Icon--npo Icon--twitter Icon--facebook Icon--instagram Icon--mail Icon--search Icon--video Icon--image Icon--audio Icon--EO Icon--whatsapp Icon--linkedin Icon--snapchat Icon--youtube Icon--quote arrow-right Icon--arrow-down Icon--chevron-right Icon--menu clock Icon--background Icon--backgroundContent Icon--overlayBottom Icon--overlayTop Icon--girl Icon--boy Icon--cross

Honger in de Tweede Wereldoorlog: ‘Brood wás er niet’

Het verhaal van Ria, een mager meisje in de oorlog

foto meisje tweede wereldoorlog

Ria van Eijk-Frinsel (84) telde nog maar vijf lentes toen de Tweede Wereldoorlog losbarstte en voedsel snel schaarser werd. Omdat ze zo mager was, moest ze tijdens de bezetting meer dan eens haar ouderlijk huis in Amsterdam verlaten om elders aan te sterken. “Ik ging zelfs naar Duitsland, in 1944. Moederziel alleen.”

“Kijk, dit is de enige foto van mijzelf uit de oorlog. Zie je die magere beentjes? Ik was altijd al een scharminkeltje, hoor. Ook voor de oorlog. En die kleppers – dat waren geen normale schoenen. Hoe oud zal ik hier geweest zijn? Een jaar of 7, denk ik. Ik was 5 toen de oorlog begon. Ik ben van 27 februari 1935. Ach, die grote strik in mijn haar en dat schortje voor. Zou je nu eens moeten aankomen!”

Op advies van de dokter

“Ik was 3 jaar toen ik voor het eerst naar zo’n koloniehuis moest, om aan te sterken. Heeft u daar nog nooit van gehoord? Grappig, niemand weet het. Tegenwoordig zou je het opvanghuizen noemen, misschien. Maar ik ben als kind dus vaak in die koloniehuizen geweest, op doktersadvies. Daardoor heb ik wel veel gemist. Er zitten hiaten in mijn herinneringen. Aan thuis, bedoel ik: ik was vaak wekenlang weg. Dat heeft me wel gevormd. Ik werd al vroeg zelfstandig. Tegelijk bracht het veel eenzaamheid met zich mee. Dat realiseerde ik me vooral later. Dat zou je zelfs wel met grote letters boven mijn kindertijd kunnen schrijven: eenzaamheid.”

Jodenster

“Wij woonden op de derde verdieping en keken uit op de Sint-Willibrordus (gesloopt in 1970, red.). Elke zondag hoorden we de klokken luiden. Pal onder ons, op de tweede verdieping, woonde een Joods gezin. Daar stikte het van de armoe. Wij hadden het al niet breed, maar zij hadden helemáál niks. Dus wij hebben ze vaak te eten gehad. Vooral die twee kinderen. Loeki, zo heette mijn buurjongen, en... hoe heette zijn zus ook weer? Lotte. Zij was de oudste van de twee. Hij zag er heel Joods uit. Lotte niet.

Hun moeder was een Jodin. Op een gegeven moment moest zij een Jodenster op haar bovenkleding dragen. Haar man – een Zeeuw – niet. Hij was christen. De familie Meulenberg. Voor de oorlog hadden ze een bonthandel, dus ze zullen ooit best bemiddeld zijn geweest. Maar nu waren ze armer dan wij. Goddank heeft dat hele gezin de bezetting en de razzia’s in Amsterdam overleefd.”

Ik zie mijn vaders teleurgestelde gezicht nog zo voor me

‘Dat vond ik zó min’

“Wat ik me nog haarscherp herinner, is dat mijn vader een keer de Beemster is ingegaan om wat dingen te ruilen voor voedsel. Met een transportfiets. Mijn moeder heette Rika, maar hij noemde haar altijd Kiki. ‘Kiki,’ zei hij blij toen hij terugkwam, ‘nu kunnen we eindelijk eens wat lekkers klaarmaken!’ Maar wát een teleurstelling: ze hadden hem geen echt vet meegegeven, maar kaarsvet. Dat vond ik zó min, als kind al: profiteren van andermans leed. Ik zie zijn teleurgestelde gezicht nog zo voor me.”

Met een aardappelschuit

“In november of december 1944 vertelde mijn vader me dat ik naar Friesland zou gaan. Naar Stavoren, aan het IJsselmeer. ‘Dat is goed voor je; je krijgt er meer en beter te eten.’ Och, ik was het gewend om van huis te zijn. We vertrokken kort daarna met een aardappelschuit, vanaf het IJ het IJsselmeer op. Samen met Loeki, en andere kinderen. Die anderen kende ik niet. Hoeveel? Meer dan tien, in ieder geval. We lagen de hele tijd in het pikkedonker, in een afgedekt ruim, op het stro. Loeki hield ik dicht bij me.

We waren allemaal bang. Voor patrouillerende Duitsers. Maar er kwam zware mist opzetten en midden op het IJsselmeer moesten we omkeren. De dag daarna lukte het wel.”

Tekst loopt door onder afbeelding

Ria van Eijk-Frinsel

Pleegouders

“Er stonden allemaal mensen op de kade van Stavoren. En zo’n omroeper, met een bel. Dan klonk je naam – ‘Frinsel!’ – en ging je mee met je pleegouders. In mijn geval de familie De Vries. Hij was visserman. Werkte op de afslag, geloof ik, en nam vaak paling mee. Kwam mij de strot uit, eerlijk gezegd.

Ook bij hen at ik slecht. En daarom kreeg ik natuurlijk vaak op m’n kop: ‘In Amsterdam hebben ze nu níks te eten, en jij...!’ Ik was geen makkelijke, hoor. Achteraf schaam ik me. Ze hadden één zoontje. Altijd bonje. Tja, ik was geen broer of zus gewend.

Wat ik trouwens wel echt heerlijk vond, was melk van de koe. Die mocht ik elke week halen, bij een boerderij verderop. Ging ik helemaal alleen naartoe, met m’n emmertje. Er had van alles kunnen gebeuren onderweg...

Mijn moeder is één keer bij me geweest in Stavoren. Dezelfde dag moest ze weer terug, met de aardappelschuit. Ze vertelde over de actuele situatie in Amsterdam. Het was de beruchte Hongerwinter van ’44; na de spoorwegstaking gingen mensen uit de steden massaal op voedselstrooptocht. Bar en boos. Maar dat heb ik dus zelf niet meegemaakt: ik zat in Friesland. Heb daar zelfs mijn 10e verjaardag nog gevierd.”

Ik had geen flauw idee wat kauwgom was

Met parachutes

“Van de bevrijding zelf herinner ik me niet veel. Wel dat we nog in een kelder moesten schuilen, omdat een brug in de omgeving werd gebombardeerd. Toen we naar buiten kwamen, waren de Engelsen er al. Je had niet van die straatfeesten zoals in Amsterdam, hoor. In Stavoren was het meer ingetogen.

Kort daarna ging ik – samen met Loeki, die bij een ander pleeggezin zat – met de aardappelschuit terug naar Amsterdam. Van de geallieerde soldaten kregen we kauwgom, van die platte staafjes. Als kind had ik geen flauw idee wat kauwgom was. Later kregen we ook witbrood, en blikken biscuits. Die dropten ze met parachutes, op de weilanden buiten de stad. Ik was – en ben nog steeds – geen eter. Maar dat witbrood? Héérlijk: het lekkerste brood dat ik ooit heb gegeten.”

Meer Visie-verhalen

Dit is een ingekorte versie van een verhaal uit Visie Magazine. Meer van dit soort verhalen lezen? Neem dan een proefabonnement.

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons