Icon--npo Icon--twitter Icon--facebook Icon--instagram Icon--mail Icon--search Icon--video Icon--image Icon--audio Icon--EO Icon--whatsapp Icon--linkedin Icon--snapchat Icon--youtube Icon--quote arrow-right Icon--menu Icon--background Icon--backgroundContent Icon--overlayBottom Icon--overlayTop

‘Ik heb nog nooit zó langzaam gewerkt’

in Geloven

Zijn boek ‘Thuisreis van een dwangarbeider’ kwam dertig jaar geleden voor het eerst uit. Het beschrijft hoe Willem Keijzer in Duitsland moet werken en – in de nadagen van de oorlog – naar huis probeert te komen. Nu is het opnieuw uitgegeven. De hoogste tijd, volgens de auteur: “Mensen weten zo weinig meer van de oorlog, laat staan over wat wij in Duitsland meemaakten.”

Dat Willem Keijzer (87) op een dag besluit zijn hele verhaal op te schrijven, is – ironisch genoeg – op aanraden van Duitse toeristen, tijdens een vakantie in Italië. “Ik zat te lezen op het hotelterras toen een oude Duitser naar me toekwam om een praatje te maken. Hij was slecht ter been, en vertelde dat hij in de oorlog in Rusland had gevochten. Alle Duitse jongens moesten dat overigens; ook voor hen gold: vechten of de kogel. Hij zei dat hij één keer geschoten had op een Russische soldaat en toen zelf werd geraakt en gewond terugkeerde.”
Willem en zijn vrouw maken kennis met de familie van deze Duitse man. “Zij vroegen ons naar onze ervaringen uit de oorlog; ik vertelde dat ik als dwangarbeider in Duitsland had gewerkt. Ze luisterden ademloos en zeiden dat ik het op moest schrijven.” Dat doet Willem. Nog diezelfde vakantie begint hij. Na Thuisreis van een dwangarbeider volgt een tweede boek over deze periode: Aan het einde van de vrede begint de oorlog.

Bommen

Willem, sinds anderhalf jaar weduwnaar, woont in een appartement in Hoevelaken. Met schrijven is hij klaar. “Het haalt teveel boven en dat wordt me nu te vermoeiend.” Toch wil hij nog wel een keer vertellen over die tijd.
Hij groeit op in Rotterdam, waar de oorlog voor het eerst zijn gruwelijke gezicht laat zien. “Op 10 mei 1940 zagen we de Duitse parachutisten landen. Mijn broers dienden in het Nederlandse leger. Ik was nog maar 16 en ben op mijn fiets naar het vliegveld in de Waalhaven gereden, om te zien of ik ook iets kon doen. Daar aangekomen, zag ik al dat het goed mis was. Voor het eerst zag ik dode mensen – Duitse soldaten van wie de parachute niet was opengegaan, gesneuvelde Nederlandse militairen en politiemensen.”
Willems broers worden krijgsgevangen gemaakt. Hijzelf voelt zich machteloos. Nog enkele dagen houdt Nederland stand. Dan gebeurt het. “Op 14 mei, om 13.00 uur, zagen we de vliegtuigen aankomen met hun buiken open. En dan de bommen die eruit vielen, op het centrum. Wij woonden in Rotterdam-Zuid en hoorden verder niets, omdat de wind van ons af stond.” Het gevoel dat hij bij deze stille ramp had, heeft hij sindsdien nooit meer gekregen. “Behalve misschien op 11 september. Toen ik die vliegtuigen in New York in de torens zag vliegen, voelde ik ongeveer hetzelfde als bij het bombardement op Rotterdam. Ik was destijds op vakantie en ben direct met mijn vrouw terug naar huis gegaan.”

Huilen

Na vier dagen strijd capituleert Nederland op 15 mei. “Ons trotse Nederland. Het land van Michiel de Ruyter en al die andere helden, had gecapituleerd. Ik heb staan huilen.”
Alle Nederlandse jongens en mannen worden opgeroepen om te werken voor de onverzadigbare Duitse oorlogsmachine. Willem, die kennissen heeft in Brabant, ziet kans onder te duiken op een boerderij. Maar de boer vindt het na verloop van tijd te riskant worden. Willem staat op straat. Er zit niets anders op dan te gaan werken in Duitsland.
In zijn boek beschrijft hij de laatste twee oorlogsjaren, waarin hij in Frankfurt op een hongerrantsoen te werk is gesteld in de smederij van een fabriek. “Wellicht kon ik daar nog meer saboteren dan thuis. Ik heb in ieder geval nog nooit zó langzaam gewerkt,” zegt hij lachend. “Wat ik in die twee jaar heb gedaan, had ik makkelijk in twee weken kunnen doen.”
In Frankfurt ervaart hij de kameraadschap met de andere arbeiders uit Nederland en de rest van Europa, met wie hij is ondergebracht in een pension. “Het werd een beetje je thuis.” Ook merkt Willem dat niet alle Duitsers nazi’s zijn. Wel regeert overal de angst, waardoor men niet openlijk durft te spreken. “Toen wij op een dag na het werk in de tram zaten en met elkaar spraken in het Nederlands, zei een mevrouw opeens tegen ons in het Duits: ‘Pas op, ik kan jullie verstaan!’ Ze waarschuwde ons.”

Kogels

Ondertussen komen de geallieerden steeds dichterbij; ze bombarderen Frankfurt te pas en te onpas. “Het kwam altijd onverwachts, als je lag te slapen.” Willem ziet hoe de stad langzamerhand in een verzameling ruïnes verandert en wordt geconfronteerd met angst, doden en gewonden.
Zelf is hij er op een avond bijna geweest als hij niet op tijd bij de schuilkelder kan komen. Hij duikt weg in het portaal van het station. Samen met een Duitse soldaat. Als de bommen dichterbij komen, weet Willem op tijd weg te rennen. Wanneer de rook optrekt, ligt de Duitse soldaat op zijn rug – dood.
Nu worden ook alle arbeiders geëvacueerd. Willem weet onderweg te ontsnappen; een levensgevaarlijk avontuur begint. Liftend en lopend, dwars door de frontlinies, waarbij de kogels hem om de oren suizen, weet hij zijn vriend Jaap te vinden. Deze is elders, in het stadje Langenheim, tewerkgesteld. Daar aangekomen, ontdekt Willem dat hij nog steeds niet in bevrijd gebied is. Terwijl de Duitsers hier terrein verliezen, helpen Willem en Jaap nog met het dragen van dode en gewonde Duitse soldaten in en uit het hospitaal. Totdat eindelijk Amerikaanse tanks het dorp binnenrollen.
Willem is dan nog lang niet thuis, maar als hij op een gegeven moment doodziek wordt en op bed ligt, slaat hij zijn zakbijbeltje zomaar open. Hij leest: ‘Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen’ (Ezechiël 34:16). “Ik mocht geloven dat God me veilig terug zou brengen.” De rest is geschiedenis.

N.a.v. ‘Thuisreis van een dwangarbeider’, Willem Keijzer, De Banier, 206 blz., € 14,90, ISBN 978 90 336 30095.

Tekst: Boudewijn Drechsler
Beeld: Gert-Jan van der Tuuk

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons