Hoe 'doen' wij sorry?

Moeten wij sorry zeggen voor de slavernij?

Tientallen jaren wordt er al over gediscussieerd: moeten wij onze excuses aanbieden voor de slavernij? Visie duikt in die vraag en ontdekt: sorry doen is misschien wel belangrijker dan sorry zeggen.

Moeten wij sorry zeggen voor de slavernij? Het is misschien wel een van de meest ongemakkelijke vragen die we onszelf kunnen stellen, en ook een van de moeilijkste. Want namens wie zeggen we sorry? Als land? Als kerk? Als mensen met een bepaalde achtergrond? Als individu, namens onze voorouders? Wat houdt het sorry nog in, als degenen die er direct bij betrokken waren – aan beide kanten – niet meer leven? Hoe voorkom je dat het gesprek hierover verzandt in een vruchteloze discussie? En, waar de vraag het spannendst is: welke consequentie heeft dat sorry, in bijvoorbeeld herstelbetalingen?

Schuldig

Dat wij als Nederlands volk schuld hebben aan slavernij staat vast. De Nederlandse staat, en later Nederlandse bedrijven, hebben aan slavenhandel gedaan. Of er andere, ergere slavernij was in de wereld, of Nederland daarin vooropliep, hoeveel het heeft opgebracht en wat precies de omstandigheden waren, is daarbij niet eens zo relevant. Als we geloven dat slavernij verkeerd is – wat we hopelijk doen – dan zijn het Nederlandse volk en de Nederlandse staat daar schuldig aan.

Sorry doen

En er wordt al ruim twintig jaar gedebatteerd over de vraag of we er als staat sorry voor moeten zeggen, met name vanwege de juridische consequenties van dat sorry. Toch is dat voor ons als individuele burgers niet eens de belangrijkste vraag. Een wijs opvoedkundige zei eens tegen zijn kind: je moet niet alleen sorry zeggen, ook sorry doen. Voor ons is de vraag: hoe doen we sorry? Het Engelse woord sorry slaat terug op sorrow: we zijn er bezorgd over, het bedroeft ons. Hoe geven wij die bezorgdheid vorm? Hoe gaan wij om met onze erfenis? Tegen welke gevolgen van de slavernij kijken we nu nog aan? Wat zit er nog in onze houding en ons gedrag? En wat kunnen we daarmee? Een kleine verkenning.

‘Hoeveel van die minachting, die afschuw zit er nog in ons?'

Afschuw

Minachting. Dat is de basis voor elke vorm van slavernij. Aldus slavernij-onderzoeker Dick Harrison. In Trouw zegt hij: “Het is het dedain van de winner voor de loser. Als je een ander mens zijn vrijheid wilt ontnemen, moet je hem verafschuwen, én die afschuw rechtvaardigen en institutionaliseren. Dat doe je door te zeggen dat die persoon zijn lot aan zichzelf te wijten heeft, bijvoorbeeld omdat hij een oorlog heeft verloren, of arm is. Alleen als je op zo’n manier een psychologische barrière opricht tussen jou en de ander, kan slavernij bestaan.”

Vraag

De spannende vraag van vandaag is: hoeveel van die minachting, die afschuw zit er nog in ons? Zijn er nog stereotiepe en minderwaardige beelden richting mensen met een andere achtergrond? Hoe kijk je naar broeders en zusters met een andere kleur? Overheerst angst, wantrouwen, woede?

‘Ons past op dit moment een portie ootmoed’

Beelddrager van God

Het tegenovergestelde van minachting is nederigheid. Als wij erkennen dat we eeuwenlang hebben geprofiteerd van medemensen via slavernij en kolonialisme, past ons op dit moment een portie ootmoed. Om het met een verklaring van de Raad van Kerken te zeggen: ‘We weten uit de Bijbel dat alle mensen naar Gods beeld zijn geschapen maar we hebben mensen niet als beelddrager rechtgedaan.’ Het is aan ons om mensen wereldwijd te zien als beelddrager van God, ongeacht achtergrond, en daarbij te erkennen dat wij hen te vaak als minderwaardig hebben gezien.

Nederigheid

Een houding van nederigheid verandert een hoop. Het maakt dat je eigen gelijk niet zo belangrijk is, maar dat je begint met luisteren (en dat is rond het sinterklaasfeest best spannend). Het zorgt ervoor dat je meelijdt met het leed, en dus misschien Keti Koti (1 juli, de herdenking van de afschaffing van slavernij) een plek geeft in je leven of in de kerk. Het zorgt ervoor dat je verbinding zoekt met buurtgenoten met een andere achtergrond, in plaats van afstand houdt. Dat je, zonder de verschillen te verdoezelen, op zoek gaat naar Gods afbeelding in de medemens, ook als die qua achtergrond of mening ver van je afstaat.

Slaafvrij

Maar sorry doen heeft nog een aspect: slavernij is nog niet voorbij. Volgens de Verenigde Naties leven er wereldwijd veertig miljoen mensen in slavernij, van wie een kwart kind is. En wij hebben daar invloed op. Allereerst natuurlijk in ons koopgedrag. Onze kleding, ons speelgoed, onze computers, onze telefoons en ons eten komen ergens vandaan. Het is onze verantwoordelijkheid om te weten wáárvandaan, en om ‘slaafvrij’ te kopen. En dan hebben we het nog niet gehad over de slavernij in de seksindustrie – als er één reden is om ver van porno te blijven, is dat het. Ook in Nederland leven slaven. In de prostitutie, de landbouw, de transportwereld en in de horeca. Wij kunnen onze ogen en oren openhouden om daartegen te vechten; bijvoorbeeld als je merkt dat er wel erg veel mensen in één appartement wonen, of dat een serveerster wel erg weinig vrij is.

Hoop

Eenvoudig is het niet, nadenken over onze verantwoordelijkheid voor het slavernijverleden. De kunst is om het als motivatie voor hoop en verbinding te gebruiken, in plaats van het ver van je af te schuiven of het te zien als oorzaak voor een verlammend schuldgevoel. Om het wat archaïsch Bijbels te formuleren: na een collectieve schuldbelijdenis volgt bekering.

Beeld: Gerdien van Delft-Rebel

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons