Icon--npo Icon--twitter Icon--facebook Icon--instagram Icon--mail Icon--search Icon--video Icon--image Icon--audio Icon--EO Icon--whatsapp Icon--linkedin Icon--snapchat Icon--youtube Icon--quote arrow-right Icon--menu Icon--background Icon--backgroundContent Icon--overlayBottom Icon--overlayTop

'Mijn kinderen gaan niet in mijn voetsporen'

in Geloven

Uit respect voor je ouders volgde je hun voetsporen. Je was zelf ook actief betrokken bij de kerk, je deed belijdenis van je geloof, trouwde netjes, vormde een gezin, gaf je kinderen de best mogelijke christelijke opvoeding en je verwachtte dat zij ook in jouw voetsporen zouden gaan. Totdat ze volwassen werden...

“Er moest bij mij wel even een knop om toen ik merkte dat een van mijn kinderen geestelijk op een totaal andere golflengte zat als die van mij en mijn vrouw,” bekent Kees van den Marel (54) uit Langbroek. Hij had nooit gedacht dat dat mogelijk was. O ja, hij zag wel dat kinderen in andere gezinnen – ook in de familie – hun eigen weg gingen, de kerk de rug toekeerden, zelfs gingen samenwonen. Dat zouden zijn kinderen nooit doen. Want zij wisten heel goed hoe het hoorde. Hij verwachtte van hen dat ze een goede opleiding afrondden, trouw kerkelijk meelevend zouden zijn, met een gelovige partner zouden trouwen en een gezin zouden stichten. En vooral – net als hij – gelovig zouden zijn. Met hen en later wellicht met zijn kleinkinderen zou hij dan goede gesprekken kunnen hebben over het geloof en gerelateerde onderwerpen en hen bij diverse activiteiten kunnen betrekken. Dat was zijn toekomstbeeld.

Het bleek een luchtballon die door zijn eigen kinderen werd doorgeprikt. Tussen ideaal en werkelijkheid zat helaas een gapende kloof. Het begon heel subtiel en geruisloos. Hij merkte op een gegeven moment dat een van zijn zelfstandig wonende kinderen niet meer naar de kerk ging. Kees: ‘‘Dat raakt je diep, samen met je vrouw. We hebben twee kinderen en wat je doet, is ze naar alle eer en geweten een bijbelgetrouwe opvoeding geven in een toen al moeilijke cultuur.”

“Je ziet aan je kinderen als ze ouder worden en gaan puberen,” gaat Kees verder, “dat hun karakters zich ontwikkelen. De een lijkt gevoeliger te zijn voor het Evangelie dan de ander. Dat observeer je, je ziet ze in de kerk zitten, naar catechisatie en jeugdvereniging gaan en je hebt al een voorgevoel. Bij de een houd je je hart vast, de ander is meegaander. Je probeert daar in de opvoeding rekening mee te houden. Als moderne ouders doe je de fouten in je eigen opvoeding niet over.

En dan komt toch dat moment dat er één zegt: ‘Ik stop ermee, met geloven.’ Dat is erg hard. Want dat is nu juist wat jou en je vrouw inspireert, zin geeft aan het leven.”

Jaloers

“Vervolgens komt het moment dat je vermoedt en even later ook weet dat hij samenwoont met een onkerkelijk meisje. Dat geeft bij mij alleen maar schuldgevoelens. Wat heb ik fout gedaan?

Je ziet gezinnen waarvan je dacht: Wat moet daarvan terechtkomen? Dan doen wij het toch ‘beter’. En in zó’n gezin gaat alles goed en in ons gezin, waar je het zo goed mogelijk probeert te doen, gaat het in geestelijk opzicht niet goed. Ik weet het, dat ligt voor wel tachtig procent aan het karakter van het kind. Kinderen in één gezin met dezelfde opvoeding in dezelfde cultuur zijn vaak zo enorm verschillend. Desondanks heb ik schuldgevoelens.

Ik ben soms jaloers op gezinnen waar de kinderen volgzaam zijn, terwijl ouders daar ogenschijnlijk weinig aan doen. Beseffen die mensen wel wat een weelde dat is? Toch blijft dat schuldgevoel, want je ziet – als het niet verandert – een kind verloren gaan. Ben ik te streng geweest of te meegaand? 

Ik heb spijt dat ik toch te veel heb vastgehouden aan de traditie met een kleine t. Ik vraag me nu af of wij onze kinderen destijds geen verkeerde dingen hebben opgelegd. Die regeltjes maken bij sommige kinderen met een bepaald karakter veel kapot. Als we veel meer vanuit de kern – het geloof in Jezus Christus en de vrijheid die dat geeft – hadden opgevoed, was het misschien anders geweest. Maar dat is achteraf praten.”

“De grenzen die we stelden, verschoven voortdurend. Eerst denk je dat samenwonen in jouw gezin nooit zal gebeuren. Als mij dat overkomt, ga ik eraan kapot, denk je. En als het zover is, dan slik je een paar keer, je praat erover met je vrouw en dan is de overheersende gedachte dat je je kinderen wilt vasthouden. Dus accepteer je ze ten volle, maar niet hun levenswijze.

Ja, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. De relatie is gelukkig goed gebleven. We komen bij hen en zij komen bij ons. Dan krijg je ook nog een mechanisme dat je gaat kijken of samenwonen bijbels gezien toch niet mogelijk is. Dat is de volgende fase. Als ze samenwonen en daarna gaan trouwen met degene met wie ze samenwonen, dan heb ik er nu al ietsjes minder moeite mee.

Ik wil hiermee aangeven dat je als ouders wordt geconfronteerd met dingen die je kinderen doen, dat er ook een soort arglistigheid bij je binnensluipt om naar een legitimatie te gaan zoeken in de Bijbel. Dat merk ik ook bij generatiegenoten, de vijftigers. De vijftigers komen in de verleiding over sommige dingen anders te gaan denken, omdat ze een legitimatie willen zoeken voor het gedrag van hun kinderen, zodat ze er zelf beter mee om kunnen gaan.

Continu zijn 50-plusouders bezig grenzen te verleggen, waar ze twintig jaar geleden niet aan durfden te denken. Denk ook aan ouders die te horen krijgen dat hun kind een homoseksuele relatie heeft. Hoever je met die grenzen moet gaan, daar heb ik geen antwoord op.”

Gescheiden slapen

Orthopedagoog Bert Reinds herkent dat wel. Hij komt, na het horen van Kees’ verhaal, op het onderwerp ‘loslaten’ terecht. “Het is ingewikkeld om je kinderen los te laten, zonder ze het gevoel te geven dat je ze aan hun lot overlaat. Dat is een spanningsveld tussen bemoeizucht, zoals dat door kinderen ervaren wordt, en onverschilligheid.
De eerste jaren van de opvoeding hanteren ouders bepaalde normen. Zoals het gescheiden slapen van nog niet getrouwde stellen en dus niet samen op vakantie. Daar hebben ze zich altijd aan gehouden, tot het moment dat ze op kamers gaan wonen en je hoort dat ze bij elkaar blijven slapen. Dan ontstaat er een spanningsveld.
Ik ken inderdaad mensen die op een gegeven moment die grens hebben verlegd. Om de lieve vrede, anders komen de kinderen niet meer thuis.

De cultuur waarin de 50-plussers zijn opgevoed, is compleet anders dan de cultuur waarin onze kinderen opgroeien. De technische ontwikkeling die ons steeds meer onafhankelijk maakt van mensen – we hebben elkaar niet meer zo nodig – is een van de oorzaken, de individualisering en secularisering zijn het gevolg.
Het is te goedkoop om te zeggen hoe de ouders dat anders hadden moeten doen. Want het is heel moeilijk. Hoe heeft dat hele loslatingsproces inhoud gekregen? Loslaten begint eigenlijk al bij de bevalling. Dat kost pijn en moeite.”

Reinds bevestigt dat de moeite in een gezin voor een belangrijk deel aan het karakter van het kind ligt. “Tijdens mijn eerste college pedagogie zei de hoogleraar dat 90 procent vastligt. Iemand vroeg toen: ‘Wat doen we hier dan?’ Het antwoord was: ‘Kun je nagaan wat je met die tien procent kunt doen.’ Je hebt te maken met karakter, omstandigheden en ervaringen die je opdoet die dat karakter beïnvloeden.”

Deskundigen

Ouders moeten bijna relatiedeskundigen zijn om kinderen op te voeden en met hen om te gaan. Altijd achteraf zien ze hoe het beter had gekund.
Reinds: “Dan is het van belang dat je een open relatie met je kind hebt om dat eerlijk te bespreken en te erkennen wat je – vaak uit angst of onwetendheid – verkeerd hebt gedaan. Dat brengt kinderen en ouders dichter bij elkaar, waardoor de dialoog op gang blijft. Je kwetsbaar opstellen, werkt heel positief. Vanuit die relatie probeer je de geestelijke waarden die je de afgelopen twintig jaar met ze hebt gecommuniceerd, ook een zichtbare werkelijkheid te laten zijn in je eigen leven. De kinderen zijn zelf verantwoordelijk voor wat ze ermee doen.

Als ze dan een andere weg kiezen, voelt dat heel naar. Als je zegt dat je daar veel verdriet van hebt, is dat natuurlijk zo, maar ze kunnen er niks mee. Je appelleert op een communicatielaag in de relatie, waar zij helemaal niet zitten. Het is beter om bijvoorbeeld te zeggen: ‘Wij vinden twee keer per week naar de kerk heel belangrijk en jullie één keer. Daarin verschillen we dus van mening. Maar laten we het samen dan eens hebben over die ene keer. Hoe beleef je dat?’
Richt je op de gemeenschappelijkheid en niet op verschillen. Het verschil brengt alleen maar meer verwijdering. Je verdriet moet je niet ontkennen, maar delen met ‘gelijken’.

Als het over samenwonen gaat, moet je duidelijk maken dat je samenwonen vanuit de Bijbel verwerpelijk vindt. Maar je verwerpt je kinderen niet! Je houdt van ze, die relatie staat niet ter discussie. Maar de inhoud van ons gesprek – samenwonen – daar hebben we verschillende meningen over. Je moet de ander het recht geven op zijn eigen mening. Jij denkt er zo over, ik denk daar anders over. En dat is moeilijk.”

Gert Miedema (26) is nog steeds lid van de Hervormde gemeente in Maasland. Hij heeft een reformatorische opvoeding gehad, maar toen hij een jaar of twintig was, ging hij zelfstandig wonen en hield de kerk voor gezien. Sinds kort woont hij samen.

“Ik vond mijn opvoeding nogal bekrompen en ouderwets. Zo hoeft het volgens mij helemaal niet. Mijn ouders zijn bijvoorbeeld tegen samenwonen. Maar ik wil zeker zijn van mijn zaak en later niet gaan scheiden. Ik snap niet wat daar nou verkeerd aan is. We zullen heus wel een keer gaan trouwen.”

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons