Icon--npo Icon--twitter Icon--facebook Icon--instagram Icon--mail Icon--search Icon--video Icon--image Icon--audio Icon--EO Icon--whatsapp Icon--linkedin Icon--snapchat Icon--youtube Icon--quote arrow-right Icon--menu clock Icon--background Icon--backgroundContent Icon--overlayBottom Icon--overlayTop

Watersnoodramp: "We zaten als ratten in de val"

in Geloven

"De gierende stormwind, het gegil van de mensen buiten, de golven die tegen de zolderramen beukten, onze angst – alsof het gisteren gebeurd is." Als 12-jarige jongen overleefde Leen van der Cingel (1940) uit het Zeeuwse dorpje Nieuwerkerk de watersnoodramp van 1953. Ternauwernood.

"Die zaterdagmiddag, 31 januari 1953, hadden we al een rotgevoel," vertelt de nu 72-jarige Leen, die nog altijd in Nieuwerkerk (op Schouwen-Duiveland) woont. "Het moest namelijk eb zijn, maar het was vloed. Bovendien waarschuwde de radio dat er een zware noordwesterstorm op til was. Windkracht 11 tot 12: een orkaan. Toch hield niemand er rekening mee dat zich de komende uren een ramp van ongekende omvang zou voltrekken – we waanden ons veilig.”

Abnormaal

Maar de zondagochtend werd ruw verstoord door gebons op het raam. “Buurman De Reus, die altijd vroeg opstond om te gaan melken, had alarmerend nieuws: 'De dijken in Ouwerkerk zijn gebroken, het water komt eraan!'" Een blik naar buiten vertelde Leen dat De Reus gelijk had: "Het water stormde vanuit de verte op ons af, als een grijze muur.”



Kaartenhuizen

Zo vlug als ze konden, klommen ze één voor één de trap op. Het water kwam steeds hoger; binnen twee uur stond het al tot de zoldervloer. En niemand wist of en hoe ver het nog zou stijgen. “Door de ramen keken we uit over de buitenwijken. Tientallen woningen zakten als kaartenhuizen in elkaar, dat heb ik met mijn eigen ogen gezien. Ik wist toen al dat er doden moesten zijn gevallen. Maar hoeveel, en wie? Niet lang daarna dachten wij: 'Zullen we dit zélf wel overleven?'"



Hulpgeroep

Het water zakte amper. Het op drift geraakte meubilair bonkte tegen de muren. Achter het raam zag Leen verschrikkelijke dingen: mensen dreven voorbij, op amper dertig meter afstand. In het ijskoude water klampten zij zich vast aan weggeslagen daken, balken of ander drijfhout. "We hoorden hun hulpgeroep en zagen hun zwaaiende armbewegingen, maar konden niets voor hen doen.” En het ergste moest nog komen: het zou springtij worden.

Rond zes uur was het zover; het water begon opnieuw te stijgen. “Toen het eenmaal over de zoldervloer klotste, zijn we allemaal bovenop het studeerkamertje geklommen. Met z'n negenen, letterlijk in het bovenste puntje van de zolder, zaten we als ratten in de val. Toen ook de zolderramen onder water verdwenen, was het aardedonker."

Lucifers

Leens vader had een pakje lucifers op zak ("hij rookte nogal"). Telkens als hij er eentje afstreek, zagen zij de angst in elkaars ogen. "'s Avonds raakte zelfs mijn vader even in paniek: hij probeerde met een broodmes het dak open te snijden, om eruit te komen. Tevergeefs. We zaten opgesloten in de nok van het huis. Het gegil dat we die avond van de mensen buiten hoorden, zal ik nooit meer vergeten – dat ging door merg en been."

Wonder

“En tóen gebeurde het wonder, althans: voor ons. Omdat de dijk bij Bruinisse het begaf, waardoor het achterliggende polderland vol stroomde, zakte het water bij ons eindelijk. Het ergste was voorbij." 
De volgende ochtend, maandag 2 februari, was de storm al een stuk minder hevig. Dertig uur hadden ze op zolder gezeten. “Wij waren gered. De enorme vreugde die dat besef met zich meebracht... zoiets heb ik in die zestig jaar daarna nooit meer gevoeld. Onbeschrijfelijk. Gered. Goddank gered."





Tekst: Gert-Jan Schaap

Foto: Dik Nicolai

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons

Meer over