Kampoverlevende en 4 mei-spreker Wim Aloserij (94) overleden

'Met wraak vergiftig je jezelf"

Wim Aloserij overleefde drie concentratiekampen en de scheepsramp met de Cap Arcona, waarbij zevenduizend gevangenen omkwamen. Hij zou vandaag spreken tijdens de Nationale Dodenherdenking, maar overleed in de nacht van woensdag op donderdag. Wim is 94 jaar geworden.

Alosery inspireerde jong en oud met zijn levensverhaal. Dat was niet alleen een verhaal over de wreedheid van oorlog, maar vooral ook een boodschap over vergeving en menselijkheid. Waar mede-overlevenden geen voet meer in Duitsland zetten, sleepte Wim een Duits gezin met autopech naar huis. “Met wraak vergiftig je jezelf.”

Geïndoctrineerd

“In de Gestapo-gevangenis aan de Euterpestraat werd ik verhoord door de Sicherheitsdienst. Als de SD je verhoort, kom je er zonder gebit uit hoor, jááá... Vanuit de gevangenis werd ik naar Kamp Amersfoort gebracht, en vandaaruit naar Neuengamme, een concentratiekamp in Noord-Duitsland. Dan begint de échte ellende. Amersfoort was niet slecht, hoewel, ik heb gezien hoe mensen in elkaar klapten en ikzelf moest strafoefeningen doen. Over de grond kruipen, zo, op je ellebogen. Een jong SS’ertje mocht zich uitleven op ons. Laat ze maar wat oefeningetjes doen, zei zo’n officier. Nou, dat knulletje ging tekeer, ging tekeer... Bijna met het schuim op z’n lipjes. En die officier goedkeurend knikken. Ze waren geïndoctrineerd, Hitler was hun god geworden, die werd aanbeden. Een demon, ze hingen aan zijn lippen. In de Bijbel staat niet voor niets: de gehele wereld ligt in de macht van de goddeloze.”

Onzichtbaar maken

Jeugdfoto gezin Wim Aloserij

De ogen van Wim Aloserij (94) lichten niet zelden op. Als hij vertelt hoe hij in 1943 als 19-jarige metaalbewerker in Braunschweig moest werken en vluchtte door op een rijdende trein te springen; als hij vertelt hoe hij zich in concentratiekamp Neuengamme als schilder voordeed om zo aan het zwaarste werk te ontsnappen; hoe hij zelf klusjes verzon om aan eten te komen. Hoe hij zo geworden is? Wim groeide op met een gewelddadige, vaak dronken stiefvader, en was daarom liever op straat, in de rauwe Amsterdamse wijk Kattenburg. Die tijd heeft hem gehard, hij wist hoe hij zichzelf onzichtbaar moest maken voor zijn stiefvader, zich moest aanpassen aan moeilijke omstandigheden.

Niettemin blijft het een wonder dat hij nog leeft. Zesduizend Nederlanders werden in Neuengamme vermoord, tien procent overleefde. Toen de oorlog bijna voorbij was, zat Wim op het cruiseschip Cap Arcona, waar de Duitsers duizenden mensen gevangenhielden. Bij vergissing bombardeerde de Britse luchtmacht het schip. Zevenduizend opvarenden kwamen om, Wim hoort bij de 350 man die – zwemmend tussen de lijken door – het vuur, de verstikkende rook, het ijskoude water en vijandelijk vuur overleefde. “Als ik terugkijk, denk ik weleens: ik heb een goede Vader boven. Hij heeft vast gedacht: die knul houd Ik nog effetjes.”

Emoties wegdouwen

“In kamp Neuengamme werden we meteen geslagen. Ik moest mijn kleren afgeven en een streepjespak aantrekken. We kregen geen zeep en handdoek, maar werden wel geschoren. Ze speelden een spelletje met ons en degradeerden ons tot een nummer. Als ik mijn nummer hoor, 49019, ga ik automatisch in de houding staan. Per dag kregen we twee sneeën brood, van slechte kwaliteit. De schrijver van mijn boek heeft uitgezocht dat de plaatselijke bakker voor het hele kamp brood moest bakken en vermalen houtzaagsel en visgraten door het meel deed, om geld uit te sparen.”

Sinds uw boek deze maand is verschenen, krijgt u veel media-aandacht. Raakt het u om steeds uw verhaal te vertellen?
“Van de week wel. Ik had mijn verhaal verteld op de boekenbeurs en kreeg een staande ovatie, als één golf gingen ze staan. Dát heeft me gepakt... Jááá, dan word je een beetje emotioneel. Maar verder douw ik emoties het liefst zo snel mogelijk weer weg. Mijn idee is: als je emoties laat gaan, verzwak je jezelf, dat heb ik in het kamp zo ontwikkeld. Toen ik al die ellende en al dat verdriet zag, besloot ik: ik geef me niet over aan mijn emoties. Misschien heeft dat me mede gered. Wil je vrijkomen van alles, dan moet je herinneringen buitenboord zetten. Je kunt er achteraf toch niets meer aan doen.”

Die twee minuten stilte? Van mij hoeft het niet

Van feestje naar feestje

Toen Wim na de oorlog in een bevrijd land thuiskwam, was iedereen in een feeststemming. “Ze kregen mooie spulletjes, gingen van feestje naar feestje. Wat moest ik ze vertellen? Alleen maar ellende. Ik heb tegen mezelf gezegd: de deur gaat dicht. Dat duurde tot 1993. Toen kreeg ik opeens een uitnodiging voor een herdenking van de ondergang van de Cap Arcona. Tijdens die herdenking ontmoette ik iemand die net als ik van die schuit was gekomen. Hij vertelde me over een stichting met nabestaanden. Vanaf dat moment ging ik praten, ik had m’n maatjes weer! Wij wisten waar we het over hadden.”

Wat gaat er door uw hoofd tijdens de twee minuten stilte op 4 mei?
“Dan denk ik: we staan hier, maar het betekent eigenlijk niks. Je helpt er de slachtoffers niet meer mee. Misschien hebben de nabestaanden er wat aan, maar van mij hoeft het niet. Tegelijkertijd biedt het wel de gelegenheid om wat te vertellen, dat zal ik 4 mei dan ook doen, in Amsterdam. Maar die herdenking is vooral een protocol geworden. Bovendien: de wereld is er alleen maar gewelddadiger op geworden. Liquidaties, verkrachtingen...”

Karrenvrachten vol

“Halverwege de jaren 50 ben ik met Miep, mijn vrouw, een keer teruggegaan naar Husum, nieuwsgierig wat er van dat kamp over was. We ontdekten dat het bed & breakfast waar we logeerden, werd gerund door echte nazi’s, op en top – en dat na tien jaar! Ik zei tegen m’n vrouw: ‘Niet zeggen waarvoor we hier zijn.’ We moesten ons wel gedeisd houden, het was ons slaapplekkie! Het kamp bleek zo goed als afgebroken, her en der stond nog een muurtje overeind. Buiten het kamp zag ik in de verte een boerderij die ik herkende. We reden erheen in de hoop meer informatie over het kamp te krijgen. Een vrouw liet ons binnen, waar haar man op een divan lag. ‘Ken je mij?’ vroeg hij. Nee. ‘Ik ben die jongen die de lijken moest weghalen.’ Zeventien was-ie toen, en elke ochtend kwam hij met paard en wagen ons kamp binnen, waar de lichamen in zakken klaarlagen. Steeds meer, op het laatst karrenvrachten vol. Vanwege een probleem met zijn been kon hij niet in militaire dienst, dus moest-ie van de SS de lijken vervoeren. Die Duitse jongen heeft zo veel gezien, zo veel gezien... Hij is zelf dus ook slachtoffer geworden van het nazibewind, tien jaar na dato was hij er nog helemaal ondersteboven van. Dat begrijp ik, maar zelf heb ik geprobeerd alles op een afstand te houden, me niet te verdiepen in al het leed dat ik heb gezien.”

Lieve mensen

In 1959 kwam Wim op weg naar huis een auto met pech tegen, Duits kenteken. Het echtpaar dat naast de auto stond, wilde Amsterdam bezoeken, en de bollenstreek. “Ik zei: ‘Ik sleep je wel naar je hotelletje, en morgenochtend breng ik jullie naar de bloembollen.’ Lieve mensen waren het, we repten de volgende dag met geen woord over de oorlog. Aan het eind van de avond wisten ze niet hoe ze terug naar Duitsland moesten. ‘Ik sleep je naar de grens, zorg jij dan voor iemand die je naar huis sleept.’ Bij de grens stond niemand, dus sleepte ik ze naar huis, honderd kilometer verderop. Twee weken later: een dikke envelop op de mat. Een bedankbrief van de familie, met daarbij een krant uit Hannover met over de volle pagina een interview met het echtpaar. Dat ze in het Duitsland-hatende Nederland zo hartelijk waren geholpen. Ik was zo ongeveer een heilige.”

Sommige oorlogsslachtoffers zetten geen voet meer op Duitse bodem, of rijden zelfs geen Duitse auto. U koestert totaal geen wraakgevoelens. Hoe verklaart u dat?
“De huidige generatie Duitsers is heel anders. In kamp Husum-Schwesing, waar ik na Neuengamme terechtkwam, was er geen ontsnappen aan de moordtactiek van de Duitsers, Vernichtung durch Arbeit: je doodwerken. Daar zag ik hoe een Duitse jongeman huilde omdat hij zag hoe wij behandeld werden. Wraak is niet goed, daarmee vergiftig je jezelf. Je haat Duitsers, maar zij weten het zelf niet eens! Het stoort ze niet, maar jíj kwijnt weg. Daarom zegt Jezus: je moet je naaste liefhebben als jezelf. Natuurlijk haat ik wat die mensen deden, maar niet de mensen zelf. Ik zal je wat vertellen: in 1969 was ik bij een internationaal congres in Duitsland met overlevenden van de oorlog. Na afloop werd een groep die in hetzelfde kamp had gezeten, gevraagd achter de coulissen te komen. Daar stonden gewezen SS’ers, die kwamen hun excuus aanbieden. Kijk: God heeft ons ook zo veel vergeven. Ik heb nooit met haatgevoelens rondgelopen. Nooit gedacht: die zou ik wel z’n strot willen doorsnijden. Maar vergeten zal ik het niet.”

Tekst: Wilfred Hermans
Beeld: ANP

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons