Icon--npo Icon--twitter Icon--facebook Icon--instagram Icon--mail Icon--search Icon--video Icon--image Icon--audio Icon--EO Icon--whatsapp Icon--linkedin Icon--snapchat Icon--youtube Icon--quote arrow-right Icon--menu Icon--background Icon--backgroundContent Icon--overlayBottom Icon--overlayTop

Abortusarts en VBOK-directeur

Fietsen op de grens van leven en dood

in Geloven

Beiden zeggen hulp te verlenen, maar doen dat op tegengestelde wijze. Zij breekt als abortusarts een beginnende zwangerschap af, terwijl hij juist het ongeboren leven wil beschermen. Toch schuwen Olga Loeber (63) en VBOK-directeur Johan van Veelen (53) het debat met elkaar niet en stappen ze op de ‘Visie’-tandem voor een enerverend tochtje langs velden vol meningsverschillen en tal van heilige huisjes.

De deelnemers aan dit debat over leven en dood kenden elkaar al vóór deze ontmoeting. Vrij vlot na zijn aantreden bij de VBOK in april 2008 kwam Van Veelen op kennismakingsbezoek bij Loeber in het Mildred Rutgershuis in Arnhem. Vandaag, als vertrekpunt van hun fietstocht, verschijnt hij opnieuw in de abortuskliniek, waar sinds 1971 abortussen plaatsvinden en zij al twintig jaar werkt. “Per jaar help ik zo’n vijfhonderd vrouwen en dus heb ik in al die jaren tienduizend abortussen uitgevoerd,” zegt Loeber, tevens voorzitter van de Vereniging Abortusartsen. “Dat is een heel dorp en ik neem aan dat jij daar behoorlijk van schrikt, Johan?” “Ik schrik er haast niet meer van, omdat het bevestigt wat ik al wist,” reageert Van Veelen gelaten, “al steekt het wel.”
Heeft de directeur van de VBOK wel iets te zoeken op deze vijandige bodem? “Ik voel me als een Ajacied in de Rotterdamse Kuip,” stelt Van Veelen. “Zoals een voetballer komt voor een goede pot voetbal, zo ben ik hier met een doel. Ik sta absoluut niet achter de ‘hulp’ in deze kliniek, maar heb hier desondanks veel te zoeken. Ik kom Olga beroepsmatig voortdurend tegen en heb een boodschap voor haar!”

Gewenst
Loeber kijkt nieuwsgierig op, wil reageren, maar laat Van Veelen uitpraten. “Ik zou zo graag willen dat jij het probleem van ongewenste zwangerschap anders aanpakt,” vervolgt hij. “Dat je de redenen aborteert, en niet het kindje. Door de achterliggende problematiek bij de hulpvraag van een wanhopige vrouw te bespreken, kan er ruimte ontstaan bij zowel de moeder als de vader om toch het kindje te verwelkomen.”
Maar de abortusarts voelt zich niet bepaald aangesproken en vindt dat zij dit al jaren zo doet. “Voor mij geldt dat elk kind gewenst zou moeten zijn. Twijfelen vrouwen daarover, dan kijk ik samen met haar of er andere opties zijn. Alleen als het komende kindje niet kan rekenen op een prettig leven, is een abortus de minst verkeerde oplossing om groter leed te voorkomen. Jouw voorstel vind ik niet realistisch. Het gaat ons nooit lukken letterlijk bij elke vrouw de soms gigantische privé-problemen op te lossen, of een vrouw die nooit een kinderwens heeft gehad om te toveren tot een soort supermoeder. Dat is een illusie.”

Klomp cellen
“Ik merk dat ik als christen altijd bezig wil zijn om iets goeds te doen voor mensen in kwetsbare situaties. Daarom pas ik zo goed bij de VBOK,” vertelt Van Veelen. De reden waarom juist hij bij de VBOK werkt en Loeber in het Mildred Rutgershuis, is te wijten aan hun totaal andere kijk op het ongeboren leven. “Dat is ons principiële verschil,” stelt Van Veelen vast. “Jij noemt een foetus een klomp cellen en ik...”
“Nee,” reageert Loeber ad rem. “Ik vind het een beginnende zwangerschap, niet een klompje cellen.”
Van Veelen: “Hoe dan ook, ik zie een bevruchte eicel al direct als menselijk leven en die moet een stem krijgen.”
Loeber: “Maar beste Johan, is dat niet een zaak van de ouders? Hoe weten we nu wat dat kind – om in jouw termen te spreken – wil? Daar kom je toch nooit achter? En maken ouders niet voortdurend beslissingen voor kleine kinderen? Je vraagt een baby van nul toch ook niet wat goed voor hem is?”
Van Veelen: “Klopt, maar dit gaat wel over leven en dood, en niet over iets triviaals als een broodje hagelslag. Ik merk dat mij dit als christen zeer aan het hart gaat. We hebben er de tijd niet voor, maar anders nam ik je graag op deze fiets mee naar de piramide van Austerlitz. Dat bouwwerk heeft drie gelijkwaardige zijden en dat staat voor mij symbool voor de drie partijen waar het om draait bij een ongewenste zwangerschap: de vader, de moeder en het ongeboren kind. En juist omdat de laatste zelf nog niets kan aangeven, moet gewaarborgd worden dat deze
belangen net zo zwaar wegen als die van de vader en de moeder. Het kindje ís er immers al, zij het nog in ontwikkeling in de baarmoeder. Weghalen is dus niet de oplossing.”
“Terwijl ik graag herhaal,” reageert Loeber, “dat ik een kind liever níet geboren zie worden, dan dat het ergens opgroeit waar het geen goede plek heeft. Ik sta voor zo weinig mogelijk abortussen, en tegelijk voor zoveel mogelijk gewenste kinderen in dit land. Is dat niet het geval, dan heeft een kind ook het recht om niet geboren te worden.”

Twijfel
Loeber was tot haar 38e lid van de Protestantse Kerk en deed daar zelfs belijdenis. Inmiddels heeft ze afstand gedaan van haar geloof. In haar studietijd midden jaren zestig had ze haar eerste confrontatie met een ongewenste zwangerschap. “Ik denk dat onze lieve Heer de mens een gezond verstand heeft gegeven. Ik heb uren en uren over het onderwerp gediscussieerd toen een kamergenootje uit een streng gereformeerde familie ongewenst zwanger bleek te zijn. Door die gesprekken, ook met mijn gelovige ouders, ontwikkelde ik het standpunt dat abortus een goede oplossing kan zijn.”
Dat bepaalde mensen haar bloed wel kunnen drinken, maakt haar niet angstig. “In Amerika – waar recent zelfs een arts in zijn kerk is doodgeschoten – zou ik misschien met een kogelvrij vest naar mijn werk moeten gaan, bij ons voor de deur blijft het bij een maandelijkse demonstratie door de mensen van stichting Schreeuw om Leven. Maar dat maakt me niet bang. Ik word er alleen heel erg boos van, omdat ik niet begrijp waarom ze vrouwen onnodig de stuipen op het lijf willen jagen.”
Twijfelt ze nooit of ze wel op de goede weg bezig is? “Nee, ik sta volledig achter wat ik doe, alleen kan niemand mij vooraf vertellen of een kind later toch gewenst blijkt te zijn. Daarom hamer ik op goede besluitvorming bij de vrouw. Twijfelt ze, dan behandel ik haar niet. Ze moet heel goed weten waarom zij kiest voor een abortus als de minst slechte optie van haar probleem. Want vergeet niet, niemand wil graag een abortus en voor sommige vrouwen is het de keuze tussen verdrinken of opgehangen worden. Nog altijd raakt het me als ik de vaak schrijnende verhalen van vrouwen hoor. Aan de andere kant word ik nergens zo vaak omhelsd als hier en zijn de meeste vrouwen erg opgelucht na een behandeling door mij.”
“Erg opgelucht op dat moment wellicht. En dan krijgen wij zeker alle vrouwen over de vloer die níet zo gelukkig zijn?” brengt Van Veelen ertegenin. “Laat hulpverlening over aan organisaties die daarin gespecialiseerd zijn. Want laten we eerlijk zijn, zelfs een klein percentage vrouwen dat naderhand in psychische nood komt, is al te veel.”

Noodsituatie
In Nederland vinden per jaar 33.000 abortussen plaats. De Abortuswet van 1981 stelt dat elke behandeling altijd aan meerdere voorwaarden moet voldoen. Zo moet er sprake zijn van een noodsituatie, moet de vrouw zich vijf dagen bedenken na haar beslissing, moeten er alternatieven worden aangedragen voor een abortus en is de vrouw zelf verantwoordelijk voor haar keuze. Toch kun je – door het ontbreken van een definitie – het begrip ‘noodsituatie’ ruim opvatten. Is een vrouw in levensgevaar, dan is daar duidelijk sprake van, maar wat als een vrouw een hazenlip of het syndroom van Down ook als noodsituatie opvat? “Ik denk dat je dit in de eerste plaats aan de vrouwen zelf moet vragen,” reageert Loeber. “Ten tweede kom ik bijna nooit iemand tegen die zegt: ‘O, er zit een vlekje op het kind, haal het dus maar weg.’”
“Toch is het syndroom van Down voor sommige stellen voldoende reden om het ongeboren leven wel weg te laten halen,” werpt Van Veelen tegen, die voorheen werkte bij ‘Dit Koningskind’, een christelijke belangenorganisatie voor gehandicapte kinderen. “Zo lang we niet omschrijven wat een noodsituatie is, kan dit van alles zijn. Niet alleen een ernstige afwijking bij het kind, maar ook een hazenlip of zelfs een geplande vakantie. De vrouw beslist immers! Ik vind het echt te dol voor woorden dat je in dit land een abortus kunt laten uitvoeren om dit soort egoïstische motieven.”
Loeber: “Stel, er komt een lijst waarop noodsituaties staan, dan lost dat niets op en zijn we terug bij af. Een vrouw kan immers altijd liegen of een zielig verhaal verzinnen. Dan stappen we opnieuw in de geheimzinnige cultuur van vóór de legalisering van abortus. Het is en blijft de keuze van de vrouw.”

Taboe
Dat abortus altijd en overal emotionele reacties oproept bij voor- en tegenstanders, hoef je dit tandemduo niet te vertellen. Hoe gevoelig het onderwerp – ook onder de VBOK-achterban – is, blijkt als Van Veelen ingaat op Loebers vraag of abortus een totaal taboe voor hem is. “Ik stel voorop dat elk ongeboren kind het recht heeft om geboren te worden,” reageert hij. “Maar abortus kan een laatste redmiddel zijn als een vrouw in levensgevaar is. Of wat dacht je van het Braziliaanse meisje van 9 jaar dat door incest in verwachting raakte van een tweeling? Dat is ontzettend ingrijpend en brengt haar leven in allerlei opzichten in gevaar.”
“Maar wat als ze nu 12 jaar is?” daagt Loeber uit.
“Ik vind het echt afhankelijk van de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van zo’n kind en ben dus niet automatisch voor een abortus,” reageert Van Veelen. “Maar een absoluut ‘nee’, zoals sommige mensen willen, zul je niet uit mijn mond horen, want daar is de problematiek veel te complex voor. In gesprekken met vrouwen zullen onze maatschappelijk werksters ook nooit zeggen dat een abortus niet mag. Hun standpunt doet er niet toe en bij ons staat eveneens de keuze van de vrouw voorop.”
Loeber: “Maar aan de andere kant zullen jullie nooit doorverwijzen naar een abortuskliniek, zoals bijvoorbeeld Stichting Ambulante FIOM dit wel doet. Abortus is voor jullie niet een van de redelijke alternatieven. Daarom zal ik een vrouw in mijn kliniek nooit naar de VBOK doorsturen voor een zogenaamd besluitvormingsgesprek. Ik vind jullie niet neutraal genoeg.”
Van Veelen veert overeind: “Zijn abortusartsen dat dan wel? Neutrale hulpverlening bestaat niet, dus daar geloof ik niets van.”
“Wel als het goede artsen zijn,” verdedigt Loeber, direct gevolgd door Van Veelen: “Toch proef ik in je woorden dat de VBOK niet respectvol met vrouwen om zou gaan door hun sturende adviezen te geven. Maar dan moet je nodig bij ons langskomen om je beeld bij te stellen.”
Loeber: “Niet respectvol hoor je mij niet zeggen. Wel vind ik het een groot probleem dat abortus bij jullie niet een van de opties is.”
Van Veelen: “Het klopt dat wij niet actief doorverwijzen naar een abortuskliniek. Dat heeft alles te maken met de aard van het zorgstelsel in Nederland; wij verwijzen altijd terug naar de huisarts, omdat wij hem zien als de regisseur in de zorg voor de patiënt.”

Toekomst
Na anderhalf uur kijken Olga Loeber en Johan van Veelen terug op een pittig gesprek waarin ze voortdurend genoodzaakt waren de voeten op de grond te zetten. Ze zouden nog uren kunnen doorpraten, zonder een centimeter dichter bij elkaar te komen. “Ons vertrekpunt is principieel zo anders, dat we blijven botsen,” concludeert Van Veelen. Ze zullen dan ook nooit dezelfde eindbestemming bereiken.
Als ze de strijdbijl definitief hebben begraven, is het tijd voor het afscheid. Waar wensen zij dat Nederland over tien jaar staat op het gebied van abortus? “Het is mijn wens dat we over tien jaar in een land leven waar het ongeboren kind net zoveel invloed en waarde heeft als de vader en de moeder,” stelt Van Veelen, gevolgd door de abortusarts: “En ik ga voor een land waar het hoogste percentage gewenste kinderen ter wereld leeft.”

Loeber en Van Veelen zijn bereid geweest een stukje samen op te fietsen en balans te vinden op dat rare wiebelding. “Het valt niet mee om elkaar blind te vertrouwen en de controle uit handen te geven op die fiets,” geeft Loeber na de fotosessie ruiterlijk toe. Van Veelen is het nu even met haar eens. Lachend: “Lijken we toch een beetje op elkaar, hè.”

Met dank aan Ridder Tweewielers, Nijkerk.

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons