Icon--npo Icon--twitter Icon--facebook Icon--instagram Icon--mail Icon--search Icon--video Icon--image Icon--audio Icon--EO Icon--whatsapp Icon--linkedin Icon--snapchat Icon--youtube Icon--quote arrow-right Icon--menu Icon--background Icon--backgroundContent Icon--overlayBottom Icon--overlayTop

Marja Brak, adjunct-directeur van de IZB

Levenslessen op de dodenakker

in Geloven

Wie heeft ze niet? Plekken waar herinneringen liggen, waar belangrijke gebeurtenissen plaatsvonden waar we met plezier, of misschien wel met weemoed aan terugdenken. ‘Visie’ portretteert deze zomer acht mensen op hún plek, met hún verhaal. In een knapzak nemen ze voorwerpen mee die de herinnering weer levend maken. Deze week: Marja Brak.

Bomen en wat verspreid grazende koeien markeren de horizon van het groene polderlandschap, dat zich achter de begraafplaats van het hervormde kerkje in Zegveld uitstrekt. Deze kleine dodenakker is een betekenisvolle plek voor Marja Brak, adjunct-directeur van de IZB – vereniging voor zending in Nederland. Hier ligt het beginpunt van een opvallend patroon dat zich sinds haar jeugdjaren aftekent langs haar levenspad.

Ietje. Zo heette een schoolvriendinnetje van Marja. Op 11-jarige leeftijd overleed zij als gevolg van leukemie. Aan de bovenkant van haar grafsteen hebben vaardige vingers ‘God gaf en nam’ gebeiteld. In gevoelloos steen uitgehakte letters, waarachter een wereld van lief en leed schuilgaat. Voor Marja, die Zegveld rond haar twintigste verliet en tegenwoordig in Amersfoort woont, was dit de eerste begrafenis die ze meemaakte. Er zouden er nog veel meer volgen. Opvallend vaak van mensen rond haar eigen leeftijd. “Het merkwaardige is: na de dood van Ietje, in de zesde klas, heb ik zo’n beetje om de vijf jaar bij het graf van een andere leeftijdgenoot gestaan.”

Lied

Het keurig aangeharkte grind onder Marja’s rode schoenen knerpt terwijl ze vooroverbuigt om de grafsteen beter te bekijken. “We moesten een lied zingen op haar begrafenis, weet ik nog. Ik dacht Daarboven juicht een grote schaar’, maar op de steen staat Veilig in Jezus’ armen.” Meezingen kon Marja niet: ze had het gevoel dat haar keel was dichtgeschroefd. “Ook later, tijdens andere begrafenissen en rouwdiensten, kon ik nooit meezingen. Volgens mij is dat hier al begonnen, terwijl ik met mijn klasgenoten – en waarschijnlijk het hele dorp – rond het open graf stond.”
Zonder haar ogen te sluiten, kan ze de fiere gestalte van Ietjes vader zo weer voor de geest halen. Ondanks de keiharde confrontatie met de dood, getuigde hij die dag op deze plek blijmoedig van zijn geloof, en van de hoop op het eeuwige leven. “Zijn getuigenis moet onbewust een enorme indruk op mij hebben gemaakt,” vertelt Marja. “Later heb ik me dit pas gerealiseerd, toen ik een patroon begon te zien, namelijk dat de dood op mijn weg door dit leven steeds om de hoek kwam kijken.”
Er werd na Ietjes begrafenis niet veel over haar, of over de dood gesproken. In ieder geval niet op de lagere school in Zegveld. “Ik heb het gevoel dat er toch wel een beetje ‘omheen gezwegen’ werd. Dat is tegenwoordig in het onderwijs heel anders, als een kind overlijdt. Bij ons thuis spraken we er waarschijnlijk wél over. Aan tafel, tijdens het eten. Maar nooit één op één.”

Wandelende rouwkaart

In haar kindertijd ‘hoorde’ de dood misschien wel meer bij het leven dan nu, mijmert Marja. Ze herinnert zich een andere, voor hedendaagse begrippen vreemde figuur uit haar jeugd, die zich misschien nog het beste laat typeren als een soort wandelende rouwkaart. “In Zegveld hadden we vroeger een aanspreker. De uitvaartleider. Muis, zo heette hij. Helemaal in het zwart gekleed, met een hoge hoed, belde hij aan bij de mensen in de omgeving van een overledene. Ik heb als kind ook wel eens de deur opengedaan. Dan werd er niet gevraagd: ‘Is je vader of moeder thuis?’, maar kreeg ik zoiets te horen als: ‘Ik heb de droeve plicht u namens de familie mede te delen dat gisteravond die-en-die is overleden in de leeftijd van zoveel jaar.’ De eerste keer dat die aanspreker bij ons huis aanbelde – ik was toen waarschijnlijk een jaar of twaalf – dacht ik: ‘O help, daar heb je Muis; waar is mijn moeder?’”
Ook díe vroege confrontatie met de dood is haar altijd bijgebleven. Evenals de herinnering aan het feit dat haar vader, als er een buurman of een collega van de vrijwillige brandweer overleed, de kist naar het graf moest helpen dragen. “Dan liepen wij als kind achter de lijkwagen aan naar dit kerkhof. De dood had dus zo z’n plek in het dorp, en in mijn leefwereld.”

Klasgenoot

In gedachten verzonken wandelt Marja verder langs de rijen met oude en nieuwe graven rond deze dorpskerk, die ze in haar jonge jaren bezocht – ze woonde hier vlakbij. Af en toe blijft ze even staan, terwijl de wind aan haar kleren rukt. “Ik zag net de naam van een andere klasgenoot, die vorig jaar is overleden.” Peinzend: “Het gaat maar door...”
Zonder moeite, zegt ze, kan ze minimaal veertien namen opnoemen van mensen zoals Ietje, die dichtbij haar stonden en zijn weggevallen. Let wel: leeftijdgenoten. “Dat begon al op de jeugdvereniging. Daarna in de kring van het Dabarwerk (campingevangelisatie, red.) en weer later ook naaste vrienden. Dan heb ik het dus niet over opa’s en oma’s, maar mensen van mijn generatie.”
Die geregelde gang naar het graf van generatiegenoten zette Marja van jongs af aan sterk aan het denken over grote thema’s: leven, dood en eeuwigheid. Uit de knapzak haalt ze een nummer van het tijdschrift Windstreken, waarin ze zo’n vijfentwintig jaar geleden een column schreef over de dood, en hoe je je daarop moet voorbereiden. “Daarin vertelde ik over een envelop die ik thuis in een kistje bewaarde, en waarin stond wat er moest gebeuren als ik zou overlijden. Een tijdje daarna kwam ik op een Windroosconferentie heel veel jongeren tegen die mij vertelden dat ze nog nooit over de dood hadden nagedacht en net als ik iets wilden opschrijven. Toen merkte ik al dat de dood een onderwerp is waar niet veel over wordt gesproken.”

Zwitserlevengevoel

Enkele mensen uit Marja’s directe omgeving, zoals Ietje, stierven na een ziekbed. Anderen werden heel plotseling uit het leven weggerukt. Juist die onverwachte sterfgevallen maakten de meeste indruk op haar. “Daardoor ben ik altijd het meest verbijsterd. Zoals een telefoontje dat een vriendin een hersenbloeding had gekregen en was overleden. Vier jaar geleden kreeg mijn eigen zus een hartstilstand. Ze was altijd kerngezond.”
Van alle sterfgevallen waarmee Marja inmiddels is geconfronteerd, was dat van haar zus het meest ingrijpend. Dit hing samen met het feit dat zij niet geloofde. “In het hele rijtje van overledenen kan ik aangeven dat vooral het overlijden van mensen die niet geloven, mij enorm aan het denken zet. Waarom gelooft iemand niet die uit hetzelfde gezin komt en dezelfde christelijke opvoeding heeft gehad? Tegelijk dacht ik, toen mijn zus overleed: ‘Waarom ik niet? Mijn toekomst is verzekerd.’” Ze zwijgt, even. “Het oordeel laat ik liggen; het heeft geen zin daarover te filosoferen. Maar het is zo tragisch dat iemand geleefd heeft zonder geloof. Het leven is zo belangrijk. Als het leven goed is, zal het met die dood wel gaan. Met Jezus samen is de dood geen vijand meer.”

Dichtbundel

Ze vist een dichtbundel van Jacqueline van der Waals uit de knapzak, met daarin onder andere elf zogenaamde ‘doodsgedichten’. Die schreef Van der Waals toen ze op 51-jarige leeftijd te horen kreeg dat ze maagkanker had en nog maar korte tijd zou leven. “Het opvallende van die gedichten is dat zij de dood niet zozeer beschrijft als een vijand, maar meer als een vriend, die haar verlost van de ellende die deze ziekte met zich meebracht. Tegelijkertijd zit ze ook nog met duizend draden aan het leven vast. Af en toe geef ik lezingen over het leven en werk van Jacqueline van der Waals, meestal voor vrouwengroepen. Mijn thema is: ‘Levenslust en stervensmoed’. Dat zijn de twee elementen die ik probeer te verbinden. Ik hecht enorm aan het leven, geniet er ook erg van, en tegelijk denk ik altijd: ‘Het kan morgen over zijn.’”
Wat haar bij nabesprekingen rond deze lezingen opvalt, is dat veel vrouwen aangeven dat ze niet met hun echtgenoot over de dood kunnen praten. “Soms reageren mannen in de trant van: ‘Wil je me dood hebben of zo?’ Het schijnt slecht bespreekbaar te zijn. Jammer.”
Terug naar het Middeleeuwse adagium ‘Memento mori’, dus? “Nou,” nuanceert ze, “de tegenpool is ‘Memento vivere’, gedenk te leven. Die beide moet je vasthouden. Je kunt niet leven als je de dood daar niet in betrekt. Dan ga je voortdurend onderuit, bij elke confrontatie met een sterfgeval, een ziekte of wat dan ook.”

‘Rond mijn ziekte merkte ik met hoeveel touwen ik aan het leven vastzit’

Borstkanker

Marja staat doorgaans vrij ontspannen in het leven, zegt ze zelf. “Ik lig er niet wakker van als ik niet aan het ‘zwitserlevengevoel’ toekom, waar mijn generatie nu zo langzamerhand aan begint. ‘We stoppen lekker vroeg met werken, zodat we kunnen gaan genieten...’ Maar de kwaliteit van het leven is toch niet gelijk aan genieten? Ik hoef helemaal niet alles uit dit leven te halen: de eeuwigheid is zo gigantisch; alles waar ik hier niet aan toekom, zal daar wel een plekje krijgen.”
Die ontspannenheid kenmerkte ook haar reactie toen ze twee jaar geleden met de diagnose borstkanker werd geconfronteerd. “Gelukkig bleek mijn ziekte goed te behandelen – ik moet voor de zekerheid onder controle blijven, maar ik hoop dat ik nog steeds gezond ben. Veel mensen vroegen destijds: ‘Je leven staat nu wel helemaal op z’n kop, zeker?’ Ik was verbaasd dat zovelen zich kennelijk zo weinig realiseren dat ze zelf zomaar tegen een boom kunnen rijden, bijvoorbeeld. Juist christenen zouden moeten weten dat het leven zo voorbij kan zijn. Vanaf het moment dat ik op de lagere school zat en hier bij Ietjes graf stond, heb ik geleerd dat het aantal levensjaren niet belangrijk is, maar de vraag of je echt hebt geleefd.”

Liedboek

Marja wijst op het Liedboek, dat ze eveneens in de knapzak heeft meegenomen. “Dat boek is mijn overleving. In deze liederen, en met name in de psalmen, worden mijn gevoelens op een prachtige manier verwoord. Rond mijn ziekte merkte ik met hoeveel touwen ik aan het leven vastzit. In het hele ziekteproces hebben de psalmen mij erdoorheen getrokken. Omdat daarin de vragen en de angst een stem krijgen. Maar ook het vertrouwen wordt er prachtig in verwoord. Als ik het even niet zie zitten, pak ik eerlijk gezegd nog eerder het Liedboek dan de Bijbel. De Bijbel ken ik van A tot Z, waardoor het soms lijkt of de woorden een beetje afgesleten zijn. Ik vind het moeilijk om ze steeds met nieuwe ogen te lezen. Maar in deze liederen ontdek ik elke keer weer zinnen die me enorm aanspreken.”
Psalm 103 – in de berijming van 1773 – is een van haar lievelingspsalmen. “Daar staat ook veel in over vergeving. Een mooie psalm, die de verhouding tussen God en de mens tekent. God is onze Maker, tegelijk heeft Hij ook begrip voor het feit dat wij het vaak niet zo geweldig doen.”

Eeuwigheid

Dodenakker: Marja Brak waardeert dit ouderwetse woord voor begraafplaats. “Omdat het nauw aansluit bij wat Paulus schrijft: ‘We zaaien het lichaam in vergankelijkheid; het zal opgewekt worden in onvergankelijkheid.’ Dat is overigens tegelijk mijn moeite met crematie.”
Ze kan de contouren van het nieuwe leven dat wacht, niet goed scherp krijgen. “De Bijbel is er heel sober over, wat de eeuwigheid is. Ik denk zelf niet in termen als ‘naar de hemel gaan’. Ik verwacht het Koninkrijk, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Mijn vermoeden is dat er op die nieuwe aarde dingen zullen zijn die bij je karakter en talenten passen, die je mag gaan doen.”
In de verte vliegt een vogel laag over het groene gras, terwijl de wind onophoudelijk door Marja’s grijze haren speelt. “In Zegveld waait het altijd.” Ze richt haar blik opnieuw op de polders, waarin haar geboortegrond verankerd ligt. “Ik stel me de eeuwigheid vrij aards voor, maar zonder alle ellende, misverstanden en teleurstellingen waarmee we hier nog worden geconfronteerd. Het zal volmaakt zijn, zoals het eenmaal begonnen is. Ik hóóp maar dat het er op de nieuwe aarde een beetje uitziet zoals hier, met van die mooie, weidse landschappen.”

Marja Brak (1947) is adjunct-directeur van de IZB – vereniging voor zending in Nederland. Een missionaire organisatie binnen de PKN die vanuit de gereformeerde traditie gemeenten en gemeenteleden in Nederland helpt en toerust om Christus bekend te maken. De IZB evangeliseert zelf niet, maar stimuleert, adviseert en assis°©teert via toerustingscursussen in de gemeenten, evangelisatiematerialen en -methodes. Ook helpt zij diverse gemeenten via eigen evangelisten. Info: www.izb.nl

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons