Icon--npo Icon--twitter Icon--facebook Icon--instagram Icon--mail Icon--search Icon--video Icon--image Icon--audio Icon--EO Icon--whatsapp Icon--linkedin Icon--snapchat Icon--youtube Icon--quote arrow-right Icon--menu Icon--background Icon--backgroundContent Icon--overlayBottom Icon--overlayTop

Het kettinkje

Judith Janssen

in Mediatips

Een verhaal uit de bundel 'Lang Verwacht'

‘Mam, waarom gaan wij niet op wintersport?’ Iris staat op de slaapkamer van haar ouders te kijken hoe haar moeder de ramen zeemt. Heen en weer gaat de trekker. Hij maakt een piepend geluid.
Mama draait zich om. Er ligt een frons boven haar ogen. ‘Wat bedoel je?’ vraagt ze.
‘Nou, iedereen bij ons in de klas gaat in de kerstvakantie op wintersport, behalve wij.’
Haar moeder lacht een beetje terwijl ze met de zeem verder poetst langs de randjes van het raam.
‘Weet je wel wat dat kost, Iris? Dat kunnen wij gewoon niet betalen. Maar wij maken er toch thuis ook altijd een leuke tijd van?’
De zeem plonst in de emmer met water. ‘We gaan gezellig samen kerststukjes maken en eerste kerstdag naar de kerk. En naar…’
‘Oooooma...’ vult Iris aan. ‘Dat doen we altijd al! Dat is toch saai! En ik heb daar niemand om mee te spelen.’
‘Nou nou. We doen het ook voor oma, hoor.’ Mama’s stem begint een beetje boos te klinken. ‘En jij kan toch met Pim en Niek spelen. Of met Mark en Ruben?’
Mama loopt met haar emmertje naar het volgende raam. Spetters water vliegen rond als ze de spons uitknijpt en ermee over het raam begint te zwabberen.
‘Die neven van mij vinden mij een baby, mam, die willen echt niets met een meisje van tien jaar te maken hebben. En oma is nooit blij met Kerst. Ze zit altijd met tranen in haar ogen. En da’s echt niet van blijdschap.’
Iris weet dat haar moeder het niet leuk vindt om dit te horen, maar het is nou eenmaal zo!
Het is even stil.
‘Ik vind het jammer dat je er zo over denkt, Iris,’ zegt haar moeder. ‘Ik dacht dat je het altijd leuk vond. Ik zal er eens met papa over praten.’
Iris zucht zacht. Haar moeder poetst verder. Een zonnestraal komt achter de wolken vandaan en schijnt de kamer in. De rode glittersteentjes van mama’s sieradendoos schitteren.
Iris tilt voorzichtig het dekseltje op. Het doosje ligt vol met oorbellen, armbanden en kettinkjes. Vroeger speelde ze er vaak mee. Dan mocht ze de kettingen omhangen en verkleedde ze zich als prinses.
Iris laat de blauwe kralen door haar vingers glijden. Ja, dit was altijd haar favoriete ketting. Ze lacht als ze ziet dat het gewoon plastic balletjes zijn. Ineens valt haar oog op een gouden ketting. Hij zit vast tussen de anderen. Ze friemelt net zolang tot ze de kluwen uit elkaar getrokken heeft.
Er hangt een kruisje aan de ketting. Het is niet zo’n heel mooi kruisje. Het is eenvoudig en het goud is dof. Ze heeft het nog nooit eerder gezien. Vreemd.
‘Mam, hoe kom je aan deze ketting?’ Ze houdt hem omhoog.
Haar moeder draait zich om. ‘Oh, die is van papa.’
‘Van papa?’ vraagt Iris verbaasd.
Mama knikt. ‘Daar vertel ik je nog wel eens over,’ zegt ze, terwijl ze de emmer oppakt. ‘Zullen we thee gaan drinken? Ik heb van die lekkere chocoladekoekjes gekocht.’
Iris legt de ketting voorzichtig terug en sluit de deksel van het doosje.
In gedachten verzonken loopt ze de slaapkamer uit.

Met de hele familie zitten ze op eerste kerstdag bij oma aan een lange tafel. ‘Vermaak je je een beetje?’ Iris’ vader zit naast haar en kijkt haar aan.
Oma heeft net de soep opgeschept en gebeden om een zegen voor de kerstmaaltijd. Er wordt gezellig gekletst en gelachen aan tafel, overal branden kaarsen en de gouden ballen van de kerstboom glinsteren.
Iris kijkt vanuit haar ooghoeken naar oma. Er rolt een traan over oma’s wang, die ze snel wegveegt.
‘Mwoh, een beetje,’ antwoordt Iris op de vraag van haar vader. ‘Pap, waarom is oma altijd zo somber met Kerst?’
Haar vader kijkt haar even verward aan. ‘Somber… eh… ja, vind je dat ze somber is?’
Nou ja zeg! Iris kijkt haar vader met opgetrokken wenkbrauwen aan en knikt. ‘Jij kan toch ook zien dat ze niet blij is.’
Waarschijnlijk gaat haar vader nu zeggen dat ze dat maar aan haar moeder moet vragen. Dat doet hij wel vaker met moeilijke vragen.
Iris roert in haar soep. Geen soepballetje te bekennen. Ineens plonst er een op haar bord.
‘Jij houdt toch van ballen?’ Het is Ruben, die aan de andere kant naast haar zit. Haar grote neef van zeventien. Haar vader was de jongste in het gezin van oma, en alle neven en nichten van Iris zijn ouder dan zij. Ruben lacht naar haar en Iris knikt dankbaar.
Haar vader zit nog steeds met een bezorgd gezicht te kijken.
‘Weet je, Iris, misschien moet je het maar eens aan oma zelf vragen,’ zegt hij plotseling.
‘Dat durf ik niet!’ flapt ze eruit.
‘Jawel. Ik denk dat ze het graag wil vertellen. Oma heeft nare dingen meegemaakt vroeger, maar jij bent nu oud genoeg om haar verhaal te horen.’

‘Haar verhaal’. Dat klonk spannend, toen haar vader het zei. Toch vind Iris het eng om oma ernaar te vragen.
Als oma in de kamer zit met iedereen eromheen, doet ze het zeker niet.
Dan loopt oma naar de keuken. Iris wil opspringen maar houdt zich in. Rustig aan, dan valt het niet zo op. Ze glipt achter oma aan de keuken in.
‘Oma…’ begint Iris voorzichtig. Oma staat tegen het aanrecht aangeleund met de rug naar haar toe. Het lijkt of ze schrikt. Ze draait zich om. ‘Och meisje, ik hoorde je niet.’
‘Sorry,’ zegt Iris.
’Vond je het eten lekker?’ vraagt oma zacht.
Iris knikt. ‘Ik zit helemaal vol! Maar… eh…’ Ze aarzelt. Hoe moet ze het zeggen?
‘Ik wilde u iets vragen. Papa zei dat, ik bedoel, nou, het valt me op dat met Kerst, ik bedoel, dan bent u altijd een beetje…’
‘Verdrietig,’ vult oma aan.
Iris knikt.
Oma draait haar hoofd weg en staart naar buiten. Een grijze wolk zweeft langzaam weg en in de verte wordt de lucht weer blauw.
Vanuit de kamer komt pianomuziek. Kerstliedjes. Haar moeder zingt. Het klinkt mooi.
Dan kijkt oma haar weer aan. Ze probeert te glimlachen, maar dat lukt niet zo best.
‘Het is goed dat je het vraagt, Iris. Ik zal het je vertellen. Trek je jas maar even aan, dan maken we buiten een wandelingetje.’

Het is de afgelopen dagen een stuk kouder geworden. Iris heeft haar sjaal goed om haar nek geknoopt. Oma houdt haar arm klaar en Iris haakt erin.
‘Was het goed in de kerk vanmorgen?’ vraagt oma.
Iris knikt. ‘Ja hoor. De jongste kinderen deden een musical en wij een lied. Doen we ieder jaar.’
‘Vond je het saai?’ vraagt oma verbaasd.
Iris lacht een beetje. ‘Ja, dat wel. Het is eigenlijk ieder jaar hetzelfde.’
Als ze langs een bankje lopen, maakt oma een gebaar dat ze wil gaan zitten.
Iris vindt het bankje koud aanvoelen, als ze erop gaat zitten.
‘Is het niet te koud voor u?’ vraagt Iris bezorgd.
‘Ik ben niet van suiker. Ik heb de oorlog meegemaakt, weet je nog wel?’ antwoordt oma.
Ze is even stil, maar gaat dan verder. ‘Dat is ook waar ik je over wil vertellen…’
Iris durft niets meer te zeggen. Ze hoort aan oma’s stem dat ze het moeilijk vindt.
‘Het was 1944,’ begint oma dan. ‘Het was op een zondagavond in september, toen ik met mijn vader, die dominee was, terugkwam uit de kerk. In de keuken zat er een meisje bij moeder aan tafel.
“Ze is er,” zei moeder toen. Ik keek verbaasd naar mijn vader, die helemaal niet verrast was, en toen weer naar het meisje. Ze was een beetje verlegen en zag er moe uit. Ze heette Sarah en was net als ik elf jaar.’
‘Dat is een Joodse naam,’ merkt Iris op.
‘Inderdaad. Sarah was Joods. En alleen. Haar ouders waren opgepakt bij een razzia in Amsterdam en naar een kamp gestuurd. Ze kwam bij ons onderduiken. Dat was natuurlijk best gevaarlijk, maar ik vond het vooral spannend. We hadden een groot huis met allemaal mooie verstopplekken. Daar, ergens in huis, had mijn vader een plek gemaakt om Sarah te verbergen. Behalve wij, wist niemand daar iets van en ik moest het natuurlijk echt geheim houden.’
Een gezin komt langslopen en oma is even stil. De kinderen lachen.
‘We werden meteen vriendinnen. We waren allebei enig kind en hadden nu ineens een zus. We kletsten overal over met elkaar. Zij vertelde over Amsterdam, wat ik als dorpsmeisje natuurlijk heel interessant vond. Soms was ze heel verdrietig en troostte ik haar. Ik vertelde wat ik allemaal meemaakte buiten, want zij moest natuurlijk binnenblijven. ’s Avonds maakten we samen huiswerk, als de ramen verduisterd waren en de olielamp aan. Dan waren we net een gewoon gezin. We speelden eindeloos ganzenbord of luisterden stiekem naar de radio. Maar altijd hadden we onze oren goed open, gespitst op het geluid van voetstappen op het grindpad of een plotselinge klop op de deur. Dan wisten we precies wat we moesten doen en zat Sarah in een mum van tijd in haar schuilplaats.
Toen werd het Kerst. Sarah had nog nooit Kerst gevierd, omdat ze Joods was. Ze wilde heel graag mee naar de kerk. We dachten er zelfs nog over om haar mee te laten gaan en dan te zeggen dat ze een nichtje van moeder was. Maar dat was natuurlijk veel te gevaarlijk. Ik vertelde haar ’s middags wat we in de kerk hadden gedaan en gaf haar de mandarijn die ik gekregen had. Dat was echt een kostbaarheid, dat snap je wel, in die tijd. Ik vergeet nooit hoe gelukkig ze ermee was.
Sarah wilde alles weten over Jezus. Ze werd steeds stiller terwijl ik vertelde over Jozef en Maria. Het verhaal dat jij al zo goed kent, van de stal, de herders en de wijzen. Sarahs ouders hadden heel weinig aan het Joodse geloof gedaan en hadden ook nooit verteld over de Messias. Inmiddels was mijn vader er ook bij gekomen. Hij zocht op in de Bijbel, in het Oude Testament, waar geschreven werd over de Messias en legde uit dat Hij ook voor Sarah naar de wereld was gekomen.’
Oma stopt met praten en Iris kijkt haar aan. Met haar hand in de handschoen aait oma over de wang van Iris.
‘Ook al heb je het al heel vaak gehoord, meisje, de komst van Jezus is ieder jaar weer reden om groot feest te vieren. Vergeet dat nooit! Hij wilde mens worden om voor ons te sterven. Daarom hebben wij nu het eeuwige leven.’
Oma staat op. ‘Zullen we even verder lopen? Ik word een beetje stijf.’
Ze gaan een paadje in tussen de weilanden. Het is er rustig.
‘Sarah wilde Jezus leren kennen,’ gaat oma verder. ‘Haar hart ging voor Hem open. Voor dit Joodse meisje was dit het eerste echte kerstfeest. Het was zo bijzonder, zo mooi. Alsof er in die donkere dagen een lichtstraal van de Heer kwam, een wonder.’
Oma veegt met haar hand over haar wang. ‘Ik heb Sarah toen een kruisje gegeven, een kettinkje dat ik van mijn oma had gekregen. Maar ik wilde dat zij het zou hebben. Dat ze nooit kon vergeten dat Jezus ook voor haar stierf.’
Ineens ziet Iris in gedachten dat kettinkje van haar vader weer.
‘Het is moeilijk voor mij om te vertellen hoe het verder ging, Iris. Het is ook de reden dat ik vaak verdrietig ben met Kerst. Want de tweede kerstdag…’
Iris voelt hoe haar hart sneller begint te kloppen van angst. Oma schraapt haar keel en veegt nog een keer met een zakdoek over haar wangen.
‘We waren aan het zingen in de woonkamer. Mijn vader speelde op het orgel en wij leerden Sarah een lied. We vierden nog steeds feest en daardoor hadden we niet goed geluisterd. De vrachtwagen hadden we niet gehoord, de stampende laarzen op het pad ook niet. Ineens stonden ze in ons huis, de Duitsers. Ik schreeuwde alsmaar “nee, nee”. Mijn moeder was helemaal sprakeloos en mijn vader probeerde Sarah vast te houden. Ze sloegen hem op zijn hoofd en voor we het wisten, hadden ze haar meegenomen. Ik herinner me nog zo goed haar gezicht, haar ogen zo groot en haar hand die ze uitstak naar mij. Maar ze zei niets. Sarah was verraden, door iemand uit het dorp. Dat was zo erg! Door iemand uit ons eigen dorp nog wel.’
Iris voelt zich boos worden. Wat afschuwelijk!
‘Sarah is naar een concentratiekamp afgevoerd. Ik heb haar nooit meer gezien. Vader heeft geprobeerd contact met haar te krijgen, te ontdekken waar ze haar heen hadden gebracht, maar het lukte niet. Pas na de oorlog hoorden we uiteindelijk dat ze in het kamp is overleden. Iemand die haar had leren kennen in het kamp vertelde dat ze het kruisje al die tijd bij zich heeft kunnen houden. Dat konden ze niet van haar afpakken.’
Oma staat stil. Ze draait zich om naar Iris. ‘Daar moet ik altijd aan denken als het Kerst is. Dat kan ik nooit meer vergeten. En dan huil ik om Sarah en die nare wereld, waarin zulke dingen gebeurd zijn. En nog steeds gebeuren, ook al is het dan misschien niet hier.’
Iris is stil. Hoog in de boom klinkt het gefluit van een vogeltje.
‘Maar we moeten ook feest vieren. Dat zei ik al tegen je, hè? Want ik moest ook leren dat Sarah in haar korte leven wel het belangrijkste heeft gevonden. Ze heeft het eeuwige leven ontvangen tijdens die kerstdagen. Iets mooiers of beters bestaat niet. Ze is nu bij Jezus en dat is een feest.’
Iris voelt de bewondering voor haar oma groeien. Wat heeft ze al veel meegemaakt!
‘Ik ben wél blij hoor, met Kerst. Ook al zie je dat niet altijd.’
Ja, nu kan Iris het begrijpen.
Ze lopen samen terug naar huis. Oma pakt de hand van Iris en vraagt wat ze ervan vindt.
‘Ik ben blij dat u het hebt verteld. Ook al is het een naar verhaal, het is ook een mooi verhaal!’
Ze zien het huis van oma alweer.
‘Als je elf jaar wordt, krijg je van mij een kettinkje met een kruisje. Dat heb ik al mijn kinderen en kleinkinderen gegeven. Dan zul je je altijd dit verhaal herinneren en eraan denken hoe liefdevol God is.’
Oma doet de deur open voor Iris en ze gaan de warme keuken binnen.
‘Hé, gehaktballeneter. Kom eens hier!’ Ruben kijkt haar lachend aan.
Ineens valt Iris’ blik op het glinsterende kruisje om zijn nek. Hij staat met een grote doos in zijn handen. ‘Zin in een potje Kolonisten?’
Iris’ ogen worden groot en ze lacht. ‘Ja, gaaf!’

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons