Via het kruis naar het licht

De Bijbel Open met dominee Arie van der Veer

Jezus is met Zijn discipelen op weg naar Jeruzalem. Het wordt Zijn laatste reis. In alle openheid vertelt Hij wat er met Hem zal gaan gebeuren.

‘Hij zei: “We zijn op weg naar Jeruzalem. Daar zal de Mensenzoon uitgeleverd worden aan de priesters en de wetsleraren. Zij zullen hem doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood”’ (Marcus 10:33,34). Meteen daarna komen twee leerlingen, de broers Jakobus en Johannes, naar Jezus toe. Ze hebben een verzoek. ‘Wanneer U heerst in uw glorie, laat een van ons dan rechts van u zitten en de ander links’ (10:37). Je bent geneigd om te zeggen: Wat een ongelukkig moment om daar nu over te beginnen. Nu Jezus aankondigt hoe zwaar Zijn lijden zal zijn, hebben zij het al over hun posities in Gods komende koninkrijk (= de heerlijkheid daarna). Alsof dat lijden slechts een hobbel is die even moet worden genomen. Deze discipelen lijken niet te beseffen hoe zwaar het lijden van Jezus zal zijn. Het wordt nog triester als de andere discipelen na die vraag ook nog een discussie beginnen. Ze vallen er niet over dat zij die vraag op dit moment ongepast vinden. Ze winden zich op over het feit dat Jakobus en Johannes zichzelf heel belangrijk vinden. Waar halen die twee het lef vandaan dat zij de beste en belangrijkste plaatsen in Gods heerlijkheid voor zichzelf durven te claimen? De één rechts van Jezus en de ander links! Ereplaatsen!

Doorzeuren

Nogmaals, hoe kun je daar op zo’n moment over beginnen? Dat vind ik wel een voor de hand liggende reactie. Ze blijven er ook nog eens met elkaar over doorzeuren. Hebben ze niet gehoord wat Jezus zei? Was echt niemand daarvan onder de indruk? De zeer milde reactie van Jezus is daarom opvallend. De discussie over wie van hen de belangrijkste is, keurt Hij overigens ten strengste af. Daar gaat Hij trouwens ook niet over. Maar Jezus maakt geen bezwaar tegen de vraag zelf. Hij zei dus niet: ‘Dat mogen jullie niet vragen. Hoe kunnen jullie daar nu over beginnen? Beseffen jullie wel wat er met Mij gaat gebeuren?’ Jezus reageert heel anders: ‘Jullie weten niet wat je vraagt!’

Jezus bedoelde daarmee: ‘Jullie beseffen niet wat jullie verzoek inhoudt en wat het betekent.’ Meteen verduidelijkt Jezus Zijn reactie door de discipelen de volgende vraag te stellen: ‘Kunnen jullie (dan) de beker drinken die Ik drink of met de doop gedoopt worden waarmee Ik gedoopt word?’

De discipelen willen regeren

Het waren wat raadselachtige woorden. De eerste uitdrukking is nog het eenvoudigste. Zwaar lijden moeten ondergaan wordt in de Bijbel vaker vergeleken met het drinken uit een beker. Denk bijvoorbeeld aan wat Jezus in Getsemane bad: ‘Vader, laat indien het mogelijk is deze drinkbeker aan mij voorbijgaan.’

De tweede uitdrukking over de doop is wat lastiger. Ik ben geneigd dat figuurlijk uit te leggen. Jezus had het niet over iets wat achter Hem lag, maar wat bezig was te gebeuren. Die doop vond nu plaats. Als ik deze uitspraak leg naast die uitdrukking over het drinken van een (lijdens)beker, zoek ik de betekenis meer in het bewandelen van de lijdensweg, die alsmaar zwaarder zal worden. Hij zal worden ondergedompeld in een stortvloed van pijn en ellende. Deze mannen weten totaal niet waar ze het over hebben. Trouwens, Jezus ontkent de heerlijkheid die straks zal komen niet, maar wijst op de zware weg die Hij zal moeten gaan om verheerlijkt te kunnen worden.

De weg naar Zijn opstanding loopt via Zijn kruis! De twee discipelen dromen over de tijd daarna. Ze hebben al nagedacht over de heerlijkheid die gaat komen, over het Koninkrijk waar Jezus het altijd over had. Over regeren, zelfs over meeregeren. Maar ze beseffen niet hoe zwaar de weg zal zijn die daaraan vooraf zal gaan. Met het zitten ter rechter‐ en ter linkerzijde van Jezus in Zijn heerlijkheid is immers het kruis gemoeid. Het zal trouwens niet alleen een zware weg zijn voor Jezus, maar ook voor de discipelen. Dat leken ze helemaal te vergeten. Want zo lees ik Jezus’ reactie: ‘Jullie weten niet wat je vraagt.’

Beker vol bitterheid

Ik kan het nog op een andere manier zeggen. Zij zitten al met hun gedachten bij het regeren en hun vooraanstaande posities. Christus daarentegen is nog volop bezig met het idee van dienen, van de minste zijn. Ik kom daar straks op terug. Zij zijn vol van Zijn toekomstige troon. Hij is vol van het kruis. ‘Weten jullie wat je vraagt?’ Hun antwoord is kortzichtig, maar wel ontroerend. Het is kort maar krachtig: ‘Ja, dat kunnen wij.’ De priester Henri Nouwen heeft eens geschreven dat hij enorm werd geraakt door deze tekst, toen die werd voorgelezen tijdens een viering. Toen hij jong was en op het punt stond om priester te worden, popelde hij om die beker te drinken. Om te delen in Jezus’ leven. Maar toen hij ouder werd, vroeg hij zich af: ‘Kán ik, kúnnen wij, de beker drinken die Jezus dronk?’ De beker die Jezus moest drinken, is de beker van het verdriet, van het lijden, van minachting, van eenzaamheid. Ja, van veel meer dan dat! De beker die Jezus moet drinken, is niet alleen de beker van Zijn eigen verdriet, van Zijn lijden aan het kruis, maar ook van het verdriet van de hele mensheid.

Het is de beker vol bitterheid. De beker, waarover Jesaja zegt: ‘U hebt uit de hand van de Heer, uit de beker van zijn toorn gedronken, en de kelk van de bedwelming leeggedronken, tot op de bodem’ (Jesaja 51:17).

‘Ik ben gekomen om mijn leven te geven als losgeld voor velen.’

‘Kunnen jullie de beker drinken?’ Zij dachten van wel. Aan de oprechtheid van hun antwoord hoeven we niet te twijfelen. Hun antwoord hebben ze niet lichtvaardig gegeven. Jakobus is de marteldood gestorven. Johannes heeft het eind van zijn leven doorgebracht als balling op het eiland Patmos. Jezus koos ervoor om die beker alleen leeg te drinken. Hij hoefde het niet te doen, maar Hij deed het vrijwillig, voor hen, voor ons. In het gesprek dat daarna volgde, heeft Hij het unieke karakter van Zijn lijden nog een keer uitgelegd. Jezus zei: ‘Ik ben gekomen om mijn leven te geven als losgeld voor velen.’ Als wij aan losgeld denken, denken we aan een ontvoering. Maar in de tijd van het Nieuwe Testament had het een andere betekenis. Het ging om het vrijkopen van een slaaf of gevangene. De ‘losser’ moest geld betalen om te voldoen aan de waarde van de slaaf, of om de schuld af te lossen van de gevangene voor zijn of haar vrijheid. Jezus zegt: ‘Dat is wat ik moet doen in Jeruzalem: de schuld betalen van deze wereld.’

Verdriet vol vreugde

Dus niet voor de vrijheid van één persoon, maar van iedere gelovige. ‘Kunnen jullie de beker drinken?’ ‘Weten jullie wat je vraagt?’ Deze weg hoeven jullie niet te gaan. Dat is het goede nieuws. Maar wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn. Een discipel staat niet boven zijn meester. Ik zal jullie dienaar zijn, het wordt ook van jullie gevraagd. Want wie delen wil in Mijn heerlijkheid, moet ook delen in Mijn lijden. Ik leg woorden van Paulus in de mond van Jezus. Maar Paulus kan het zeggen. Hij heeft dit allemaal in zijn eigen leven ervaren (Romeinen 8:17). De beker die Jezus moet drinken, is er een die Hij alleen moet drinken. Toch zegt Hij tegen Jakobus en Johannes: Jullie zúllen mijn beker drinken. Het lijden zal niet aan hen voorbijgaan. Aan niemand die Jezus Christus in deze wereld wil volgen. Het is een weg via het kruis naar het licht. Daarom is wat Jezus zegt niet alleen beangstigend, maar ook hoopgevend. Jezus wilde niet dat Zijn vrienden zouden lijden. Maar Hij wist dat ook zij alleen hun heerlijkheid zouden bereiken, door te lijden. De beker van verdriet is tegelijk ook de beker van vreugde.

In dit verdriet schuilt altijd vreugde.

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons