Icon--npo Icon--twitter Icon--facebook Icon--instagram Icon--mail Icon--search Icon--video Icon--image Icon--audio Icon--EO Icon--whatsapp Icon--linkedin Icon--snapchat Icon--youtube Icon--quote arrow-right Icon--menu Icon--background Icon--backgroundContent Icon--overlayBottom Icon--overlayTop

Leven met verborgen mishandeling

in Geloven

Wie Hanna* (34) en haar familie zo’n twintig jaar geleden was tegengekomen, zou in eerste instantie niets bijzonders hebben gemerkt. Ze ging naar school en zat samen met haar vader, moeder, broers en zusjes elke zondag in de kerk. Maar schijn bedriegt, zo blijkt als ze fragmenten uit haar leven deelt. De jeugd van deze jonge vrouw is het bewijs dat kindermishandeling niet aan de christelijke deur voorbijgaat.

Haar indringende verhaal is een roep om erkenning voor alle lotgenoten die leven met verborgen mishandeling. De plannen van minister Rouvoet, die eind maart een publiekscampagne tegen kindermishandeling startte, komen voor haar te laat. Zullen krantenkoppen als ‘Weer misser in de jeugdzorg’ en ‘Kinderen jarenlang mishandeld’ door alle maatregelen en campagnes tot het verleden behoren? Hanna betwijfelt dat. Berichten over oplossingen voor kindermishandeling leest ze dan ook met gemengde gevoelens. “Hoewel ik de plannen van minister Rouvoet zeker niet afwijs, moeten we niet vergeten dat kindermishandeling heel subtiel kan gaan. Daar is geen kant-en-klare oplossing voor.”

Contrast
Als Hanna terugkijkt op haar schooltijd, typeert ze zichzelf als een leerling die moeite deed zich net als haar klasgenoten te gedragen. “Niemand mocht weten wat er thuis gebeurde, dus zorgde ik dat ik niet opviel.” Het verborgen houden werd een tweede natuur voor Hanna, en daarom is de beslissing om dingen nu wél hardop uit te spreken een enorme stap. Met Barend*, een vriend die werkzaam is in de jeugdhulpverlening, heeft ze de afgelopen maanden fragmenten uit haar jeugd voor het eerst op papier gezet. “Ik hoop dat mensen daardoor zullen inzien hoe subtiel kindermishandeling in een gezin kan plaatsvinden.” Ze lacht regelmatig tijdens het gesprek, wat in schril contrast lijkt te staan met de inhoud van haar verhaal. “Juist daardoor kan ik deze dingen beter vertellen,” verklaart ze desgevraagd. “Van jongs af aan heb ik mezelf aangeleerd om in twee werelden te leven. De werkelijkheid thuis en mijn fantasiewereld. Zo overleefde ik. Nu ik niet meer thuis woon, kan ik afstandelijk praten over wat daar gebeurde.”

Prekenboek
In Hanna’s fantasiewereld kreeg het begrip ‘thuis’ een heel andere invulling dan in de werkelijkheid. Haar gezicht licht op als ze vertelt over haar ideaal: “In mijn fantasie was ‘thuis’ een synoniem voor een gezin dat samen aan tafel zat onder een lamp. Als ik ’s avonds in het donker langs de huizen fietste, zag ik dat tafereel in verschillende huiskamers. Zo kon het dus ook. In werkelijkheid zaten we bij ons thuis nooit aan tafel. Mijn vader maakte eten voor de hele week, dat hij vervolgens in de schuur zette. Tegen etenstijd mocht je met een grote lepel uit die pan scheppen; dat was dan je avondeten. Het was niet veel, dus had ik altijd nog honger. Als ik bij anderen over de vloer kwam – wat niet veel gebeurde – verbaasde ik me erover dat ze als gezin aan tafel zaten te eten.

Bij de minste of geringste overtreding werd ik geslagen. Briesend als een wild dier vlogen mijn ouders dan op me af. Was ík het niet, dan was het mijn zusje wel. We werden gedwongen om toe te kijken als de ander werd geslagen. Soms gebruikten ze een scherp voorwerp waarmee ze je mond van binnen bewerkten. Dat was eigenlijk levensgevaarlijk. Het is niet zo dat we onder de blauwe plekken zaten, want ze sloegen ons op plekken waar je het niet kon zien.”

Wat mensen ook niet zagen, was de geestelijke vernedering die Hanna onderging. “In het gezin had de Bijbel een grote plaats,” herinnert ze zich. “Mijn ouders lazen er veel uit en deden zich bij elke lezing ontroerd voor. Als kinderen moesten we op zondagmiddag jaar in jaar uit urenlang hardop hetzelfde prekenboek lezen. Mijn vader en moeder eisten dan opperste concentratie. Als we afgeleid waren, konden we rekenen op een paar bladzijden extra. Als we daartegen protesteerden, kwam steevast de opmerking: ‘Je ouders hebben dit bij de doop beloofd.’ Ook dreigden ze met de hel. Zelfs in de kerk moesten we op onze hoede zijn. Als ik me even omdraaide, strafte mijn moeder me onzichtbaar. Ze kneep me hard in mijn arm, terwijl ze met onbewogen gezicht voor zich uitkeek. Thuis kon ik hard gaan huilen, maar hier niet. Ik had de zware klus om me goed te houden.”

Loyaliteit

Bart Nitrouw, directeur van de SGJ – een christelijke instelling voor Jeugdzorg – geeft aan dat kindermishandeling, ook in christelijke kring, een ernstig onderschat probleem lijkt. Zijn organisatie bracht twee jaar geleden naar buiten dat er meer kinderen uit christelijke gezinnen uit huis geplaatst waren, en dat aantal neemt nog steeds toe. Hij herkent veel in het verhaal van Hanna vanuit de praktijk van de SGJ. “We zien bij kinderen steeds weer hoe belangrijk de loyaliteit aan de ouders is. Zelfs bij zwaar mishandelde kinderen blijft die loyaliteit bestaan. Ook al zou er in de periode dat Hanna werd mishandeld door iemand van buiten aangifte zijn gedaan, dan nog had die loyaliteit ervoor kunnen zorgen dat er niets naar buiten was gekomen. In dit soort situaties leggen we kinderen die we begeleiden uit dat ouders hun ouders blijven, maar dat ze niet langer hun opvoeders zullen zijn. In sommige gevallen worden de vader en moeder uit de ouderlijke macht ontheven.”
Hij erkent: “Helaas worden niet alle gevallen van kindermishandeling aan het licht gebracht. Wel vat gelukkig de gedachte post dat bij twijfel altijd gemeld moet worden. Omdat niet alle mishandeling onderkend wordt – dat zien we aan Hanna’s verhaal – moet preventie een zeer hoge prioriteit krijgen. Gesprekken met sleutelfiguren zoals predikanten, jeugdleiders, leraren en vertrouwenspersonen zijn belangrijk. Het onderwerp moet hoog op de kaart blijven staan. En dan nog zullen situaties als deze helaas een realiteit blijven.”

SGJ

Hersenspoelen
Wat Hanna’s leven nog enigszins dragelijk maakte, was het leven op school. Hoewel ze daar zo onopvallend mogelijk wilde zijn, hoefde ze er niet bang te zijn voor de onvoorspelbaarheid van haar ouders. “Wanneer we ’s morgens naar school gingen, lag mijn moeder altijd nog op bed. Als we maar een klein beetje kabaal maakten, vloog ze uit bed en volgde er een onbeheerste uitbarsting van woede. Ik herinner me dat ze me regelmatig met ongekamde haren naar buiten duwde. Omdat ik niet uitgelachen wilde worden, probeerde ik het op weg naar school wat te fatsoeneren. Ook veegde ik mijn tranen af en probeerde steeds in mezelf te lachen, zodat mijn gezicht er niet meer behuild uit zou zien. Niemand op school had iets in de gaten. Het gaf me een gevoel van triomf dat ik dit verborgen kon houden.”

Voor een buitenstaander lijkt het moeilijk te begrijpen dat Hanna de mishandelingen verborgen hield. Waarop stapte ze niet naar een leerkracht om te vertellen wat er thuis gebeurde? Zelf kan ze niets met zo’n eenvoudige redenering, die ook vaak in artikelen over mishandeling naar voren komt. “Het geeft aan dat mensen niet doorhebben hoe vreselijk subtiel zulke mishandeling werkt. Als kind groei je op met de gedachte dat het vanzelfsprekend is dat je zelfs de meest normale dingen niet verdient. Je gaat echt geloven dat jij de oorzaak bent van alle ellende, ook al weet je dat er ergens iets niet klopt.” Er waren wel een paar mensen bij wie Hanna niet op haar hoede hoefde te zijn. Ze heeft bijvoorbeeld warme herinneringen aan haar oma. “Zij was altijd aardig. Juist omdat ze zo gewoon, zo menselijk deed, voelde ik me bij haar altijd welkom. Maar toen ik mijn ouders vertelde hoe vriendelijk zij was, beweerden zij dat mijn oma de andere kleinkinderen voortrok en dat ze dus helemaal niet zo leuk was. Dat zie ik achteraf echt als hersenspoelen, want zo ging ik haar ook argwanend bekijken.”

Lichtpuntjes
De centra voor Jeugd en Gezin die Rouvoet wil opzetten, vinden Hanna en Barend, de vriend met wie ze haar verhaal opschrijft, op zich een goed streven. “Maar verwacht niet dat situaties als die van Hanna daarmee opgelost zullen zijn,” benadrukt Barend. “Deze kinderen hebben een tweede natuur van zwijgen ontwikkeld.” Hanna beaamt: “Ik wilde het zelf ook verborgen houden. Het kwam niet in me op om te praten over thuis. Als er in die tijd iemand had geprobeerd om iets uit me te krijgen, was dat niet gelukt. Mijn ouders hadden zoveel macht. Ze voelden feilloos aan dat wij nooit iets tegen anderen zouden zeggen.”

Is er dan helemaal geen hoop voor kinderen die leven met verborgen mishandeling? Hanna aarzelt. “Als er al hoop was, dan was het voor mij niet merkbaar. Door te fantaseren over een mooie toekomst hield ik mezelf op de been. Het loste niets op, maar maakte het leven op dat moment iets dragelijker. De mensen die af en toe voor lichtpuntjes zorgden, waren wel heel belangrijk. Dan denk ik aan mijn oma, maar ook aan mijn leerkracht, die zei dat ik mijn sommen goed had gemaakt. Dit raakte me zo, dat ik er de hele dag aan bleef denken. Ik merkte dat hij het echt meende. Dat voorval staat in mijn geheugen gegrift. Later op mijn werk ontdekte ik dat ik gewoon meetelde en dat ik zeker wel iets goeds kon doen, in tegenstelling tot wat mijn ouders altijd beweerden.” Barend vult aan. “Het is dus ontzettend belangrijk dat je een baken van rust en vertrouwen bent voor kinderen in je omgeving van wie je vermoedt dat ze mishandeld worden. Laat op een natuurlijke manier blijken dat je om hen geeft. Door een goed voorbeeld te geven, zien kinderen dat het anders kan dan hen thuis aangeleerd wordt.”
Hoe kun je blijven geloven, als je zo wordt opgevoed in een christelijk gezin? Hanna: “Vertrouwen op God vond ik in mijn kindertijd al moeilijk. Ik kon er niet op vertrouwen dat God een andere, betere Vader zou zijn dan ik gewend was. Ik vind dat nu helaas nog steeds erg moeilijk.”

Waardering
Hanna wil haar eigen kinderen niet meegeven wat zij thuis heeft meegemaakt. “Ik probeer ze heel bewust op te voeden en me te verdiepen in datgene wat een kind nu echt nodig heeft, bijvoorbeeld door het lezen van boeken daarover. Gezelligheid tijdens de maaltijd aan tafel vind ik heel belangrijk, en ik geniet van de verhalen van mijn kinderen.”

Van haar mishandeling heeft ze nooit aangifte gedaan. “Eerlijk gezegd is zoiets toen nooit in mij opgekomen. Later heb ik het niet als een optie beschouwd, omdat ik het doel ervan niet inzie. Ik vraag me af of ik er echt gelukkiger van zou worden. Of ik hen zou kunnen vergeven? Voor mij leeft dit niet zo. Vergeven is niet iets wat ik zomaar zelf zou kunnen. Wel merk ik bij mijzelf soms iets van medelijden. Ik vind het triest dat mijn ouders dit van hun leven hebben gemaakt.”
Als broers en zussen onderling praten ze soms wel over de situatie van vroeger, vaak in een lacherige sfeer. Humor is een manier om het bespreekbaar te maken. “Van een echte relatie met mijn ouders is geen sprake; we zien elkaar wel eens op verjaardagen, maar de sfeer is dan ijzig en kil. Er is bij ons als kinderen ten diepste toch nog wel de hoop dat de relatie ooit nog iets beter wordt, hoewel ik niet zou weten hoe ik moet reageren op een beetje waardering van mijn ouders. Ik moet onder ogen zien dat die waardering er waarschijnlijk ook nooit zal komen.”

  1. De namen van Hanna en Barend zijn om privacyredenen gefingeerd.

Campagne Kindermishandeling

Jaarlijks worden naar schatting ruim 100.000 kinderen in Nederland verwaarloosd of mishandeld. Dat komt neer op minimaal één kind per schoolklas van dertig leerlingen. Nog niet de helft van deze kinderen komt terecht bij hulpverleners. Met de publiekscampagne om kindermishandeling aan te pakken hoopt minister Rouvoet van Jeugd en Gezin dit aantal te vergroten. De campagne is eind maart gestart en zal twee jaar duren.

Bron: Jeugdengezin.nl

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons