Richteren

De Bijbel Open met dominee Arie van der Veer

Deze keer besteed ik aandacht aan het boek Richteren (Rechters), en dan met name aan de hoofdstukken 1 en 2. Deze twee hoofdstukken vormen de sleutel om de rest van dit boek te kunnen begrijpen

De Bijbelboeken Jozua en Richteren hebben alles met elkaar te maken. Daarom begin ik eerst met het boek Jozua. In dit Bijbelboek wordt verteld hoe het volk Israël onder leiding van Jozua, de opvolger van Mozes, het beloofde land in bezit nam. Maar de verovering werd niet afgerond. Er waren nog steeds gebieden in handen van de vijanden. Dat blijkt heel duidelijk uit het verhaal in het boek Richteren. Aan het eind van zijn leven roept Jozua het hele volk opnieuw bij elkaar. Jozua wil dat het volk het verbond met God vernieuwt. Hij is ongerust. Blijkbaar hadden de mensen bij het vertrek uit Egypte afgodsbeelden meegesmokkeld, want Jozua roept hen op de afgodsbeelden weg te doen. Het volk gehoorzaamt Jozua. Plechtig beloven de stammen alleen de HERE te dienen. Jozua gaat ze daarin opnieuw met enthousiasme voor. Plechtig verklaart hij: ‘Ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen’. Het boek Richteren vertelt wat er gebeurde ná de dood van Jozua. Eerst leek het helemaal goed te gaan. De stammen trokken de hun beloofde stamgebieden in om die gebieden nog meer onder controle te krijgen. Ze veroverden stad na stad. Maar dan opeens stagneert de reeks overwinningen. Dat blijkt al uit het verslag van de stam Juda (Richteren 1). Juda veroverde wel het bergland, maar het lukte niet om de bewoners van de laagvlakte te verdrijven, want – zo staat er ‒ die beschikten over ijzeren strijdwagens. Dat is het begin van veel meer negatieve berichten. Kaleb verovert nog de stad Hebron. U weet dat hij, samen met Jozua, altijd al had geloofd in de overwinning van Gods volk. Maar dat is ook wel het laatste wapenfeit. In Richteren 1 vers 21 staat dat de stam Benjamin de bevolking van Jeruzalem, de Jebusieten, in die stad liet wonen, tegen Gods bevel in. Zij weigerden daarmee het gebod van God uit te voeren. Dat luidde dat heel het land gezuiverd, gereinigd moest worden. Kanaän moest het land worden, waar alleen Gods volk woonde.

Gods oorlog

Dan volgt in hoofdstuk 1 een verslag van vele andere voorbeelden, waaruit blijkt dat het volk de strijd steeds makkelijker leek op te geven. Bijna alle stammen maken zich daaraan schuldig. Ze vonden het blijkbaar welletjes. Zij kozen voor een andere aanpak. Ze besloten om de Kanaänieten niet te verjagen uit het land, maar om hen te onderwerpen en zelfs tot slaven te maken, tot waterdragers en houthakkers, en om hen tot herendienst te verplichten (Richteren 1:28). Zo werd het land Kanaän een land met een gemengde bevolking, bestaande uit Israëlieten en andere volkeren. Heidense volkeren woonden tussen Gods volk. Met alle gevaren van dien. Israël was een piepjonge natie. Hoe zou dit volk in zo’n setting volk van God kunnen en willen blijven? Dit kon niet goed gaan. Het ging inderdaad niet goed. Israël haalt zich Gods oordeel op de hals. In de eerste verzen van hoofdstuk 2 (vers 1-5) lezen we dat de engel van God verschijnt. Aan het begin van de verovering van het land Kanaän was die engel van God ook al verschenen. Het gebeurde toen in Gilgal. Het eerste kampement, waar het volk Israël zijn tenten had opgeslagen, nadat zij door de Jordaan waren getrokken. Die engel van God had zich daar toen ‘vorst van het leger van de HEER’ genoemd. God had toen duidelijk de leiding van de verovering op Zich genomen. Dit was niet zomaar een oorlog. Dit was Gods oorlog. De engel van God ging voorop in de strijd. Het was Gods Hand die Jericho deed vallen. Vanaf dat moment boekten ze geweldige overwinningen. Omdat ze naar Hem luisterden. Vanuit Gilgal was de verovering begonnen. Maar nu was de overwinningsreeks gestopt. De oorzaak was helder. De Israëlieten hadden voor een andere tactiek gekozen, een eigen tactiek.

Gejammer

Daarom verscheen de engel opnieuw. Dat was op een andere plaats, namelijk bij Bochim. De engel bracht een ontstellende boodschap. Namens God sprak hij: ‘Ik heb jullie uit Egypte geleid naar het land dat ik jullie voorouders onder ede had beloofd. Ik heb gezegd dat ik mijn verbond met jullie nooit zou verbreken. Maar jullie mochten geen verdragen sluiten met de inwoners van dit land en hun altaren moesten jullie afbreken. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat ik heb gezegd. Hoe hebben jullie dat kunnen doen? Daarom heb ik besloten dat ik de inwoners van dit land niet voor jullie zal verdrijven. Zij zullen jullie in hun netten verstrikken en hun goden zullen jullie ondergang worden.’ Ja, toen was Leiden in last. Het volk barstte in gejammer uit. Dit kon toch niet waar zijn? Zij waren toch het volk van God? Gods oordeel was streng, maar rechtvaardig. God was boos, omdat het volk geweigerd had de heidense altaren af te breken, verklaarde de Engel des Heren. Boos, omdat het volk niet had gedaan wat het opgedragen was. Zij kozen voor een eigen tactiek. Nou, dan moesten ze het ook maar zelf doen. Het volk probeerde God van gedachten te veranderen. Maar het bleek te laat te zijn. Grote paniek ontstond. Zo erg dat de plek, waar zij toen waren, een bijnaam kreeg: Bochim, wat betekent ‘jammerplaats’. Hoe had het zo ver kunnen komen? Ik gaf u al een reden. Maar interessant is ook wat de schrijver nog meer vertelt. Tijdens Jozua’s leven en dat van de oudsten die Jozua overleefden, bleef het volk getrouw (Richteren 2:7). Maar tegen de tijd dat er een volledig nieuwe generatie was opgegroeid – één die de wonderen niet had gezien die de Here bewerkt had, zoals de uittocht, de woestijnjaren en het binnentrekken van het Beloofde Land – werd de trouw aan de HERE en Zijn dienst steeds minder.

Slecht in de ogen van de HERE

Typerend voor de eeuwen daarna is wat er staat in Richteren 2:11: ‘De Israëlieten begonnen te doen wat slecht is in de ogen van de HERE: ze gingen de Baäls dienen. Ze keerden de HEER de rug toe, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte had geleid, en begonnen achter andere goden aan te lopen die werden vereerd door de volken waartussen ze woonden. Door voor die vreemde goden te buigen krenkten ze de HERE’ (Richteren 2:11,12). De nieuwe generaties waren zich te weinig bewust geweest van deze wonderen. Mede daarom zochten ze het in eigen kracht. Dit is de achtergrond van het boek Richteren. Ja, het boek vertelt ook hoe er berouw en bekering kwam. Maar wat je in het begin leest, wordt een steeds terugkerend refrein. Telkens weer riep het volk de toorn van God over zich uit. Telkens zocht men het in eigen kracht. De mensen vergaten dat zij geroepen waren om Gods volk te zijn. Door dat steeds weer te vergeten, stortte het zichzelf daardoor gedurende drie, vier eeuwen steeds in nieuwe ellende. Het volk kreeg te maken met invallen van vijanden, tegenslagen en militaire nederlagen.

Toch werd het volk ook toen niet van de aardbodem weggevaagd.

Want, en dat is ook typerend voor het boek Richteren, wanneer het volk God weer aanriep, schoot God toch te hulp en gaf Hij mannen/richters die opnieuw redding brachten. In het Hebreeuws werden ze sjofetim genoemd. Onder normale omstandigheden waren dat mensen die rechtspraken. Maar zij kregen er een extra taak bij. Ze kregen de opdracht om het volk te bevrijden. Bekende namen komt u tegen. Namen als Debora, Barak, Gideon, Jefta en Simson. Soms opereerden ze in hun eentje. Soms stelden ze een leger samen.

Blijvende trouw van God

Er gingen drie, vier eeuwen overheen. Er waren nog geen koningen. Het waren sterk wisselende tijden, waarin het volk dan weer wel en dan weer niet naar God luisterde. Het was een tijd van herstel en verval. Het volk zou zijn vergaan, als God Zelf niet Zijn richters had gegeven. Dat waren soms eenvoudige mensen, maar stuk voor stuk dapper en vroom. Door God Zelf geroepen, om Zijn volk in de ellende te helpen. Israël was vaak ontrouw. God bleef wel trouw aan Zijn verbond. Gods verbond is er immers niet voor slechts een paar jaar. Geldt niet alleen voor vrome tijden, maar blijft altijd van kracht, ook als mensen Hem vergeten. Aan het eind van Richteren staat vier keer dat er ‘geen koning was in Israël’ (Richteren 17:6, 18:1, 19:1, 21:25). Bovendien wordt er twee keer aan toegevoegd dat ‘ieder deed wat recht was in eigen ogen’. Het wordt tijd voor een koning. Maar wel een koning, zoals God die beschreven had in het boek Deuteronomium. Geen democratie, maar een theocratie. De richterentijd is een zware tijd geweest. Toch was het niet alleen een periode die werd gekenmerkt door ontrouw, maar ook door de blijvende trouw van God.

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons