Icon--npo Icon--twitter Icon--facebook Icon--instagram Icon--mail Icon--search Icon--video Icon--image Icon--audio Icon--EO Icon--whatsapp Icon--linkedin Icon--snapchat Icon--youtube Icon--quote arrow-right Icon--menu Icon--background Icon--backgroundContent Icon--overlayBottom Icon--overlayTop

Zo assertief als de barmhartige Samaritaan

Nico van der Voet over de balans tussen zelfhandhaving en zelfverloochening

in Geloven

Mag ik aan mijzelf denken, of moet ik altijd eerst de ander voor laten gaan? Hoe kom ik voor mijzelf op zonder egoïstisch te zijn? Vroeg of laat loopt iedereen tegen dit soort vragen op. Nico van der Voet, docent ethiek aan de Christelijke Hogeschool Ede, houdt zich al ruim vijftien jaar met deze lastige thematiek bezig.

Toen hij nog docent was op een middelbare school, kwam hij vrij veel onzekere leerlingen tegen. In een tijd waarin de meeste christenen kopschuw waren voor ‘assertiviteit’ (zie kader), stelde hij stencils samen over bijbels verantwoorde assertiviteit. Die informatie voorzag in een grote behoefte.

Assertief of subassertief?

“Wie assertief is, komt voor zichzelf op door te uiten in woorden en daden wat in hem leeft. Wie subassertief is, houdt voor zich wat in hem leeft, uit angst voor andere mensen.” (Waarom moet ík altijd helpen?, blz. 18)

“Op een gegeven moment belde een moeder me op,” herinnert hij zich. “Ik had een stencil aan haar dochter gegeven; nu vroeg deze vrouw of ik er een lezing over wilde houden op de vrouwenvereniging. Van het een kwam het ander. Omdat ik merkte dat er zoveel belangstelling was voor een christelijke visie op assertiviteit en zelfverloochening, heb ik er in 1991 een boekje over geschreven: Waarom moet ík altijd helpen?, waarvan onlangs de tiende, herziene druk is verschenen.” Dit boek is inmiddels ook in een Duitse en een Chinese vertaling gepubliceerd.

Lantaarntje

Waarom ervaren zoveel christenen kennelijk een spanning tussen zelfhandhaving en zelfverloochening? “Wij willen heel graag klaarstaan voor de ander,” legt Van der Voet uit. “Dat wordt gevoed door de bijbelse oproep om de ander lief te hebben. Maar in dat er zijn voor de ander hebben velen het gevoel dat er misbruik van hen wordt gemaakt, en dat er grenzen bij hen worden overschreden. Ze helpen wel, maar hebben het idee dat ze daarin ondersneeuwen: ‘Wie kijkt er nou eigenlijk naar míj om?’ Velen ervaren het als eenrichtingsverkeer.”

Een lantaarntje kun je gerust thuislaten als je praktijkvoorbeelden zoekt: ze zijn er te over. “Neem een gezin, waarin een vader of moeder denkt: ‘Ik denk altijd aan een ander, maar wat doen zij voor mij?’ Dat roept spanning op. Vaak voelen ze zich schuldig als ze voor zichzelf opkomen, want ‘je moet een ander toch voor laten gaan?’ Dat heeft ermee te maken dat bij heel veel mensen het gevoel van eigenwaarde samenhangt met het er zijn voor een ander. Ze zien het dus niet alleen als een opdracht, maar het heeft ook met hun persoon-zijn te maken: in het klaarstaan voor een ander hopen ze een stukje zelfbevestiging te ontvangen.”

Een hardnekkig misverstand dat Van der Voet bestrijdt, is dat ‘jezelf verloochenen’ betekent dat je zelf niets wilt en geen grenzen aangeeft. “De kern van mijn visie is juist: die twee gaan prima samen! Kijk naar de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Hij is er honderd procent voor die gewonde man, laat zijn programma onderbreken en is gehoorzaam aan de opdracht van God. Maar hij geeft tegelijk zijn grenzen aan, want de volgende dag zegt hij dat hij verder reist. Mensen die geen grenzen aangeven, blijven bij zo’n gewonde zitten en denken: ‘Niemand komt mij aflossen, maar God vraagt van mij dat ik er ben voor iemand in nood...’ Het gaat ze steeds zwaarder vallen, maar ze durven niet weg te lopen, omdat ook hun zelfbeeld ermee samenhangt – ze voelen zich dan schuldig en denken dat ze tekortschieten.”

Van der Voet benadrukt dat het, in het klaarstaan voor de ander, noodzakelijk is dat je grenzen aangeeft. “Doe je dat niet, dan houd je het op den duur niet vol en blijf je zitten met die spanning tussen zelfverloochening en zelfhandhaving. Als jij er helemaal wilt zijn voor je gezin, of je werk, of de kerk: prachtig, maar wees bereid je grenzen aan te geven. Zeg rustig ‘nee’ op het moment dat dingen je te zwaar vallen. Of vraag hulp – ‘Wil jij de kinderen vanavond even naar bed brengen?’ – in plaats van gedachteloos altijd maar jezelf weg te cijferen. Dat is gezond assertief.”

Communiceren

Niet alleen je eigen grenzen aangeven is een struikelblok voor subassertieve mensen, ook er open over communiceren. “Subassertieve mensen durven dat niet,” weet Van der Voet. “Die durven bijna niet te zeggen: ‘Wil jij een keertje afwassen?,’ of ‘Wilt u na de gemeenteavond even blijven om de stoelen terug te zetten?’ Want dan voelen ze zich schuldig. Ze hopen dat een ander uit zichzelf ziet dat-ie moet helpen, omdat dit voor henzelf ook ‘vanzelfsprekend’ is. Maar als jij hulp nodig hebt, vraag het dan. Natuurlijk loop je daarmee het risico dat je wordt afgewezen. Dat risico dekken mensen in door altijd maar klaar te staan.”

Er ligt ook wat dat betreft een duidelijke les in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan: “Let op het assertieve van de barmhartige Samaritaan; geef op een rustige manier je grenzen aan en leg die openlijk op tafel. Open communiceren, grenzen aangeven én je daar gelukkig bij voelen. Voel je er niet schuldig over, maar leer het als een overwinning zien als je grenzen leert aan te geven. Een schoolmeester heeft het snel door: wanneer hij niet assertief is voor de klas, lopen de leerlingen over hem heen. Zodra hij duidelijk grenzen aangeeft en deze durft te handhaven, merkt hij al snel: ‘Daar voel ik me prettiger bij.’ Ook de leerlingen voelen zich er beter bij. Dus: mijn assertiviteit is tevens goed voor de ander. Assertiviteit is de basis voor heldere en stevige relaties. Dat geldt in gezinnen, op je werk en in de kerk.”

Tijdens lezingen en lessen over dit onderwerp, kreeg Van der Voet (tevens vaste columnist van het gezinsblad Terdege) meer dan eens vragen van mensen met zorgbehoevende familieleden. “Dan benadruk ik elke keer: fantastisch dat je wilt helpen, maar je houdt dat alleen vol als je jouw grenzen aangeeft. Stelt dat je bejaarde moeder wil dat je elke dag langskomt, dan ben je het na een jaar helemaal zat. Als je echter met haar afspreekt dat je er één keer in de week helemaal voor haar bent, en je daaraan houdt, dan houd je het langer vol. Heb je een zus die nooit naar je moeder gaat, dan moet je niet subassertief denken: ‘Laat ik dan maar een keertje extra gaan.’ Ga hierover in gesprek met je zus. Werkt ze niet mee, dan sta jij voor een nieuwe keuze. Maar het er zijn voor een ander moet altijd een doordachte keuze blijven. Het is een daad van gehoorzaamheid aan Gods gebod, maar het hoeft geen klakkeloos automatisme te zijn. Soms zijn er ook andere oplossingen, waarbij niet ik, maar iemand anders wordt ingeschakeld.”

Mede n.a.v. ‘Waarom moet ík altijd helpen? Over zelfhandhaving en zelfverloochening,’ Nico van der Voet, uitgeverij Boekencentrum, 2007 (herziene, tiende druk), ISBN 978 90 239 2188 2.

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons