat betekent niet dat David zegt dat hij daarom een onbekommerd bestaan heeft. De psalm begint juist met een gebed om bewaring. David zeg: ‘Ik schuil bij U’ (vers 1). Dat impliceert dat er concrete bedreigingen zijn. Dat kan van alles zijn: ziekte, vijanden, dood. ‘God belooft ons geen kalme reis’, dat gold toen ook. Maar als je je de HERE, de God van het verbond, voor ogen stelt, wijst God jou door al die moeilijke omstandigheden ‘de weg naar het leven’. Dat staat aan het einde van de psalm op een heel bijzondere manier omschreven: ‘U levert mij niet over aan het dodenrijk en U laat uw trouwe dienaar het graf niet zien. U wijst mij de weg naar het leven’ (vers 11). Dat is een prachtige zin. De weg naar het leven is niet hetzelfde als de levensweg. De levensweg is de gang van je dagelijkse leven. Alles wat er gebeurt en wat je overkomt. De weg naar het leven is een weg met een duidelijke richting. Je bent dan niet op weg naar de dood, maar naar het leven. Het zou kunnen zijn dat David dit geschreven heeft, nadat hij is hersteld van een ernstige ziekte. Als je toch weer beter mag worden, wordt er ook wel gezegd: ‘Ik mag nog leven’. Maar er zit in dat vers een perspectief, waar David wellicht zelf geen besef van heeft.

Dat perspectief kom je tegen in het Nieuwe Testament.

‘U wijst mij de weg naar het leven’ (vers 11).

Woorden over Jezus

Deze Psalm is de eerste Psalm die na de uitstorting van de heilige Geest wordt geciteerd en die wordt betrokken op de opstanding van Christus. In zijn eerste pinksterpreek wijst Petrus daarop. In zijn eerste synagogepreek verwijst Paulus er ook naar. Beide apostelen houden dus dezelfde uitleg aan. Het lijkt er daarmee op dat deze oude Psalmwoorden als het ware worden losgekoppeld van de woorden van David en worden geactualiseerd met het oog op Jezus.

In de kanttekening bij de Statenvertaling bij 1 Korinthe 15 wordt ook naar deze Psalm verwezen. En de kanttekeningen bij deze Psalm zeggen meteen al aan het begin dat David deze woorden spreekt als een voorbeeld van Christus, “in de stand Zijne vernedering.”

Ik ga ervan uit dat David de diepte van deze woorden zelf niet beseft heeft. Daardoor zijn deze woorden juist een profetie. Niet alleen voor Petrus, maar ook voor Paulus is het overduidelijk: Psalm 16 gaat voornamelijk over Jezus. ”U wijst mij de weg naar het leven.”

Door het geloof in Jezus is dit nu de weg die ieder kind van God mag gaan: de weg van de opstanding. Dwars door dit gevaarlijke leven heen en midden in deze gebroken en bedreigende wereld, loopt de weg van en naar hét leven. Het levenspad dat wij mogen gaan, loopt niet dood, maar loopt, op wonderlijke wijze, door de dood heen. Het gaat, zo mogen we zeggen, ook boven de dood uit.

Het geloof maakt ons niet onsterfelijk. De dood is angstaanjagend. Wanneer het sterven komt, huiveren we. Wij zullen door de dood heen moeten gaan. Het graf benauwt ons. Maar de dood houdt ons niet vast. De opstanding van Jezus Christus opent de weg naar het nieuwe leven. Het geloof in de opstanding is een bron van intense vreugde.

Oefen elke dag

Alleen, hoe houd je dat geloof vast?
Bij ernstige ziekte?!
Twijfel in je hart?!

David geeft in deze psalm vele wegen aan. Eén ervan is: ‘Steeds houd ik de Heer voor ogen’. David stelt zich steeds de HERE voor ogen. Steeds, dus elke keer weer. Hij dwingt zich ertoe. In moeilijke omstandigheden, bij dood en graf, denkt hij aan wie God is. Aan wat Hij gedaan heeft. Toen Petrus dreigde te verdrinken, deed hij dat niet. Kort daarvoor had hij het wel gedaan. Het stelde hem tot onmogelijke dingen in staat. Hij liep over het dreigende water. Tot het moment dat hij meer oog had voor het water dan voor de Heer!

Het geloof in Pasen, de vreugde over de opstanding, hebben we niet zomaar op zak. Je kunt die vreugde, het geloof in de weg dwars door de dood, ineens kwijt zijn. Daarom is het advies van David steeds actueel: Stel je Christus voor ogen. Zijn levensweg. Iets om je elke dag in te oefenen.

Troost voor Jezus

David heeft ook ervaring met tegenspoed en aanvechting. Hij kent het gevaar van de dood. Wij kennen het gevaar van de dood, van het verdriet dat op een totaal onverwachte plaats op ons ligt te wachten, of dat heel geleidelijk ons leven binnensluipt. Het verdriet van een leven dat wordt geknakt, een leven dat stuk wordt gemaakt, wordt weggevreten, wordt weggenomen. Dan zien we een duister dal, een dodenrijk.

Maar juist het kennen van de doodsdreiging kan ons helpen om de weg naar het leven te zien. Dat echte leven is een leven van ‘overvloedige vreugde in uw nabijheid’.

‘Heel dichtbij u, mijn God, zal ik gelukkig zijn.’

Dat is natuurlijk in de hemel het geval. Dat zal zo zijn op de nieuwe aarde. Maar David kende deze weg ook op deze oude aarde. Bij alles wat vol dreiging is, zoekt hij zijn ware veiligheid bij zijn HEER. Hij voelt zich veilig en beschut. Hij weet het niet alleen, hij gelooft het niet alleen, hij loopt al op die weg: de weg ten leven.
Deze psalm is door Jezus gezongen: ‘U levert mij niet over aan het dodenrijk!’ Wat moet dat ook voor Jezus een geweldige troost zijn geweest!

Psalm 16:
Een psalm van David.
Een psalm van Jezus.
Een psalm van elk kind van God.
 

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons